Parijs, circa 1928. Deze teruggetrokken schrijver openbaarde vrijwel niets over zichzelf © Keystone-France / Gamma Rapho / Getty Images

In 2021 raakte ik compleet verslingerd aan de boeken van Roger Martin du Gard. Ze behoren, voor mij althans, tot het allermooiste en allerbeste uit de wereldliteratuur.

Iedereen kent Tolstoj maar bijna niemand kent Martin du Gard (1881-1958). Terwijl deel 1 van De Thibaults niet (veel) onderdoet voor Anna Karenina en deel 2 doet denken aan Oorlog en vrede. Tolstoj was dan ook Martin du Gards grote voorbeeld. Hun stijl is vergelijkbaar glashelder en eenvoudig. Anders dan bij Proust kan iedereen moeiteloos hun oeuvre lezen. Bovendien schreven ze allebei, in tegenstelling tot Dostojevski en Gide, altijd over fatsoenlijke mensen.

Over het leven van Martin du Gard valt niet zo gek veel te vertellen. Hij leidde een kalm, ogenschijnlijk saai bestaan en verstopte zijn eigen karakter achter dat van het rijk beschreven, gevoelvolle leven van zijn personages. Toen hij hoorde dat de Nobelprijs aan hem was toegekend, pakte hij snel zijn koffer en hield zich schuil in Cannes. Foto’s van hem waren er niet. De Paris-Soir publiceerde een foto van Martin du Gards neef, ook een schrijver.

Wat me onder meer zo fascineert aan Martin du Gard, naast de bewondering voor zijn vakmanschap, is dat hij als gezegd zo’n buitengewoon beschaafd en bescheiden man was, wiens werk ook nog eens een en al fatsoen uitademt, maar dat er af en toe een luikje opengaat naar nogal duistere gevoelens. Dat zit ’m bijvoorbeeld in de ongelooflijke wreedheid van een bijfiguur in De Thibaults, die – te midden van alle beschaving – bijna shockeert. Ook frappant is dat hij twee keer in zijn oeuvre, en via allerlei omwegen en literaire maskerades, het onderwerp van de liefde tussen broer en zus aansnijdt.

Niet shockerend maar wel fascinerend is bovendien dat Martin du Gard, getrouwd met een vrouw, zeer geloofwaardig en schitterend kon schrijven over homoseksuele liefde. Martin du Gard is sowieso, of het nou over homoseksuele of heteroseksuele gevoelens gaat, op zijn best als hij schrijft over liefde en seks.

In Luitenant-kolonel de Maumort, zijn mislukte en tegelijk grandioze laatste boek, staat: ‘Ieder mens heeft twee heel verschillende en vaak tegenstrijdige levens: zijn sociale leven (…) en daarnaast zijn (…) seksuele leven, waar in de regel praktisch niemand om hem heen een flauw idee van heeft; een volkomen verborgen en gemaskeerd leven, waarin ieder van ons zijn ware zelf is.’

Iets verderop zegt hetzelfde personage: ‘Ik begreep dat (…) alle mensen duistere diepten hebben die ze zorgvuldig voor iedereen verhullen, en dat ze achter hun bekende façade angstvallig bewaakte kerkers verborgen houden, waar stiekeme, verboden dingen plaatsvinden, kamers van Blauwbaard, waar maar een enkele handlanger binnendringt.’

Deze gedachte, misschien wel de kern van het schrijverschap van Martin du Gard, wordt twee keer in zijn oeuvre uitgewerkt. Twee keer schrijft een personage een literaire tekst, waarachter geheimen uit diens privé-leven schuilgaan. In beide gevallen is slechts één ingewijde in staat om de fictie te herleiden tot het echte leven.

Ik heb sterk het idee dat dit ook voor Martin du Gard zelf opging. Deze gesloten, teruggetrokken schrijver openbaarde vrijwel niets over zichzelf. Voor ons lezers is het dan ook onmogelijk om zijn romans te herleiden tot geheimen uit zijn biografie. Ik zou soms willen dat er een geschrift opduikt van zo’n handlanger uit Martin du Gards privé-leven, die nou eens precies uitlegt wat voor iemand hij was. Het is de vraag hoeveel meer we te weten zullen komen door het Privé-domein-deel Kijken door een sleutelgat, bestaande uit dagboeken en herinneringen. Van tevoren maakte ik mij niet te veel illusies in dat opzicht, hoewel ik reikhalzend naar dit deel heb uitgekeken.

