Noami Klein

Kan de democratie Bush’ omhelzing overleven?

Het begon als een grap en is inmiddels vaaglijk serieus geworden: het idee dat Bono tot president van de Wereldbank kan worden benoemd. De Amerikaanse minister van Financiën John Snow beschreef Bono onlangs als «a rock star of the development world», om daaraan toe te voegen: «Hij is iemand die ik bewonder.»

De baan gaat vrijwel zeker naar een Amerikaans staatsburger, iemand met nog slechtere referenties, zoals Paul Wolfowitz. Maar er is een reden waarom Bono zozeer wordt bewonderd binnen de regering dat het Witte Huis een Ier zou kunnen kiezen. Als frontman van een van de meest duurzame rockbands ter wereld spreekt Bono Republikeinen aan zoals ze zichzelf graag zien: niet als beheerders van een slinkende publieke sfeer die ze verafschuwen maar als CEO’s van een machtige private onderneming die Amerika heet. «Brand USA is in de problemen… it’s a problem for business», waarschuwde Bono op het World Economic Forum in Davos. De oplossing is «onszelf opnieuw te beschrijven tegenover een wereld die onzeker is over onze waarden».

De regering-Bush is het daar hartgrondig mee eens, zoals wordt bewezen door de orgie van her-beschrijvingen die nu doorgaat voor Amerikaanse buitenlandpolitiek. Gesteld tegenover een Arabische wereld die woedend is over de Amerikaanse bezetting van Irak en zijn blinde steun aan Israël is de oplossing niet dat brute beleid te veranderen; het is, in de pseudo-academische taal van corporate branding, «het verhaal te veranderen».

Het nieuwste verhaal van Brand USA werd gelanceerd op 30 januari, de dag van de Iraakse verkiezingen, compleet met een catchy slogan («purple power»), instant iconische beelden (paarse vingers) en, natuurlijk, een nieuw narratief over de rol van Amerika in de wereld, heel behulpzaam verteld en herverteld door de officieuze brand manager van het Witte Huis, New York Times-columnist Thomas Friedman. «Irak is geherdefinieerd van een verhaal over Iraakse ‹rebellen› die proberen hun land te bevrijden van Amerikaanse bezetters en hun Iraakse ‹knechtjes› in een verhaal van de overweldigende Iraakse meerderheid die een democratie probeert te bouwen, met Amerikaanse hulp, tegen de wensen van Iraakse Baathist-fascisten en jihadisten.» Dit nieuwe verhaal is zo besmettelijk, wordt ons verteld, dat het een domino-effect in gang heeft gezet vergelijkbaar met de val van de Berlijnse Muur en de ineenstorting van het communisme. (Hoewel in de «Arabische Lente» de enige zichtbare muur – Israëls apartheid-muur – nadrukkelijk overeind blijft.)

Zoals bij alle branding-campagnes schuilt de kracht in de herhaling, niet in de details. Overduidelijke non sequiturs (eist Bush het krediet op voor Arafats dood?) en gierende hypocrisie (bezetters tegen de bezetting!) betekenen slechts dat het tijd is om het verhaal opnieuw te vertellen, maar dan luider en langzamer, in onaangename-toeristen-stijl. Desondanks, nu Bush claimt dat «Iran en andere naties een voorbeeld hebben aan Irak», lijkt het de moeite waard ten minste even te focussen op de realiteit van het Iraakse voorbeeld. De noodtoestand werd net hernieuwd voor de vijfde maand, en de Verenigde Iraakse Alliantie kan, hoewel ze een duidelijke meerderheid behaalde, nog steeds geen regering vormen. Het probleem is niet dat de Irakezen het vertrouwen zijn verloren in de democratie waarvoor ze op 30 januari hun leven riskeerden, maar dat het electorale systeem dat Washington ze heeft opgelegd ten diepste ondemocratisch is.

De voormalige Amerikaanse afgezant Paul Bremer, doodsbang bij het vooruitzicht van een Irak geregeerd door Irakezen, bedacht verkiezingen die de Amerika-vriendelijke Koerden 27 procent van de zetels in de Nationale Assemblee opleverde, ook al vormen ze slechts vijftien procent van de bevolking. En aangezien de door de VS geautoriseerde interim-grondwet een absurd grote meerderheid vereist voor alle beslissingen houden de Koerden het land nu in gijzeling. Hun centrale eis is controle over Kirkuk; als ze die krijgen, en dan besluiten zich af te scheiden, zal Iraaks Koerdistan de reusachtige olievelden in het noorden omvatten. Koerdische Irakezen hebben een rechtmatige claim op onafhankelijkheid, alsmede een begrijpelijke angst dat ze etnisch een doelwit worden. Maar de Amerikaans-Koerdische alliantie heeft Washington een achterdeur-veto gegeven over de democratie van Irak. En met Kirkuk als deel van Iraaks Koerdistan, als Irak uiteenvalt, zal Washington nog steeds blijven zitten met een afhankelijk, olierijk regime – ook al is het iets kleiner dan het regime dat oorspronkelijk was bedacht.

Dit soort brutale koloniale inmenging dreigt al het sprookje van de «Ceder Revolutie» van Libanon te veranderen in een nachtmerrie. De meeste Libanezen zouden graag zien dat Syrië zich terugtrekt uit hun land. maar zoals de honderdduizenden mensen die meededen aan de pro-Hezbollah-demonstratie van 8 maart duidelijk maakten, zijn ze niet bereid hun verlangen naar onafhankelijkheid te laten kapen door de belangen van Washington en Tel Aviv. Door de onafhankelijkheidsbewegingen van Libanon te koppelen aan Amerikaanse plannen voor de regio verzwakt de regering-Bush de secularistisch en religieus gematigden in Libanon en vergroot de macht van Hezbollah. Dat is precies wat Bremer deed in Irak: als hij een goed-nieuws-duwtje nodig had, liet hij zich fotograferen bij een net geopend vrouwencentrum. (De centra zijn nu grotendeels gesloten en honderden seculiere Irakezen die in gemeenteraden samenwerkten met de coalitie zijn vermoord.)

Het probleem is niet alleen schuld door betrokkenheid. Het is ook dat Bush’ definitie van bevrijding democratische krachten berooft van hun sterkste wapens. Het enige idee dat het ooit kon opnemen tegen koningen, tirannen en moellahs in het Midden-Oosten is de belofte van economische rechtvaardigheid, gebracht door nationalistische en socialistische programma’s van landbouwhervormingen en staatscontrole over olie. Maar er is geen ruimte voor zulke ideeën in het Bush-narratief, waarin vrije mensen alleen maar vrij zijn om te kiezen voor zogenaamde vrije handel. Daardoor hebben secularisten weinig méér te bieden dan hol gepraat over «mensenrechten» – een zwak wapen tegen de machtige zwaarden van etnische glorie en eeuwige verlossing.

George W. Bush zegt graag dat democratie de macht heeft om tirannie te verslaan. Hij heeft gelijk, en dat is precies waarom het zo gevaarlijk is als het machtigste emancipatoire idee uit de geschiedenis wordt gebundeld in een holle marketing-exercitie. De regering-Bush toestaan de bevrijdingsstrijd van Libanon, Egypte en Palestina in te vouwen in haar eigen «verhaal» is een geschenk aan autoritaristen en fundamentalisten over de hele wereld.

Vrijheid en democratie moeten worden be vrijd uit Bush’ dodelijke omhelzing en teruggegeven aan de bewegingen van het Midden-Oosten die al decennia vechten voor deze doelen. Zij hebben een eigen verhaal af te maken.

© The Nation (www.thenation.com))