Kameleon

Picasso gebruikte alles wat hij kon gebruiken. En hij kon elke vorm zo draaien als hij wilde. Een vrouw werd dan hoekig, om perfect in het schilderij te passen.

HET STEVIGE Zittende vrouw met vishoed, mooi fris van kleur ook, is een van de laatste van een aantal werken met een zittende vrouw, gemaakt in 1941-42. Het model was Picasso’s toenmalige vriendin, de mooie Joegoslavische Dora Maar, fotograaf van beroep. De doeken zijn allemaal ongeveer even groot, min of meer een meter hoog, het klassieke formaat dus van portretten. Maar het zijn niet echt portretten, daarvan missen ze de stille bezonkenheid. Het schilderij met de vishoed is het rustigste van de groep en ook een van de laatste. Voor de eerdere versies heeft Picasso het model eerst neergezet, daarna werd haar volle lichaam overdadig uitgedost met kleurige, schilderkunstige vindingrijkheden. De vrouw heeft volume en contour - hoofd, schouders, armen en handen, borsten. Ze zit in een stoel tegen een achterwand. In elk van de schilderijen voerde Picasso dat ensemble van delen weer anders uit: boller, vlakker, hoekiger, slanker, daarbij in steeds andere, contrastrijke kleurschakeringen en tegen weer een anders gekleurde muur. In elk schilderij is de stoel een ander ornament geworden en in de meeste schilderijen heeft het model, als niet haar haren al een versiering vormen, ook een kokette hoed op het hoofd. Een soort taartje, bijvoorbeeld, of een boeket, een gekruld geval met veren, een ensemble met fruit of, zoals hier, een stilleven met een zilverblauwe vis, compleet met bestek en citroen. Het plooibare model wordt grillig overladen met van alles wat de schilder maar kan verzinnen, zoals in de architectuur een folly, een fantasievol bouwwerk dat puur voor de sier gemaakt wordt. Zo zijn deze luimige schilderijen bedoeld als een onweerstaanbaar feest voor het oog. Aan de vindingrijke vrijmoedigheid waarmee dat gebeurt, met die sexy Picasso-bravoure, is goed te zien dat hij Dora een lekkere vrouw vond, wier wulpse verleidelijkheid hem in het schilderen meesleepte.
Er zijn van die kunstenaars die van hun vrouw hun model en muze maken, die hun ogen niet van haar af kunnen houden. In het werk van Rembrandt, bijvoorbeeld, duikt in velerlei rollen en vermommingen steeds weer Saskia op, en later Hendrickje. Voor Georg Baselitz is zijn vrouw Elke het onuitputtelijke model. Zij verschijnt in twee of drie vaste poses, ooit jaren geleden in informele foto’s vastgelegd. Als de schilder een nieuwe richting probeerde, gaf de vertrouwdheid van de pose hem houvast, omdat zij tot zijn repertoire is gaan behoren.
Eigenlijk is de pose van de Zittende vrouw met vishoed in Picasso’s werk ook een vast gegeven dat vaker voorkomt: vrouw in stoel, ten halve lijve, vrijwel frontaal. Hier is het schema uitgevoerd in een beheerst palet en een strakke vormgeving. Het schilderij bestaat uit tinten, donker en lichter, van blauw en grijs. Het gezicht van de vrouw is in grijs geschilderd en zacht getekend (met rode lippen) in de typische stijl van die jaren. In zijn verloop vanaf het kubisme, waarin de vormen eerst waren losgemaakt, was die stijl nog veel wendbaarder geworden. De strenge Kurt Schwitters noemde hem een kameleon en kon de frivoliteit niet uitstaan. En jazeker, na het gezicht en de vlakke, gevouwen handen, is de kleding steviger en hoekiger geschilderd, scherp en puntig in zijn contour tegen de lichtgrijze muur. Picasso kon elke vorm de kant op draaien die hij wilde. Zo zijn de ronde borsten weer volumineuzer geschilderd, boven en tegen het vlakke witgrijs van het strakke schort. De subtiele werking van de helder gele en rode kraag en manchetten is onbeschrijflijk, te vergelijken misschien met het ruimtelijk effect van een melodie als die in een stille kamer opklinkt.
Dan is er, niet te vergeten, die vreemde rechthoekige stoel waarvan de spijlen van de leuning (verticaal en horizontaal), rechtsonder, parallel lopen met de rand van het beeldvlak. Kijk ook naar de diagonalen van de grijze zitting en let op hoe het vale wit van het schort van de vrouw vanaf de hals strak meebuigt in de ruimte tussen arm en bovenlichaam en dan naar beneden toe volstrekt vervlakt. Zie dan ook nog, bovenin, de strakke donkergrijze geometrie van de recht gekamde haren en de onderkant van het hoofddeksel. Tussen Mondriaan en Picasso, heeft een collega mij verteld, waren geen vriendschappelijke betrekkingen. Te verschillende karakters. Bekend is wel dat Picasso naar schilderijen van Mondriaan ging kijken als die ergens in Parijs te zien waren. Zou hij Compositie van lijnen en kleur III gezien hebben, met dat blauwe vlakje in tralies van ruimte, een paar jaar voordat hij die rechte stoel construeerde? De kameleon, weten we, gebruikte alles wat hij kon gebruiken. Zelfs kan ik me voorstellen dat Picasso de rechte stoel als dragend motief (architectuur bijna) in zijn schilderij wilde laten optreden. De vrouw zette hij er plompverloren in - en toen ging hij haar net zo hoekig schilderen tot ze er perfect in paste. Zo glijden schilderijen in elkaar.

PS Voor liefhebbers: in de kloeke, tweedelige Picasso-uitgave van Carsten-Peter Warncke uit 1992 van Taschen-Verlag in Keulen staan de zittende vrouwen bij elkaar afgebeeld (deel II, pagina 440-448)