Kadir van lohuizen fotograaf / ‘www.tibet.china.com’

‘TIBET IS EEN valkuil voor een fotograaf. Je trekt automatisch naar het mooie toe - dat is veel fotogenieker. Hier: driehonderd kilometer van de hoofdstad. Die foto heb ik in 1985 gemaakt en deze in '95. Totaal anders maar het is wel precies dezelfde straathoek. Zie je? Hetzelfde dakje, maar in 1995 helemaal volgebouwd met flats en winkels. Helemaal niet mooi. En ook niet leuk, want koud en moeilijk te komen. Maar journalistiek belangrijk, want het geeft aan hoe snel Tibet verandert.

In 1985 kwam ik voor het eerst in Tibet. Klein jongetje - grote wereldreis. In Boedapest nam ik de trein. Heel goedkoop: een kaartje Peking kostte toen honderd gulden. Eerst ging het naar Moskou en daarna met de Transsiberië Expres dwars door de Sovjetunie naar Peking. Uiteindelijk raakte ik in Tibet verzeild. De mensen, het land - het was wel héél bijzonder. In 1987 ging ik terug, maar er brak opstand uit en aan de grens mocht ik het land niet in. In 1995 ging ik weer, nu om te fotograferen. Het was zo'n verschil! Dat heeft me heel erg aan het denken gezet en daarom wilde ik dit boek ook maken. Want wij worden op het verkeerde been gezet: Tibet wordt heel erg geromantiseerd. Dat komt door films als Seven Years in Tibet en filmsterren als Richard Gere, die zich hard maakt voor de Tibetanen. Tibet is heel erg een cult geworden. Er wordt gedaan alsof het een dierentuin is waar een hek omheen gezet moet worden en waar iedereen vooral moet blijven leven als vroeger. Want dat vinden wij zo leuk en mooi. Ik vind dat kortzichtig.’ ‘TIBET GAAT ook met zijn tijd mee. Dat heb ik gefotografeerd. Hier: dit is een houseparty. En dat een mobiele telefoon ja. Een traditioneel theehuis dit, alleen ze draaien er nu de hele dag Kungfu-films uit Hongkong. Dat is eigenlijk wat wij niet willen zien. Dat Tibetaanse jongeren ook gewoon een mooie auto willen hebben. Maar zo'n houseparty is geen slecht aftreksel hoor. Ze vliegen er de deejays uit Shanghai binnen voor een nacht. Om vijf uur rollen ze dan weer naar buiten terwijl tegelijkertijd op de andere straathoek in de tempel het gebed begint. Daar zitten jongeren van dezelfde leeftijd die monnik zijn. Het gebeurt naast elkaar, bovenop elkaar en tegelijkertijd - dat wilde ik laten zien.’ 'VEERTIG JAAR geleden is Tibet geannexeerd - in 1959 is de Dalai Lama ook gevlucht. Die Chinezen zitten er en zullen er nu ook wel blijven; ze zijn inmiddels een economische macht geworden waar de hele wereld rekening mee houdt. Beatrix? De kritiek wordt een beetje een soap. Het heeft echt iets koddigs. Ik vind dat ze wel mag gaan. Ik vind alleen dat we op moeten houden met het hypocriete gedoe eromheen. Ik bedoel: Amerika bekritiseert China maar wordt tegelijkertijd de meest begunstigde handelspartner. Of: Van Mierlo bekritiseert China - China is gepikeerd en annuleert een handelsdelegatie - de Nederlandse regering weet niet hoe snel ze excuses moet maken en de handelsdelegatie vertrekt een maand later. Chinezen zijn niet dom. Ze gaan heel slim om met de oppositie in hun land. De harde repressie van de jaren zeventig en tachtig is niet meer visueel. Het zit er nog wel maar het is niet zichtbaar. En ze hebben de vrije-markteconomie binnengelaten. Daarmee hebben ze de eigen bevolking én de bevolking van Tibet gekocht. Als ik sprak met bekenden of leeftijdgenoten van de studenten die in 1989 op het Tienanmenplein zaten en ik vroeg ze waar ze nu zijn, dan was over het algemeen het antwoord dat ze carrière aan het maken zijn en dat ze geen tijd voor opstand hebben. Want de boodschap is nu: als je studeert en heel hard werkt, dan kun je een heel eind komen, dan kún je een heel chique huis en een dure auto kopen. Voor de meesten zal het altijd een droom blijven maar het is toch tastbaar geworden. Het is niet meer iets van de televisie, je ziet de moderne tijd op straat in Peking, in Shanghai en dus ook in Lhasa. Ik denk dat ze daarmee een heel slimme zet hebben gedaan: je ziet die jonge Tibetanen wegdrijven van de oude idealen, normen en waarden.’ 