Kalenderarchitectuur

De nieuwe huisvesting van de Tate Gallery in Londen, te realiseren in het ontzagwekkende gevaarte van het voormalige Bankside Power Station, wordt als alles goed gaat gefinancierd uit het 2000-fonds, het budget voor een meer dan gewoon nieuwjaarsfeestje. Hoewel vele initiatieven hopen te profiteren van dit extraatje voor de cultuur, maakt het vooraanstaande museum goede kans haar wens tot uitbreiding langs deze weg gehonoreerd te krijgen. En wat voor een uitbreiding! Langs de oevers van de Thames staat straks die duistere steenmassa, bekroond met een stralende lichtbak. Het winnende ontwerp is van de Zwitsers Jacques Herzog en Pierre de Meuron.

Een land dat de eeuw begon als wereldimperium en haar beeindigt als het zorgenkind van Europa, kan de klok alleen maar haten. Omdat die haat zinloos is, maakt men er overstelpende liefde van. Dat betekent dat de uitbundigheid van het feest in geen verhouding staat tot de nietszeggendheid van de mijlpaal. Engeland verkeert in een genante erotische betrekkingswaan tot het millennium. Een natie die besluit de viering van een kalenderjubileum tot speerpunt van zijn cultuurpolitiek te maken, is voer voor massapsychologen.
De drie belangrijkste factoren die tot de bouw van de uitbreiding zullen leiden, hebben alleen in het land van Monthy Python’s Flying Circus bedacht kunnen worden. De nieuwbouw heeft weinig te maken met de noodzaak tot het oprichten van een eerbiedwaardig instituut vol erfgoed. Het voorwendsel voor de fondsenwerving is ridicuul. Als alles goed gaat, zal dit gebouw er komen dank zij de volslagen willekeur van de gregoriaanse jaartelling die zegt dat het binnenkort toevallig 2000 na Jezus van Nazareth is. Het millennium moet koste wat kost gevierd worden, ook al weten we maar al te goed dat het ware millenniumdenken ons allang ontvallen is en de verlossing zich niet alsnog zal laten afdwingen door de komst van drie nullen. Waar de neurose over het metrieke stelsel al niet toe leidt.
Daarnaast wordt deze monumentalisering van een zinledig moment in de tijd gefinancierd met de opbrengsten van een nationale loterij. Cultuur gegenereerd door de winstmarge van het menselijk bijgeloof de enige uitzondering in de universele willekeur te zijn. Het lot van de kunst is om het goede doel te worden dat als alibi voor de hebzucht maar al te bekend is.
Dit samenraapsel van ongerijmdheden is waarschijnlijk te veel geweest voor het internationaal gezelschap deelnemers, onder wie ook Frank Gehry, Rafael Moneo en Rem Koolhaas. Zij hebben zich in arren moede maar gericht op de prioriteiten die zij in eigen werk ook los van deze opdracht al stellen. Voor een architectuurkritiek van de inzendingen kun je beter kijken naar de constanten in hun respectievelijke oeuvres dan naar de vraag of hun voorstel het jaar 2000, London, de investering van 100 miljoen pond of het museumprogramma waard is. Zoals elke winnaar weet: elke aanschaf met de winst uit een loterij is per definitie terecht.
Los van de absurde condities van dit project, is het voorstel van Herzog en De Meuron terecht bekroond. Het biedt precies het juiste beeld voor de promotiecampagne. Het beklijft vooral in de herinnering door het schitterende avondlijk panorama waarin de ontwerpers hun transformatie van de energiecentrale hebben vervat. Het plan is lucide in de dubbele betekenis van het woord. De horizontale strook licht die over de gehele lengte van het dak van deze kolos is voorzien, lijkt ontdaan van elke andere betekenis dan ‘eerbiedwaardigheid’. En dat is nu juist de verdienste die aan zo'n Museum 2000 ontbreekt. Hoe abstract ook, dit is meer dan ooit een architectuur van de suggestie. Het gaat om een belofte die nooit zal uitkomen. Het licht als het constituerende element leunt zwaar op zijn metafysische connotaties, zonder dat de transcendentie ooit komt.
Want morgen is er gewoon weer een dag, zelfs op het breukvlak van twee eeuwen.