Kan dat wat zachter!/hoerenjong

Marcel Möring heeft zijn nieuwe boek af, en donders, dat is reden tot grote vreugde, niet in het minst voor zijn vriendin en zijn lieve kinderen. Die mogen weer even ademhalen.

Die hoeven een paar weken lang niet op kousevoeten door het huis te sluipen omdat papa boven zit te schrijven. Een paar weken lang mag de radio ’s ochtends gewoon aan, hoeft het sinaasappelsap niet met de hand geperst maar mag het met de - nog van de Ako-prijs aangeschafte - sapcentrifuge, en mogen de kinderen zo veel vriendjes mee naar huis nemen als ze willen, ter compensatie van alle verjaardagen die niet gevierd konden worden omdat papa een verdieping hoger zat te zwoegen op In Babylon.
‘Het gezinsleven is hier zo georganiseerd dat ik op vaste uren werk’, legt Möring uit in de Volkskrant. Hij zit 'achter zijn werktafel geplakt’, omdat dat de enige manier is waarop hij kan werken, zich aan niets en niemand storend.
Hij wordt niet moe te verklaren hoezeer hij verschilt van zijn schrijvende collega’s, die, als ze zich al niet bezighouden met 'snoepreisjes en schrijverscongressen’, voornamelijk werkeloos achter hun bureau hangen, duimendraaiend tot die slet van een muze zich eindelijk weer eens laat zien. 'Ik zie bij veel collega’s dat ze alleen kunnen werken als de omstandigheden perfect zijn’, aldus de schrijver. 'Als er buiten iemand met een drilboor aan de gang is, komt er niets uit hun handen. Als je gaat wachten tot het echt lekker voelt, kom je nooit aan het werk.’ Er spreekt een buitengewone, ik zou bijna zeggen on-Hollandse onverzettelijkheid uit die woorden. Je hoort het hem denken: 'Al komen ze met die drilboor op schoot zitten, mij krijgen ze niet weg achter dit bureau.’
Het regime is dan ook al jaren hetzelfde in huize Möring: alles ondergeschikt aan het schrijven. In 1993, bij het verschijnen van Het grote verlangen vertelde Möring aan NRC Handelsblad dat hij zich ook bij het maken van dat boek door niets of niemand van het scheppen had laten afhouden. 'Anderhalf jaar geleden werd mijn zoontje geboren, op een zaterdag, om 2 uur ’s nachts. Maandagochtend om 9 uur zat ik weer achter mijn bureau. Dat heeft me bij wijze van spreken geen dag gekost.’
Je zou wensen dat meer van onze auteurs gezegend waren met het plichtsbesef van zo'n Möring: die pas als het gekrijs uit de slaapkamer niet meer te harden is, even de pen neerlegt, naar het kraambed beent, met een achteloos gebaar de navelstreng doorknipt, de uitgeputte moeder een bemoedigend klopje op het bezwete, bietrode hoofd geeft, en dan op een holletje weer terugkeert naar zijn werkkamer.
Bij zo'n houding past bewondering, en misschien een beetje medelijden, want het is duidelijk waar Möring op afstuurt, als hij zo doorgaat.
Zie hem over tien jaar de huiskamer betreden, blozend van opwinding, onder zijn arm het 1000 pagina’s dikke manuscript van zijn nieuwe roman. Op de bank in de huiskamer zit een vreemde man, met zijn sokkevoeten op tafel. Voor de televisie hangen twee pubers. Een ervan kijkt verveeld op als Möring binnenkomt en roept: 'Mam, wie is die vent?’ Hun moeder haalt de schouders op.