Twee jaar terug verscheen namelijk al een ander egodocument van Martin du Gard: Aantekeningen over André Gide. De schrijver houdt zichzelf in dat boek grotendeels op de achtergrond, maar zijn scherpe en af en toe ontroerende portret van Gide is schitterend (en doet denken aan Het tuurtouw, Jeroen Brouwers’ herinneringen aan Geert van Oorschot). Daarnaast staat het boek vol met interessante gedachten over literatuur.

Dus nee, toen ik begon aan Kijken door een sleutelgat, verwachtte ik niet de mens Martin du Gard veel dichter te zullen naderen, maar ik keek uit naar meer mooie portretten van schrijversvrienden (voor Martin du Gard was vriendschap belangrijker dan liefde) en meer inspirerende stukken over literatuur en schrijven.

Kerngedachte van Martin du Gard: ‘Ik begreep dat alle mensen duistere diepten hebben die ze zorgvuldig voor iedereen verhullen’

Ook was ik benieuwd of er in het boek een verklaring te vinden is voor het kwaliteitsverschil tussen De Thibaults deel 1 en 2. Deel 2 is weliswaar ook schitterend, maar toch niet zó schitterend als deel 1.

En nog een laatste gedachte die ik had voordat ik het Privé-domein-deel opensloeg: ik denk dat Martin du Gard helemaal niet zo goed over zichzelf kón schrijven. Hij moest een ánder beschrijven, of dat nou een vriend of een personage was. En zijn grote kracht lag in de dialoog. Schrijven in de ik-vorm, ook al was het fictie, zoals Luitenant-kolonel de Maumort, ging hem veel minder goed af. Dat wist hij zelf, want hij noteerde ergens: ‘Ik behoor tot de school van Tolstoj, en niet tot de familie van Proust.’

Kijken door een sleutelgat is, net als alle andere boeken van Martin du Gard, vertaald door Anneke Alderlieste. Het boek bestaat uit twee delen: een door Alderlieste gemaakte selectie uit zijn omvangrijke dagboek, gevolgd door de door hemzelf voor publicatie gereedmaakte Autobiografische en literaire herinneringen. Dat tweede deel, dat honderd pagina’s beslaat, bevat precies waar ik van tevoren op hoopte: mooie portretten van vrienden, fijne literaire anekdotes en interessante, inspirerende stukken over Martin du Gards manier van werken. Nergens wekt hij de verwachting dat hij ook iets echt persoonlijks zal prijsgeven, en dat geeft ook niet.

Anders is dat in zijn dagboek. Wat hij daarin schreef is weliswaar persoonlijker dan ik had verwacht, maar mijn nieuwsgierigheid naar het karakter, het wezen van deze grote schrijver is eigenlijk alleen maar vergroot. Want hoewel ik nu veel meer over hem weet, was me ook voortdurend duidelijk dat hij van alles níet opschreef. Aan een vriend vertelt hij ‘alles wat er aan verborgens en intiems in mij is’, maar in zijn dagboek noteert hij dat niet. Hij praat er ook niet over met zijn vrouw, want wat hij met haar zou bespreken als hij openhartig was, zou haar hebben gekwetst.

Überhaupt lees je in het dagboek nauwelijks iets over zijn huwelijk en gezinsleven. Dat verandert als zijn allerbeste vriend (even oud als hijzelf) trouwt met zijn dochter. Voor iemand die voortdurend bezig was met geheime verlangens enerzijds en een fatsoenlijk bestaan anderzijds, moet dit extra pijnlijk zijn geweest. Of anders gezegd: ik vermoed dat hij een dergelijke, moreel gezien twijfelachtige verhouding in theorie interessant had gevonden. Hij praatte graag over dit soort dingen met de vriend die er nu met zijn dochter vandoor ging.

