Bo Burnhams Netflix-special Inside is een comedy-show zonder publiek die volledig opgenomen werd in één kamer, in het huis van de maker in Los Angeles. Burnham deed (bijna) alles zelf: schrijven, spelen, filmen en monteren. Montage en cinematografie verraden Burnhams ervaring als filmmaker – hij debuteerde in 2018 met het bitterzoete Eighth Grade – en maken Inside eerder tot theatrale film dan gefilmde theatervoorstelling. Het is eigenlijk één grote videoclip, een snelle montage van gelikte muzikale parodieën, van elektro-pop (eigenlijk vooral elektro-pop) tot country, die kritiek levert op de oppervlakkige beeldcultuur van het laatkapitalisme.

Burnhams special past binnen het genre van de lockdowncomedy, waarvan we in Nederland al boeiende voorbeelden zagen. Hans Teeuwen was er vorige lente snel bij met Smerige spelletjes, ook gefilmd vanuit zijn huis, en dit voorjaar was er de semi-live performance Niemand anders van Micha Wertheim. De claustrofobische ervaring van het opgesloten zitten in eigen huis bleek zich perfect te lenen voor een verbeelding van de depressie, eenzaamheid en waanzin die in hun werk zo’n belangrijke rol speelt.

Zo ook bij Burnham. Inside is beklemmend: alles speelt zich af in diezelfde kleine ruimte, en daarmee vervaagt ook de grens tussen binnen en buiten. De film is comedyshow en behind-the-scenes ineen. Burnham lijkt niet alleen gevangen te zitten in eigen huis, maar ook in eigen hoofd. In korte comedysets praat hij tegen denkbeeldig publiek, dan weer bekritiseert hij zijn eigen maakproces. Erg grappig is de reaction video die hij opneemt bij een liedje dat nog niet af is, waarin hij een slim droste-effect gebruikt om ons deelgenoot te maken van de kritische stemmen in zijn hoofd.

Tegelijkertijd gaat de film over onze gijzeling door een virtuele wereld en de bedrijven die haar kapitaliseren. Dit komt naar voren in het geweldige nummer Welcome to the Internet, _waarin Burnham een sardonische spreekstalmeester opvoert die het internet aanprijst als _‘anything and everything all of the time’. Eerder merkt Burnham ironisch op dat we de analoge wereld als een mijn moeten beschouwen: we kunnen er graven naar content, maar we moeten zo snel mogelijk terug naar de oppervlakte.

Burnhams ironie werkt op den duur vervlakkend, alsof hij steeds in dezelfde toonsoort speelt, en soms neigt hij naar cynisme. De spectaculaire videoclip-esthetiek lijkt te suggereren dat er geen ontsnapping mogelijk is uit de greep van de grote mediabedrijven die ons exploiteren, en dat kunst machteloos staat. Burnham (halflang haar en Jezus-baardje) portretteert de comedian als white saviour die ook niet in staat is buiten het systeem te treden. Is hij niet, zelfs binnenshuis, vooral bezig met het produceren van content voor commerciële mediakanalen? Is er eigenlijk nog wel een buiten?

Je kunt de vraag ook omdraaien: is er nog wel een binnen? Inside biedt ook een kijkje in het hoofd van een comedian die niet goed meer naar buiten durft en de lockdown graag als excuus aangrijpt. Dit gegeven komt prachtig tot uitdrukking in een van de laatste scènes, waarin Burnham, eindelijk buiten, overvallen wordt door plankenkoorts en zich probeert te verstoppen, tevergeefs.

Nu te zien op Netflix