Kaddisj

Onbekende Nederlanders kennen de ervaring: op straat ontmoeten we een Bekende en in de flits tussen aanblik en plaatsing van de ander willen we groeten omdat we een kennis menen te zien. Tot we beseffen dat wij hem wel kennen maar hij ons niet. En we voelen ons een tikje belachelijk. Toen ik ‘lunchte met mijn uitgever’ kwam aan de overkant De Dikke Man voorbij. Ik weet niet of ik op dat moment of net tevoren (het laatste zou het mooiste zijn) had gezegd dat publiciteit rond het boekje aardig was, maar dat ik op dat gebied maar een verlangen kende: dat ik in voorbijgangers radioprogramma mocht komen. Uitgever stelde voor dat hij, Dikke Man kennend, hem binnen zou vragen om mijn verzoek over te brengen. Ik wimpelde af - heilige angst voor opdringen en blauwtjes lopen. Maar ik besefte dat het accent nog anders lag: dat ik, door een keurig inkomen niet afhankelijk van publikaties en eventueel daarop volgende publiciteit, mijn boekje vooral als een kans zag om in Ischa’s galerij te worden opgenomen. Waarschijnlijk afgezeikt, maar dat zou er geen moer toe doen: straf mij, meester. En dat ik deze Bekende Man als een soort huisvriend beschouwde zonder het gevoel (zie boven) daardoor belachelijk te zijn.

Ik werd niet gevraagd. Een van de malste stukjes die ik schreef betrof de ontmoeting die ik had toen hij en zijn vrouw op zaterdagmiddag Oeroeg bezochten waar ze mij, hen onbekend, in de pauze aan een Magnum praatten. Dit absolute Niets verhief ik tot een Groene-kolom, louter en alleen om me, langs deze onsympathieke weg, alsnog aan hen voor te stellen. Wat het stukje meer waarde had kunnen verlenen liet ik uit pieteit weg: dat ik getuige was geweest, bij het betreden van het verpletterend lege theater, van het feit dat een oud echtpaar letterlijk ‘kaddisj’ tegen hem zei vanwege de dood van zijn ouders - gebaar dat hij zichtbaar op prijs stelde. Waarom wilde ik uitgerekend door deze onmogelijke man, deze sarrende etterbak geinterviewd worden? Om dezelfde reden waarom nu zo onverwacht veel mensen verdriet tonen en waarom ze dat, bij uitzondering, niet uit zelfvergroting doen: we hielden van hem. Misschien hadden we het gevoel dat hij als een van de weinigen de geheime drijfveren zou blootleggen die we ons zelf niet of nauwelijks bewust waren. Wat kon hij trouwens op dat gebied eenzijdig en zelfs de plank misslaand zijn. Maar als het raak was, openbaarde hij niet alleen iets over de gast maar ook iets over ons lezers, luisteraars, kijkers. Zoals hij dat deed in de teksten van zijn liedjes. Een klerezooi is het leven - dat openbaarde hij en die maakte hij er zelf vaak van. Gekwetst maar geen slachtoffer.
Als een Bekende Nederlander sterft levert dat 'erg, he’ op en het besef dat wij tenminste nog leven. Om Ischa Meijer rouwen we. Want hij was 'ein sympathischer Jude’. En, vooral, 'ein Mensch’. Die ons, zonder onderscheid, in het hiernamaals zal interviewen nadat hij eerst een Frans liedje heeft gezongen met de Izzies. Als hij tenminste klaar is met zijn verhoor van de Schepper (die prachtige plaat van Collignon in de Volkskrant). Als die Schepper huilend wegloopt uit dat interview, zou Cor Galis dan geen waardig vervanger zijn?