Kakanische filosofie

De Franse filosoof Bouveresse moet niets hebben van zijn wijsgerige landgenoten. Die zitten gevangen in de Duitse traditie, meent hij. Zelf oriënteert hij zich op de Oostenrijkse traditie van Wittgenstein en Musil. En o ja, in tegenstelling tot zijn Franse collega’s is hij nog altijd links.
Als kind was Jacques Bouveresse naar eigen zeggen ‘verschrikkelijk idealistisch’. Hij kon niet geloven dat deze werkelijkheid de ‘echte’ werkelijkheid was. Er moest iets beters bestaan en de religie beloofde dat. Priester worden, dat zou hij. Maar tijdens zijn filosofiestudie begon hij te twijfelen en ten slotte verzoende hij zich ermee dat de dagelijkse werkelijkheid waar we in leven de enige is. Hij was, zegt hij nu, voorgoed van zijn idealisme genezen.

PARIJS - Hij werd geboren in 1940 in de Franse Jura, in een boerengezin met negen kinderen. Nu is hij de enige filosoof in het prestigieuze Collège de France. In 1995 werd hij er benoemd op voorspraak van de socioloog Pierre Bourdieu, met wie hij zich in veel opzichten verwant voelt. Hun beider ongemak met de filosofische cultuur in Frankrijk is daar niet vreemd aan. Bouveresse is in de Franse filosofenwereld nog steeds een buitenbeentje. Tientallen jaren streed hij, bijna als eenling, tegen de invloed van het structuralisme en vervolgens tegen het postmodernisme. Een paar maanden geleden verscheen zijn boek Le philosophe et le réel, waarin hij - in de vorm van een lang interview - zijn intellectuele levensgeschiedenis vertelde. De afgelopen twee weken bezocht hij Nederland om zijn visie op de Franse filosofie en de toekomst daarvan uiteen te zetten. Le philosophe chez les autophages (‘De filosoof bij de zelfopeters’) heette een van de pamfletten die Bouveresse in de jaren tachtig tegen structuralisme en postmodernisme schreef maar die buiten Frankrijk nauwelijks werden opgemerkt. Bij denkers als Derrida was de filosofie volgens hem een esoterisch ritueel geworden, dat alleen nog maar terwille van zichzelf leeft. In het voetspoor van Althusser werd weliswaar alles politiek, maar vervluchtigde die politiek op haar beurt in woordkramerij waarin bijna niemand meer kon doordringen. Hij heeft, zegt hij in zijn werkkamer op het Collège de France, vlak voor zijn vertrek naar Nederland, weinig op met het 'neo-idealisme’ dat hij in Frankrijk ziet rondwaren. De filosofie lijkt ervan overtuigd te zijn geraakt dat niet de werkelijkheid het begin en criterium van het denken is, maar, omgekeerd, dat het denken de werkelijkheid bepaalt. Het 'textualisme’ van Derrida en de ondoordringbaar duistere teksten van veel van zijn collega’s zijn daarvan het gevolg geweest. Maar wat heeft een filosofie die zich er niet meer toe geroepen voelt problemen op te lossen en in plaats daarvan alleen nog maar de traditie wil 'deconstrueren’, eigenlijk te bieden? Zelf sloot Bouveresse zich liever bij een kritischer en realistischer traditie aan. Nee, niet de Angelsaksische, reageert hij elke keer fel wanneer hij voor een verloren zoon van de Engels-Amerikaanse filosofie wordt versleten. Natuurlijk wordt de 'echte’ filosofische traditie daardoor vandaag de dag het beste voortgezet. Maar zijn eigenlijke passie gaat uit naar wat hij 'het Oostenrijkse denken’ noemt: een scherp en illusieloos, soms zelfs sarcastisch denken dat zich compromisloos op de werkelijkheid richt. Een 'Kakaniër’ heeft hij zichzelf ooit genoemd, doelend op het 'kaiserliche und königliche’ rijk der Habsburgers van rond de eeuwwisseling. De negentiende-eeuwse filosofen Bolzano en Brentano waren de aartsvaders van die traditie. Voor Bouveresse zijn ze de ware helden van de negentiende eeuw. Maar ook laat hij zich graag inspireren door de achterdochtige psychologie van Nietzsche, al heeft hij voor diens profetieën en schrikwekkende sociale denkbeelden minder waardering. En door Lichtenberg, de achttiende-eeuwse aforismenschrijver, die vaststelde dat er tussen hemel en aarde weliswaar