‘Het beginpunt van ware literatuur is iemand die zichzelf in zijn kamer opsluit met zijn boeken’, zei Orhan Pamuk in zijn aanvaardingsspeech van de Nobelprijs voor de literatuur. En zoals zo velen haalt ook hij Montaigne erbij, de succesvolle jurist en diplomaat die zich terugtrok in zijn toren om met zijn boeken te gaan leven. ‘Het brood breken met de doden’, heeft Auden dat ooit genoemd. Lezen is een herdenkingsceremonie die als in een liturgie de geesten en ervaringen van het verleden oproept.

Of geldt dat eerder voor her_lezen? Voor Montaigne zal dat zeker zo geweest zijn, voor Pamuk misschien ook. In zijn jeugd las hij de boekenkasten van zijn vader, veel ervan ongetwijfeld meermaals. Zo wordt een bibliotheek het huis waarin men woont, in plaats van _in het huis te staan dat er het postadres aan levert. Schrijven begint met het noteren van citaten en bijzonder treffende passages. Als een compilatie daarvan kwamen de eerste probeersels van Montaigne tot stand: geheugensteuntjes die op een inventariserende manier aan elkaar werden gepraat.

Echt schrijven is dat nog niet. De eerste serie van zijn Essais stelt nogal teleur, maar leende haar vorm, ruim drie eeuwen later, wel aan Frazers Golden Bough: even klassiek en, als puntje bij paaltje komt, even onbevredigend. Een omgevallen kaartenbak is nog geen boek, zelfs niet wat wij vandaag de dag als een essay beschouwen, hoogstens een poging daartoe.

Pas gaandeweg vindt Montaigne zijn vorm en groeit hij boven de inventarisatie uit. Pas dan schept hij het genre dat met zijn naam verbonden blijft. Er moet een leidende gedachte aan te pas komen die de invallen en toevalstreffers organiseert. Wie alleen maar verzamelt, denkt nog niet. Daarom werd Bacon, zijn tijdgenoot die in zijn Nieuwe methodenleer geleerden aanraadde ordelijke lijstjes aan te leggen van de verschijnselen die zij gezien hadden, wel de vader van het empirisme maar niet die van de moderne wetenschap.

Het denken begint met een idee, net als het schrijven – meestal in een gesloten kamer. ‘Denken en schrijven gaan alleen maar zittende’, schreef Flaubert, misschien wel zelf opgesloten in de vicieuze cirkel die deze formulering suggereert. Nietzsche liet zich er in ieder geval niet door in de luren leggen: ‘Nu heb ik je, nihilist! Het zitvlees is nu juist de zonde tegen de heilige geest. Alleen bewandelde gedachten hebben waarde.’

Dat Nietzsche zijn ideeën op zijn Alpentochten opdeed, laat zich aan de vorm van zijn geschriften aflezen: korte flitsen, heftige uitbarstingen die vlammen en weer uitdoven. De langere adem vroeg ook van hem dat hij zich neerzette. De kamerschrijver voltrekt dat ritueel op zíjn manier. Hij banjert rond en ijsbeert. Hij neemt een boek op, herleest en noteert, ijsbeert opnieuw en gaat met zijn ogen langs de ruggen aan de wand.

Is de schrijver zo de wereldreiziger in zijn eigen bibliotheek, zoals het cliché het wil – en zoals de lezer zich op zijn beurt, steevast in zijn leunstoel, mag voelen? Daarin ontbreekt het nog aan geest: ‘heilige geest’, zoals Nietzsche het noemde, die tussen al die invallen en herinneringen de eigen gedachte baart waarmee een boek méér dan ‘probeersel’ wordt.

Het nieuwe dat het schrijven brengt is tegelijk méér dan de dodenliturgie van Auden. Het gaat de schrijverskamer uit, of breekt daarin van buitenaf binnen. Maar waar het ooit vandaan komt, blijft een raadsel. Het zal aan het gelezene ontsprongen zijn, maar wie weet wat de vuurslag heeft veroorzaakt waarin voor Gerrit Achterberg ook het gedicht pas werkelijk tot leven kwam?

De boekenkamer die de wereld representeert, is die tenslotte niet. De schrijver moet er in en uit, wil hij niet gaandeweg de bibliothecaris worden van zijn eigen woorden. Gemakkelijk wordt literatuur zo het gesloten huis van een eeuwig naar zichzelf verwijzend woordenuniversum. En misschien is dat van menige lezer wel de droom, zoals de wetenschap die zich erover buigt letteren ook liefst beschouwt als een zelfdragend mechaniek.

De charme daarvan valt moeilijk te loochenen. De woorden wijzen naar elkaar, citaten roepen andere citaten op en bijna vanzelf wordt de bibliotheek het heiligdom van de volmaaktheid. Alles verdraagt elkaar, want woorden zijn geduldig. Aldus ontstaat het droombeeld van een blinde die op gehoor feilloos de weg weet in een wereld die hij niet meer ziet en buiten blijft.

Zo wordt het literaire lezen langzaamaan een raadselspel gemaakt van eruditie: voor de feestdagen niet eens zo’n onaantrekkelijk idee. Heel even mag de leescultuur er sprankelen in citaten, parafrases en pedanterie. Onschuldig puzzelwerk: dat heeft de lezer al lang in de gaten. Ook voor dit stukje is veel tussen boekenkasten door gebanjerd.