De gevaarlijke wereldwijde ergernis

«Kan Amerika nu eens leren luisteren?»

De Verenigde Staten hebben op geen enkele manier «verdiend» wat er gebeurde op 11 september 2001. Maar als Amerikanen zulke aanslagen in de toekomst willen vermijden, kunnen ze niet hun ogen sluiten voor de relatie van hun land met de rest van de wereld, en voor de ergernissen die het Amerikaanse Rijk her en der opwekt.

We kunnen het ons inmiddels bijna niet herinneren, maar vóór de gruwelijke gebeurtenissen van 11 september dachten gewone Amerikanen maar zelden aan de rest van de wereld. De meesten van ons wisten nauwelijks dat die bestond. Amerikanen, beroemd om hun onbekendheid met mensen en plekken buiten hun grenzen, waren niet geïnteresseerd in wat er in het buitenland gebeurde, deels omdat we vonden dat we dat niet hoefden te zijn. Als de rijkste en machtigste natie ter wereld kon Amerika doen wat het wilde, wanneer het wilde. Als buitenstaanders dat niet aanstond, pech gehad.

Dat zelfbeeld van onoverwinnelijkheid kwam nooit helemaal overeen met de realiteit — denk aan Vietnam en het OPEC-olie-embargo — maar het werd definitief verwoest op 11 september. Als één les van die tragedie is dat geen enkel volk, hoe machtig ook, onkwetsbaar is in de wereld van vandaag, dan is een andere les absoluut dat de Verenigde Staten niet langer kunnen negeren wat de rest van de wereld denkt. Als wij Amerikanen een gezonde relatie willen creëren met de zes miljard mensen met wie we deze planeet delen, moeten we begrijpen wie die mensen zijn, hoe ze leven en wat ze denken — niet in de laatste plaats over de Verenigde Staten. Als een eerste stap: kunnen Amerikanen hun traditionele egocentrisme overstijgen en met een open geest luisteren naar wat buitenstaanders van hun land vinden?

Als een in Amerika geboren journalist heb ik een groot deel van de afgelopen tien jaar in het buitenland gewerkt. Ik ben recentelijk teruggekomen van een reis van zes maanden door vijftien landen in Europa, Afrika en Azië, waar ik meningen over Amerika verzamelde van allerlei soorten mensen: gedistingeerde zakenmensen, idealistische tieners, veeltalige intellectuelen, moslimfundamentalisten, en meer dan een handvol immigranten in spe. Steeds weer werd ik getroffen door de dialectische aard van de visie van die buitenstaanders. Zowel de elites als de gewone mensen voelen bewondering én afkeer voor de Verenigde Staten, zijn jaloers en ontzet, verrukt maar verbijsterd. En die complexe verzameling indrukken van de VS — goed of slecht, maar nooit onverschillig — moeten Amerikanen onder ogen zien en ter harte nemen als ze de tragedie van 11 september achter zich willen laten.

Dat is niet een kwestie van «de schuld geven aan het slachtoffer», het is eigenbelang. De Verenigde Staten staan aan de top van een zeer ongelijkwaardige wereld, waarin 45 procent van de mensheid leeft van minder dan twee dollar per dag, volgens cijfers van de Verenigde Naties. Onder zulke omstandigheden liggen vrede en voorspoed niet voor de hand, zoals de CIA zelf heeft gewaarschuwd. «Groepen die zich achtergesteld voelen [door een toenemende economische ongelijkheid] (…) zullen hun toevlucht nemen tot politiek, etnisch, ideologisch en religieus extremisme, en tot het geweld dat daar vaak mee verbonden is», voorspelde het bureau vorig jaar in het rapport Global Trends 2015 — en een betere voorspelling van 11 september kon je je nauwelijks voorstellen.

De Verenigde Staten hebben op geen enkele manier «verdiend» wat er die dag gebeurde. Er bestaat geen excuus voor terrorisme tegen onschuldige burgers, punt uit, en de misdadigers die de aanslagen van 11 september pleegden, moeten worden berecht. Maar als Amerikanen zulke aanslagen in de toekomst willen vermijden, kunnen we ons niet veroorloven onze ogen te sluiten voor de relatie van ons land met de rest van de wereld.