'OOK OP HET platteland van China kun je het zien. Dat is zo ongelooflijk snel aan het veranderen. Ik kom net terug van een vaartocht over de Yangtze. Dat gaf een uitstekende dwarsdoorsnede. Ik ben heel erg ver van de gebaande paden gegaan en ik was verbaasd over hoe open de mensen nu zijn. Wat ik eigenlijk tien jaar geleden nooit had, gebeurde nu wel: ik werd om de dag bij een familie thuis uitgenodigd voor het avondmaal. De MTV-cultuur is echt binnengekomen. Met donderend geweld. In 1985 waren er heel veel dingen niet te krijgen, nu kun je echt alles krijgen. In de grote steden, die shopping malls - je weet niet wat je ziet. Dan is de Magna Plaza in Amsterdam echt een buurtwinkel. Etage op etage: Boss, Versace, noem maar op. En op de bovenste verdieping een zwembad of een schaatsbaan.’ 'HET HEEFT ME zo vaak in verwarring gebracht, dit land. Ik kan me goed vinden in de leer van de Dalai Lama. Maar: tegelijkertijd hameren de Chinezen erop dat zij Tibet bevrijd hebben van het feodale juk, van de kerk die er een terreurbewind voerde. En daar hebben ze natuurlijk voor een deel gelijk in; dat wordt toch wel iets te vaak vergeten hier. Aan de andere kant: in zijn ballingschap is de Dalai Lama zo veel in contact met de buitenwereld gekomen dat hij een heel weldenkend, liberaal leider is geworden. Dat vind ik wel bijzonder. Ik ben geen boeddhist en ik zal het ook nooit worden, maar er zit wel een aantal heel goeie dingen aan die godsdienst. Er wordt een grote mate van gelijkheid nagestreefd. De Dalai Lama staat echt tussen zijn mensen. Ik kom uit een beetje vreemd nest: mijn ouders zijn soefi. In Centraal-Azië en Pakistan is dat een heel milde vorm van de islam. In het Westen is het soefisme in de jaren negentig veel meer verworden tot een, zoals ze het zelf noemen, universele godsdienst. Bij de kerkdiensten van soefi’s in Nederland wordt voorgelezen uit bijna alle belangrijke religieuze geschriften. Zowel de koran als de bijbel als joodse, hindoeïstische en boeddhistische geschriften. Mijn vader had het al van zijn ouders - die waren de eerste soefi’s in Nederland. Dat was begin deze eeuw. Dus ik heb wel andere dingen meegekregen dan mijn jeugdvriendjes die gewoon protestant of katholiek waren. Daardoor was ik meteen al een buitenbeentje. Mijn naam komt er ook vandaan: Kadir, “degene die in staat is tot”. Zoiets.’ 'TOEN IK GING puberen, radicaliseerde ik zwaar. Ik hield er nogal anarchistische ideeën op na en ik werd heel bewust een atheïst. Ik moest niks van religie hebben. Dat heb ik nog steeds een beetje. Ik bedoel: waar ik echt niet goed van word als ik in Tibet kom, zijn al die buitenlanders die je er tegenkomt en die zich ineens verwant voelen met het boeddhisme. Ik denk dat dat nergens op gebaseerd is. Het is voor veel mensen een vlucht uit hun eigen bestaan. Maar dat Tibetaanse boeddhisme is juist heel specifiek verbonden met die plek, dat hoort daar. Daarom hoeven we er nog geen museum van te maken. Ik vind niet dat wij het recht hebben om die Tibetanen wat dan ook te ontzeggen - het probleem is dat de Chinezen dat recht ook niet hebben.’