Kampioenen

Soms kun je je ook ergeren aan zaken die niet ter discussie staan.

Zo vindt niemand het meer vreemd dat uitingen van cultuur steeds vaker in wedstrijdvorm worden aangeboden. In elke artistieke discipline kun je, nee, móet je kampioen worden.

Waarom wilde ik vroeger ‘een’ Bob Dylan worden? Omdat Dylan stond voor een manier van leven. Hij stond voor vrijheid, voor poëzie, voor muziek. Hij wilde niet kampioen folksinger worden, maar hij wilde mooie liedjes zingen, waarin hij zijn poëzie liet horen. Hij schreef tegen de mensen die hem kampioen wilden maken. Dylan leek een figuur uit een roman van Steinbeck. Een jongeman die van de ene naar de andere stad trekt, op zoek naar liefde en geluk. Op het moment dat hij gelukkig dreigt te worden vanwege een liefde kan hij niet tegen de ketenen van het burgerlijk bestaan, en trekt verder. In de schaduw van de Amerikaanse stichtings­mythes: a poor lonesome cowboy, a long way from home, zoals Lucky Luke altijd, en Dylan nooit zong.

Dylan zou de voorrondes van The Voice niet eens hebben gehaald; Gordon had z’n broek uitgetrokken en Bob z’n blote reet laten zien.

Vroeger beijverden wij ons voor de erkenning van lower-class-culture. Ook in de schlagers zat poëzie verborgen. Had Lucebert niet teksten geschreven voor de Zangeres Zonder Naam? Zeker wel. De Soldatenmoeder. En was Gerard Reve ook niet een auteur die bij wijze van camp lage en hoge cultuur verenigde? Stond Gerard ook niet voor een manier van leven? ‘Ik speel de rol die ik ben’, zei hij. Gerard heeft nooit Ako- en Librisprijzen gewonnen; de receptie van zijn latere boeken is eigenlijk nooit echt geweldig geweest. Hij zou nooit kampioen zijn geworden als hij aan een competitie had meegedaan.

Kampioenencultuur geeft kitschcultuur.

Ofschoon ik een echte anarcho-liberaal ben en met Darwin in gedachten voortdurend denk dat ‘the fittest’ zal overleven, heb ik altijd het idee dat ‘de kwaliteit’ van cultuur nooit echt gemeten kan worden, en daarom rare streken kan uithalen, anders gezegd: voor vreemde mutaties kan zorgen die ons weer verder helpen.

Ik herlees op dit moment voor de zesde keer in mijn leven Oblomov van Ivan Gontsjarov. Mij valt nu in dit meesterwerk op dat er vele, vele dialogen in voorkomen, soms wel bladzijden lang achter elkaar. Gesprekken die helemaal verknoopt raken, waarna er opeens zo’n meesterlijke zin staat als: ‘Geen van beiden begreep de ander meer en tenslotte begrepen ze ook zichzelf niet langer.’ Daarna gaan de dialogen gewoon weer door. Ik vertel dit omdat ik onlangs een uitgever hoorde zeggen: ‘Een boek met veel dialogen geef ik niet uit.’

Omdat ik zelf bij radio en tv heb gewerkt, als presentator en redacteur, omdat ik zelf schrijf en in de familie uitgevers en editors heb, weet ik dat wat men ‘goed schrijven’ noemt onder invloed van de mode staat. ‘Goed schrijven’ is niet meer doel, maar eerder een van de vele, onzekere pijlers waarop je kunstenaarsbestaan moet rusten. Je moet een USP hebben, een ­Unique Selling Point, je moet goed kunnen praten, je moet ‘iets hebben’ en ze noemen dat, om er een intellectueel tintje aan te geven, een ‘je ne sais quoi’.

Een muzische persoonlijkheid zijn als antwoord op de vraag: hoe leid ik een zinvol leven, is naar de achtergrond gedrongen. Het bewijs van je persoonlijkheid wordt niet meer gerechtvaardigd door het unieke ervan – desnoods gewaardeerd door een kleine groep – maar door de kwalificatie ‘eerste’ of ‘kampioen’.

Laatst hoorde ik een geweldig bluesnummer van de 71-jarige Seasick Steve, die pas een paar jaar geleden bekend werd. Op de radio zei de presentator: ‘Is het op z’n zeventigste toch nog goed met Steve gekomen.’

Ik vond dat een tragische zin.