Jammer genoeg heeft de overgrote meerderheid van overheidsvertegenwoordigers, politieke experts en journalisten die sinds 11 september het debat in het «land of the free» hebben gedomineerd slechts minachting getoond voor het idee dat Amerikanen zichzelf proberen te zien zoals buitenstaanders ze zien. De Verenigde Staten werden aangevallen door het kwaad, is hun visie, en dat is alles waar het om gaat. Elke poging om vragen te stellen over de achterliggende oorzaken van terrorisme wordt afgedaan als verraderlijke onzin. De mainstream-media zijn niet dichter in de buurt van dit rijke en complexe onderwerp gekomen dan het stellen van de vraag: waarom hebben ze zo’n hekel aan ons? Maar die verhalen raken vaak niet de kern. Het is veel te gemakkelijk om de Osama bin Ladens en Saddam Hoesseins van deze wereld af te doen als wat ze inderdaad zijn: fanatici wier verknipte soort van woede kan worden begrepen noch gesust. Amerikanen moeten beseffen dat zelfs individuen en overheden die Bin Laden hartgrondig veroordelen vaak serieuze kritiek op de Verenigde Staten hebben. Per slot van rekening zat het anti-Amerikanisme vorig voorjaar al in de lift, en werden enkele van de bitterste opmerkingen gemaakt door juist die bondgenoten die nu schouder aan schouder staan met de regering-Bush, om precies te zijn de Britse premier Tony Blair en de Franse president Jacques Chirac. Jaloezie op Amerika’s rijkdom en macht is ongetwijfeld voor een deel verantwoordelijk voor de gemengde reputatie van Amerika in het buitenland, maar de wortels van het probleem zitten veel dieper.

Misschien is voor buitenlanders niets zo irritant als Amerika’s gewoonte te denken dat het alle antwoorden heeft, en het recht bezit die aan anderen op te leggen. Een perfect voorbeeld was de speech die president Bush hield op 20 september waarin hij buitenlandse naties voorhield met betrekking tot de ophanden zijnde, door Amerika geleide war on terrorism: «Ofwel je staat aan onze kant, of je staat aan de kant van de terroristen» — precies het soort «macht gaat boven recht»-arrogantie die al tientallen jaren lang de vrienden en vijanden van Amerika tot woede heeft gedreven. Op vergelijkbare wijze vertelde Bush in zijn speech van 10 november voor de Algemene Vergadering van de VN aan de rest van de wereld dat die niet genoeg deed om de VS te helpen het terrorisme te bestrijden, waarbij hij zijn toehoorders waarschuwde dat «elke natie die een plaats heeft in deze vergadering absoluut verantwoordelijk is» voor het bestrijden van terrorisme. Maar Bush voelde niet de behoefte om ook te doen wat hij predikte. Op exact hetzelfde moment waarop hij leden van de VN op hun internationale verantwoordelijkheden wees, bleef zijn eigen regering weg van de besprekingen in Marrakesh in Marokko om het Kioto-akkoord over het broeikaseffect af te ronden. En Bush’ State of the Union-speech in januari was voor buitenlandse vrienden zowel als vijanden natuurlijk nog meer verontrustend door zijn lichtzinnige retoriek over een «as van het kwaad».

Een andere ergernis is dat Amerika zich vaak niet bewust lijkt van zijn privileges. Waar vorige «empires» prat gingen op hun verheven status (Rome), of worstelden met hun morele implicaties (Groot-Brittannië), zegt het Amerikaanse Rijk eenvoudig tegen zichzelf dat het niet bestaat. Hoewel Amerika volgens alle historische definities een rijk van buitengewone reikwijdte en macht is, herkennen zowel de leiders als de bevolking dat feit niet, noch de vele consequenties die eruit voortvloeien. Amerikanen denken dat ze rijk zijn omdat ze goede, hard werkende mensen zijn (wat over het algemeen ook zo is), zonder zich te realiseren welke enorme voordelen de Amerikaanse economische, militaire en politieke macht hun oplevert in het buitenland, waaronder goedkope, overvloedige olie en wijdopen markten voor Amerikaanse export, zelfs al beperkt Amerika tegelijkertijd de toegang tot zijn eigen markten.

Die handelswijze roept dan weer beschuldigingen op dat Amerika hypocriet is. Toen de regering-Bush zich terugtrok uit het Kioto-protocol over het broeikaseffect om de (misleidende) reden dat het de Amerikaanse economie zou schaden, kondigden de VS ijskoud aan dat ze hun eigen beleid zouden blijven volgen, ondanks de bereidheid van andere landen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Idem dito met de mensenrechten: Amerika zegt dat het staat voor vrijheid, en vaak doet het dat ook, maar even vaak heeft het dictaturen gesteund die waardevol waren in commercieel (Saoedi-Arabië en China) of geopolitiek (de Nicaraguaanse contra’s) opzicht.