meer was dan de filosofie ooit kon bedenken maar de filosofie aan de andere kant ook heel wat bedacht wat op hemel en aarde nergens terug te vinden was. Die laatste twee waren geen Oostenrijkers, maar Bouveresse trekt zijn grenzen onbekrompen en is met de leden van de Wiener Kreis als volgende stadium in de Oostenrijkse traditie weer terug op bekende grond. Net als met Musil, over wie hij in 1993 een boek schreef (L'homme probable) en die hij tot de grote filosofen van deze eeuw rekent. En natuurlijk met Wittgenstein, aan wie hij zes studies wijdde en die hem meest van allen beïnvloed heeft. HET IS WONDERLIJK, geeft Bouveresse toe, dat er juist in het katholieke Oostenrijk zo'n scherp gevoel voor de werkelijkheid heeft kunnen ontstaan. En dan waren Bolzano en Brentano allebei ook nog eens priester, al kregen ze het wel met de kerk aan de stok. Misschien, zo vermoedt hij, heeft de geschiedenis een ironische list uitgehaald. Want 'katholiek’ betekende anti-Verlichting en daardoor bleef Oostenrijk verstoken van de Duitse Aufklärungs-filo sofie, die vóór alles de filosofie van Kant betekende. En het was juist Kant geweest die binnen de filosofie de 'werkelijkheid’ op losse schroeven had gezet. Als we in onze zintuigen alleen maar een stroom van prikkels ontvangen en de geest die prikkels weer tot een 'beeld’ ordent, hoe weten we dan dat dat beeld met de werkelijkheid overeenstemt? vroeg hij zich af. Zijn uiteindelijke conclusie was dat we alleen maar zeker kunnen zijn van onze zintuiglijke indrukken, maar dat de 'werkelijkheid’ die we daaruit destilleren strikt genomen niet meer is dan een illusie. Voor die gedachten bleef Oostenrijk gespaard en daardoor heeft het realisme er zich volgens Bouveresse ongehinderd kunnen voortzetten, terwijl het Duitse denken in het voetspoor van Kant steeds meer zijn greep op de werkelijkheid verloor. 'Duits’ kwam tegenover 'Oostenrijks’ te staan, met Kant als splijtzwam. Terwijl die voor de ene traditie boven alles uittorende, is hij voor Bouveresse niet meer dan een ongelukje op de hoofdweg van de filosofie. En daarmee krijgt 'Oostenrijks’ een betekenis die de tijdruimte van de dubbelmonarchie ver overschrijdt. 'Volgens de filosoof Kevin Mulligan was Aristoteles de eerste Oostenrijkse filosoof’, zegt Bouveresse. En na de Tweede Wereldoorlog vloeide die traditie vanzelf over in de Angelsaksische filosofie. Bij Wittgenstein was dat al voor de Eerste Wereldoorlog gebeurd. Zijn Tractatus werd in de jaren twintig in Engeland uitgegeven. 'Maar’, zegt Bouveresse, 'de jonge Wittgenstein was eigenlijk nog een metafysicus, hoe hard hij ook riep dat metafysische uitspraken geen betekenis hebben. In de Tractatus is hij nog altijd bezig een sys teem op te bouwen dat van de grond af aan wil laten zien hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Dat kun je gerust “metafysisch” noemen. Voor mensen die in de klassieke filosofie zijn gevormd was de Tractatus dan ook makkelijker te begrijpen dan Wittgensteins latere werk. Zelfs Russell vond hem toen vooral geschikt om te dienen als verstrooiing voor oudere dames bij de thee.’ In zijn postuum uitgegeven Philosophische Untersuchungen meent Wittgenstein dat de filosofie helemaal geen systeem is dat absoluut zekere fundamenten nodig heeft. 'Daarom hebben mensen die het latere werk lezen vaak het idee dat dat helemaal niets meer met filosofie te maken heeft. Dat Wittgenstein de problemen ontwijkt in plaats van ze te lijf te gaan. Wittgenstein zegt dan: de oplossing van een filosofisch probleem is gegeven wanneer je er niet langer meer aan denkt. Het doel van de filosofie is dus uiteindelijk dat je met filosofie ophoudt. Mijzelf heeft dat ook veel moeite gekost. Je moet er een volledige omkering voor maken, langs de as van onze filosofische problemen. De grootste moeilijkheid, zegt Wittgenstein, is dat je een filosofische oplossing die je in de hand hebt ook werkelijk als oplossing leert zien.’ Misschien, geeft Bouveresse aarzelend toe, heeft ook Heidegger wel zoiets voor ogen gestaan toen hij zich in zijn Brief over het 'humanisme’ keerde tegen een 'theoretische’ en beschouwelijke filosofie. Niet speculeren over de dingen maar er handelend mee omgaan: daar was het de filosofie van Heidegger om te doen. Maar daarbij is hij volgens Bouveresse veel meer bevangen gebleven door de wil 'filosofie’ te blijven doen dan Wittgenstein. En voor Derrida geldt dat eens te meer, vindt hij. Terwijl Wittgenstein allang had laten zien dat de filosofische jacht op een fundament niets meer was dan een filosofische mythe laat de deconstructie zich daardoor nog altijd begoochelen. Dat doet ze wel op een negatieve manier, geeft hij toe. 'De deconstructie vormt voor mij een perfecte symmetrie met de funderingsobsessie. Allebei berusten ze op de gedachte dat er maar twee opties mogelijk zijn: ofwel we slagen erin dat fundament te leggen, ofwel we deconstrueren die gedachte. Dat wil zeggen: als het fundament niet te vinden is, blijft er voor de filosofie geen andere taak over dan te deconstrueren en eeds verder te deconstrueren. Want er is altijd wel ergens een metafysisch residu te vinden waarmee de strijd moet worden aangebonden.’ 'WAT ME VERWONDERD heeft’, zegt hij, 'is hoe weinig de oriëntatie in de filosofie veranderd is. De referenties zijn nog precies dezelfde als ze waren in de grote Duitse traditie, die loopt van Kant via Fichte, Hegel en Schelling naar Husserl en Heidegger. Noch Derrida, noch Deleuze, noch anderen hebben daar werkelijk verandering in gebracht. Ricoeur heeft zich wat meer met de Angelsaksische traditie ingelaten toen niemand in Frankrijk dat nog deed. Maar hij is er naar mijn gevoel toch niet werkelijk in doorgedrongen. Die filosofie mag dan wel meedoen maar uiteinde0 lijk alleen maar om nuttig te zijn voor de grote Duitse traditie.’ Een van de theoretische handicaps van het structuralisme en de denkers die daaruit zijn voortgekomen lag volgens Bouveresse in hun oriëntatie op de linguïstiek van Ferdinand de Saussure. Om te beginnen omdat het structuralisme daarmee de illusie had eindelijk een echte wetenschap te worden. Er woedde volgens Bouveresse in de jaren zestig een enorm sciëntisme in de Franse filosofie. 'Iedereen was verschrikkelijk onder de indruk van de wetenschap. Zelfs Derrida. In die tijd schreef hij een boek over de “grammatologie”, waarin hij weliswaar toegaf dat dat nog geen wetenschap was maar volgens hem wel alles in zich had om het te worden. De structuralisten waren in die tijd sciëntistischer dan de Wiener Kreis ooit was geweest.’ De taalwetenschap moest hun daarvoor de basis bieden. Maar ongelukkig genoeg beschouwde hun leermeester Saussure de taal als een in zichzelf gesloten systeem, dat geen directe relatie had met de werkelijkheid. 'Wat in de taalwetenschap de “referentie” heet werd door Saussure helemaal buiten beschouwing gelaten’, zegt Bouveresse. 'Volgens hem werd de betekenis van een teken alleen maar bepaald door de relatie tot andere tekens. Het structuralisme leidde daaruit af dat de betekenis van een tekst uitsluitend tot stand kwam door verwijzingen naar andere teksten, enzovoort. Ik heb dat nooit goed kunnen begrijpen. Want als je je, in plaats van op Saussure, oriënteerde op de taaltheorie van Frege lag die verhouding tot de werkelijkheid van begin af aan al in het model besloten. Natuurlijk is het zo dat je binnen de taal niets betekenisvols kunt zeggen over de relatie tussen taal en werkelijkheid. Je kunt je nu eenmaal niet buiten de taal plaatsen terwijl je tegelijk zelf aan het praten bent. Ook Wittgenstein stelt dat vast. Maar dat is iets heel anders dan te zeggen dat er tussen taal 1 en werkelijkheid geen enkel verband is, dat taal alleen naar zichzelf verwijst, zoals sommigen van onze structuralisten beweerden. Ik denk dat dat catastrofale consequenties heeft gehad in de Franse filosofie.’ VOORAL DE RELATIE tussen de filosofie en de politiek heeft daaronder volgens Bouveresse geleden. Want de filosofische manier van spreken die elke band met de realiteit had doorgesneden, leidde er ook toe dat in de politieke discussie onder intellectuelen de concrete politiek steeds verder uit het zicht raakte. Het vreemde gevolg daarvan was dat zij het lieten afweten op het moment waarop met de overwinning van de Socialistische Partij in 1981 eindelijk hun uur geslagen leek. Voor Bouveresse was dat een verbijsterende ervaring. 'U moet niet vergeten’, zegt hij, 'dat de politiek in Frankrijk sinds 1958 in handen van rechts was geweest en de mensen van mijn generatie zich afvroegen of ze ooit nog links aan de macht zouden zien. In 1981 was het dan zover, en plotseling had niemand daar meer belangstelling voor. Er heerste onder intellectuelen een bijna volledige stilte. Dat bevestigt mijn idee dat hun verhouding tot de politiek altijd al verkeerd was geweest. Wat de linkse intelli2 gentsia langzaam ontdekte was dat de werkelijkheid van de politiek bestaat in pragmatisme, het sluiten van compromissen, enzovoort. Maar daar waren ze door de voorafgaande periode volstrekt niet op voorbereid.’ Nu is de situatie bijna omgekeerd, zegt hij, en dat bedrukt hem. Mét de obligate verwijzingen naar Marx, Lenin of Mao verdween vrijwel de hele marxistische cultuur. Het doet hem bijna terugverlangen naar de tijd van felle politieke confrontaties. 'Er is nu helemaal niets meer dat lijkt op wat toen “ideologiekritiek” werd genoemd. We leven in een tijd die alleen maar op consensus uit is. Dat betekent dat we nu alles wat mensen zeggen kennelijk voor zoete koek moeten slikken.’ Dat gaat er slecht in bij een man die zichzelf als principieel achterdochtig beschouwt. Want hoezeer zijn tegenstanders hem in de jaren zestig en zeventig ook voor rechtse rakker mochten verslijten, in werkelijkheid hebben zijn sympathieën altijd links gelegen. 'Sartre had gezegd: “Een anti-communist is een hond.” Voor velen van ons ging dat misschien wat ver; misschien was een anti-communist niet per se een hond maar hij was toch wel iets wat daarop leek. De marxistische theorie heeft me als geheel 3 nooit overtuigd, en al helemaal niet datgene wat de leerlingen van Althusser daarvan maakten. Maar een zekere sympathie had ik er wel voor.’ Het gemak waarmee intellectuelen, en vooral filosofen, zich met het liberalisme hebben verzoend, heeft hem verbijsterd. Van de weeromstuit voelt hij zich nu een stuk linkser dan de meesten van hen. 'Volgens veel mensen bestaat er geen werkelijk verschil meer tussen links en rechts. Nu, ik denk dat er wel degelijk een verschil is. Wanneer je alle onrecht ziet waartoe de huidige samenleving in staat is, alle uitsluiting die plaatsvindt, dan is het wrang dat er geen enkele verontwaardiging of opstandigheid meer klinkt en dat intellectuelen nauwelijks meer van zich laten horen. Met uitzondering van Bourdieu misschien, maar die is in dat opzicht marginaal geworden.’ Het was in de jaren zestig en zeventig moeilijk verbaal engagement te onderscheiden van echte politieke actie, geeft hij toe. Misschien was tachtig procent van alles wat gezegd werd gebakken lucht. Maar voor de inzet van Foucault voor gevangenen en homoseksuelen heeft hij nog altijd grote bewondering, net als voor Deleuze. En nu? 'Wanneer ik mensen zie als André Glucksmann of Régis Debray dan zie ik oude revolutionairen die zich nu moeiteloos met het establishment hebben verzoend. Debray omarmt vandaag de dag bijna systematisch de meest conservatieve standpunten, of het nu gaat om de verdediging van de spelling of het Franse onderwijssysteem. En momenteel lijkt hij zich bijna te hebben opgeworpen als een verdediger van de Servische zaak!’ Hij moet er wrang om glimlachen. 'Het is soms droevig voormalige revolutionairen uit je eigen generatie raadgevers te zien worden van de president of zitting te zien nemen in ministeriële kabinetten. Dat doet pijn, je ziet hoe snel de tijd verglijdt…’