Kamperen!

Mijn ouders waren niet arm. Ik heb na de dood van mijn vader in 1987 wel eens salarisstrookjes van hem gezien en hij verdiende behoorlijk – omgerekend verdiende hij toen meer dan ik nu. Ik ben dan ook niets te kort gekomen.

Maar wat was nu het toppunt van luxe voor mijn ouders? Kamperen! In een tent.Het liefst in Frankrijk bij een boer. Maar op een grote camping staan, tentje aan tentje, vonden ze ook niet erg.

Beiden, vader en moeder, gingen ’s ochtends vroeg op zo’n lullige campingstoel zitten met een boek en lazen, en wij kinderen gingen naar het zwembad of de boer helpen of een herbarium aanleggen.

Eén keer ben ik met mijn ouders naar een hotel geweest. Dat was een uitstekend hotel, met een tennisbaan, op elk moment eten en drinken, leuke kinderen – ik was volkomen gelukkig.

Mijn ouders waren dat niet.

‘Ik voel mij beklemd’, zei mijn vader.

‘Beklemd’ gebruikte mijn vader altijd wanneer hij bang was dat er op hem werd neer­gekeken.

Toen ik zestien jaar was, ging ik voor het laatst met mijn ouders kamperen. Een beatle-puber moest met zijn ouders mee naar een boer in de Auvergne. Mijn vader had zich er veel van voorgesteld, want hij zou mij leren wijn drinken.

‘Kijk, je moet in ieder geval een Côte de Nuits kunnen onderscheiden van een Côte de Beaune’, zei mijn vader en hij weidde uit over de smaak.

Elke dag weer verhalen over een Domaine Leroy Musigny Grand Cru of een Henri Jayer Vosne-Romannee of een Louis Latour ­Bourgogne. En ondertussen dronken we de plaat­selijke rode wijn die van karton gestookt leek, maar volgens mijn vader ook heel bijzonder was.

Ik voelde mij beklemd. Ik besloot om, als ik groot was, nimmer te kamperen.

Maar ik heb nu een dochter met een kind. Die moeten op vakantie. Ikzelf ga naar een hotel in Italië (om te werken) en heb ze meegevraagd.

Nee, mijn dochter wil niet mee, zegt ze. Ze weigert in een hotel te zitten. Ze wil kamperen! Dat doen haar vrienden ook. En ik mag best mee. Dochter, vriend en kind gaan eerst naar een of ander alternatief popfestival in Portugal, en daarna willen ze mij op een camping ontmoeten. Misschien, opperde mijn dochter, kon ik dan alvast de tent hebben opgezet!

Ik voel ineens de ontwikkeling van ernstig chagrijn!

Nee! Ik doe dat niet! Hoe vervelend ook. Ik wil het niet! Ik kan het ook niet! Vakantie moet iets ontspannends hebben. Ik hou er al niet van en ga zelden op vakantie, en dan ook nog kamperen! Ik legde haar mijn problemen met kamperen uit en jatte een grap van Toon Hermans: ‘Ik heb niet een heel jaar kromgelegen om veertien dagen krom te liggen.’

Nu is dit dus een familievete geworden. Een principekwestie. Die op het scherp van de snede moet worden uitgevochten.

Een hotel staat namelijk voor mijn dochter voor overbodige luxe, voor het verspillen van geld, voor bekaktheid, voor rechts, voor elitair. Terwijl ik kamperen vind staan voor plat, ordinair, armoedig, acultureel, bekrompen, burgerlijk.

‘Het nieuwe kamperen is dat niet, pap!’ hoor ik.

Ze vertelt over campings met toprestaurants, luxe zwembaden, crèches voor kinderen, winkeltjes. ‘En er is ook constant een dokter aanwezig’, zegt mijn dochter als lokkertje, want ze weet dat ik, als ik ooit veel geld heb, een dokter in dienst neem die mij elke dag moet onderzoeken.

Ik wil het niet!

Ik wil deze tijd niet, denk ik steeds vaker, alsof een onzichtbare hand mij alvast op het spoor van de dood zet.

Maar het zijn mijn ouders die in mijn hoofd op die rottige campingstoeltjes blijven zitten. Mijn vader in shorts, moeder in bikini – ook zo erg.