Of ze nu terecht zijn of niet, zulke interpretaties van het internationale gedrag van Amerika zijn in het buitenland gemeengoed, maar toch is de overgrote meerderheid van gewone Amerikanen er blind voor. «We hebben het hier over mensen die een bijna kinderlijk begrip hebben van wat er in de wereld gebeurt», zei Gerald Celente, directeur van het Trends Research Institute in Rhinebeck, New York tegen de Financial Times. «Men zegt voortdurend: ‹Wij hebben niemand iets aangedaan, dus waarom doen ze ons dan dit aan?›»

Er is een eenvoudige reden waarom Amerikanen niet begrijpen hoe er in het buitenland tegen hun land wordt aangekeken: vaak kennen we ons eigen buitenlands beleid niet. Weinig Amerikanen weten bijvoorbeeld waarom de datum 11 september in Chili zo’n andere betekenis heeft dan in de Verenigde Staten. Antwoord: het was op 11 september 1973 dat een door Amerika gesteunde coup de gekozen regering van de socialist Salvador Allende omverwierp, wat binnen enkele dagen leidde tot de dood van naar schatting vijfduizend Chilenen in de handen van het Chileense leger. Op dezelfde manier was het voor iedereen die zich herinnerde hoe in 1983 het Amerikaanse leger bommen ter grootte van een Volkswagen op Libanese dorpen dropte en in 1999 kruisraketten afvuurde op een Soedanese farmaceutische fabriek, geen verrassing dat het Pentagon onder vuur kon komen te liggen als een gehaat symbool van Amerikaanse macht. Op geen enkele manier rechtvaardigt dat feit de aanslagen van 11 september, maar het helpt wel verklaren waar de moordzuchtige razernij vandaan kwam die tot die aanslagen leidde.

De meeste buitenstaanders zijn weldenkend genoeg om in te zien dat Amerika niet enkel en alleen wordt gedefinieerd door zijn tegenslagen. Tweehonderd jaar geleden verrichtten de Verenigde Staten pionierswerk met idealen van persoonlijke vrijheid en persvrijheid die nog steeds overal ter wereld de inspiratie vormen voor de strijd voor een betere toekomst. Amerika’s mensen zijn zo open, vriendelijk en ruimhartig als zijn buitenlandpolitiek tiranniek en zelfgenoegzaam kan zijn. Veel buitenstaanders zouden vrijwel alles doen om een green card te bemachtigen omdat ze weten dat, ondanks aanhoudende discriminatie, Amerika nog steeds wordt beschouwd als het Land van de Onbegrensde Mogelijkheden, waar een hard werkend mens meer kansen heeft om vooruit te komen, en waar vrouwen meer vrijheid hebben, dan in enig ander land. Ook is Amerika in het trotse bezit van adembenemende natuurlijke schoonheid en inspirerende etnische verscheidenheid; het is de geboortegrond van stimulerende sociaal-ethische zaken als milieubescherming en meesterlijke artistieke ontwikkelingen als de jazz.

Sommige opvattingen van buitenstaanders mogen voor Amerikanen moeilijk zijn om te horen, maar we moeten er niet voor terugdeinzen. Zoals de wereldwijde uitbarsting van medeleven na 11 september liet zien, voelt de rest van de wereld grote sympathie voor Amerikanen (ook al bestaan er tegelijkertijd andere, minder liefdadige sentimenten). En de grote meerderheid van buitenstaanders maakt onderscheid tussen Amerikanen als mensen — die ze over het algemeen graag mogen — en de Amerikaanse regering en haar buitenlandpolitiek, die veel minder bewondering ontvangen. «Velen van ons hebben Amerikaanse vrienden, en na zoveel jaren te hebben gekeken naar Amerikaanse films en geluisterd naar Amerikaanse muziek, hebben wij het gevoel dat de Amerikaanse cultuur ook onze cultuur is», zegt een intellectueel uit Barcelona. «Maar we zouden heel graag willen dat onze Amerikaanse vrienden iets meer zouden nadenken over hun regering, want wij moeten leven met de politiek van Amerika, en dat is vaak moeilijk, vooral nu in deze tijden van oorlog.»

Hoe dan ook, Amerika blijft de meest dominante natie van de wereld, en zijn daden zullen vorm geven aan de wereld van de 21ste eeuw. Beldrich Moldan, een voormalige milieu minister van de Tsjechische Republiek, vertelde me: «Als Europeaan kun je Amerika sympathiek vinden of Amerika onsympathiek vinden, maar je weet dat het hoe dan ook de toekomst is.» Nu de mensheid die toekomst binnengaat, is het belangrijk om te beseffen dat Amerika veel heeft om trots op te zijn in zijn relaties met de rest van de wereld. Maar het heeft ook dingen om te betreuren. Amerika zal beter met de rest van de wereld kunnen opschieten, en vice versa, als het uiteindelijk dat simpele, krachtige feit onder ogen ziet.

Vertaling: Rob van Erkelens