De aantekening die hij maakte na het aangekondigde huwelijk, vond ik het hoogtepunt van het boek, en tegelijk liet deze passage me met raadsels achter. Martin du Gard beschrijft hoe hij ruziemaakt met zijn dochter en vervolgens samen met die vriend een paar dagen naar Tunesië gaat. Het ene moment haat hij hem, ‘maar meestal houd ik van hem’.

Na dit reisverslag houdt de informatie over deze kwestie op. Terwijl het me dé tragedie in het leven van Martin du Gard lijkt. Hoe voelde hij zich hierover? Hoe was de relatie met zijn dochter hierna? Wat deed het met de band met zijn beste vriend? Je leest er niks over.

Onduidelijk is of Martin du Gard er verder niets over heeft geschreven of dat deze stukken niet zijn opgenomen. Alderlieste bracht 3500 pagina’s dagboek terug tot 350. Ze richtte zich in haar keuze met name op de stukken over vriendschap, schrijven en het wereldgebeuren. Terwijl ze in haar inleiding nieuwsgierig makend schrijft over de aantekeningen en brieven over Martin du Gards huwelijk: ‘De spanningen nemen hand over hand toe, het dagboek wordt een soort familiekroniek.’ Precies die stukken had ik nou juist graag willen lezen.

Niet lang na het huwelijk krijgt hij samen met zijn vrouw een auto-ongeluk. Martin du Gard raakt mensenschuw en fantaseert veel over zelfmoord. Hij is lang in zijn eentje in Parijs, Berlijn en Rome, zonder dat duidelijk wordt wat hij daar precies uitspookt. Hij mist zowel levens- als scheppingsdrift. Op de automatische piloot schrijft hij deel 2 van De Thibaults: ‘Werk sinds drie jaar elke dag, zonder afleiding. Maar het is een dwang. Mijn echte aandacht wordt volledig opgeëist door seksuele “vraagstukken”.’ Einde aantekening. Precies het soort aantekening dat nieuwsgierigheid eerder vergroot dan bevredigt.

Deze tobberige of misschien zelfs wel gewoon depressieve fase komt ten einde door drie grote gebeurtenissen: de Nobelprijs, de Tweede Wereldoorlog en een nieuw monsterproject: Luitenant-kolonel de Maumort, dat hem weliswaar voortdurend twijfels bezorgt maar hem ook op de been houdt. Bij leven wist hij al dat hij het nooit zou kunnen afmaken. Het beviel hem om bezig te zijn met een postuum werk. En hij begreep de ijdelheid van andere schrijvers niet, die hun boeken zo graag meteen gedrukt wilde hebben. Maar goed. Hij had de Nobelprijs ook al binnen.

Hoewel het lezen van dit dagboek me gemengde gevoelens gaf, staan er schitterende stukken in, die ik niet graag had gemist. Zoals zijn aantekening over het temperament van Gide, die blijkbaar zes keer achter elkaar moest klaarkomen om een beetje rustig te worden. De beschrijvingen van zijn ontmoetingen met Zweig, Malraux en Simenon. En ook de passage over de dag waarop hij het nieuws over de Nobelprijs vernam. Hij zag zo bleek dat de conciërge dacht dat hij een overlijdensbericht had gekregen.

Het is bovendien fascinerend (of eigenlijk betreurenswaardig) om te weten dat hij van plan is geweest om nog veel méér delen van De Thibaults te schrijven. Toen hij in het ziekenhuis lag na het auto-ongeluk heeft hij dat idee laten varen. Een groot deel van zijn aantekeningen verbrandde hij in de verwarmingsketel. De stukken die hij heeft bewaard en gebruikt in de nieuwe, veel kortere opzet van deel 2 vormen de sterkste scènes van dat deel. Het zijn de scènes waarin de grootsheid van de schrijver van deel 1 weer even te vinden was. De grootsheid van voor het auto-ongeluk, en van voor het huwelijk tussen zijn dochter en beste vriend.

De deur naar zijn hoogstpersoonlijke ‘kamers van Blauwbaard’ blijft in Kijken door een sleutelgat dicht. Martin du Gard liet slechts zijn vrienden naar binnen en toont de lezer alleen de gang ernaartoe. Het is dan ook niet verwonderlijk dat je hem nog het beste leert kennen door de brieven (ook in dit boek opgenomen) die zijn vrienden aan hem schreven.