Michelle Orange. This is Running for your life: Essays

Kan door huid heen

Een goed gesprek vereist van de gesprekspartners twee dingen: oprechte interesse in het besprokene en eerlijkheid. En eigenlijk nog iets extra’s, want zoals Renate Rubinstein al eens zei over de kunst van het schrijven: hoe intelligenter de schrijver, des te interessanter zijn eerlijkheid. Het is dan ook niet verrassend dat het juist die twee kenmerken zijn – intelligente eerlijkheid en oprechte interesse – die Michelle Orange’s onlangs verschenen essaybundel This Is Running for Your Life doen lezen als een goed gesprek dat zij met de lezer aangaat, zelfs al is er steeds maar één persoon aan het woord.

Michelle Orange. This is Running for our Life: Essays, €14,99.

Medium  m orange  thisisrunnngyourlife

De dertigplus Canadese filmcriticus (haar precieze leeftijd staat nergens vermeld, ze lijkt die zelfs angstvallig geheim te houden) was tot voor kort de relatief onbekende medewerker van webmagazine The Rumpus met enkele publicaties in onder meer The New York Times, The Nation en Harper’s op haar naam. Maar met het verschijnen van This Is Running for Your Life eerder dit jaar heeft zij in de Engelstalige literaire wereld in één klap de status verworven van een van de grootste hedendaagse essayisten. Je hoeft het werk van al die anderen echter niet gelezen te hebben om te beseffen dat Orange een uitzonderlijk groot schrijftalent is.

De tien essays van elk zo’n dertig pagina’s zijn lappendekens van gedachten die het midden houden tussen cultuuranalyse, zelfanalyse en autobiografie. De stof is op alineaformaat uitgesneden, zich nu eens vormend tot een lopend verhaal, dan weer radicaal brekend met het voorgaande, waardoor haar essays niet altijd naar een duidelijke conclusie toewerken. Dat hindert niet, want ze ontlenen hun diepgang vooral aan de wijze waarop Orange haar gedachten daarin ‘uitrolt’. Het idee dat de moderne media ons zelf- en realiteitsbeeld beïnvloeden is bijvoorbeeld niet nieuw, maar de manier waarop Orange daarvan de subtiliteiten opmerkt wel. Door haar dikwijls associatieve gedachtenproces betrekt zij de lezer rechtstreeks bij haar even nuchtere als doodsbenauwde fascinatie met de scheidslijn tussen in de huidige maatschappij leven en erdoor geleefd worden. Dat had wellicht een warboel van indrukken en mijmeringen opgeleverd als Orange de kunst van het goede gesprek met haar lezers niet verstond, want iedere indruk en iedere mijmering is een uiting van haar oprechte interesse in de onderwerpen die zij aanhaalt – of het nou over Ethan Hawke’s gezicht gaat of over nostalgie, over haar angst om ouder te worden of over de _celebrity-_cultuur, over fotografie of de dood van haar oma, over Hezbollah of haar neuroses.

Er zit iets onmiskenbaar postmoderns aan zowel de opbouw en de stijl als de inhoud van haar essays. Orange permitteert zich niet alleen op plaatsen te breken met structuur, maar stapt in haar gesofisticeerde analyses soms over van relatief onomwonden taalgebruik naar academisch jargon. Qua inhoud hebben de vragen die ze impliciet stelt een postmodern tintje. Hoe goed kennen wij elkaar en onszelf; waar ligt de grens tussen de maatschappij en het individu; hoe goed passen ons de etiketten die wij van buitenaf aangereikt krijgen, et cetera. Zulke vragen zijn niet nieuw, maar de antwoorden die zij daarop al zoekende formuleert wel en, in tegenstelling tot zoveel zuiver postmodernistisch gewauwel, gespeend van alle pretentie. Pretentie is tenslotte zoiets als het skelet onder een te dunne huid: iets wat alleen zichtbaar wordt als het verkondigde gewicht in feite ontbreekt. Orange’s proza is dan wel bij tijd en wijle complex en een tikkeltje intellectualistisch, maar zij doet zich nimmer groter voor dan zij is. Bovendien is de persoonlijke urgentie in alles wat zij schrijft evident. Hier is iemand aan het woord die niet poseert maar écht dringend op zoek is naar een manier om het hoofd boven water te houden. En in waar ze vervolgens toe komt heeft ze vaak nog iets wat haar van de postmodernen onderscheidt: gelijk.

In het slotstuk Ways of Escape, naar mijn mening het beste essay van de bundel, doet Orange de eenzaamheid, verwarring en doelloosheid uit de doeken die haar op haar twintigste overvielen en zich op een niet voor de hand liggende manier uitten: zij raakte verslaafd aan hardlopen. Zozeer zelfs dat haar teennagels zwart werden en uitvielen en haar menstruatie stopte. Maar hardlopen moest ze. Het was de enige manier waarop ze zichzelf kon bevrijden van de kwelling na te moeten denken over de oneindige hoeveelheid keuzes die nog vóór haar lagen. Waar moest het heen met haar leven? Ze had geen vrienden, geen liefje, geen idee. De zee van tijd die haar omringde had geen rots om op stuk te slaan en geen kust om op aan te spoelen. Maar door hard te lopen wist zij zowel letterlijk als figuurlijk enige richting aan haar leven te geven. ‘Looking back, looking from above, all that running appears as a radically, almost pathetically physical solution to a metaphysical problem of homesickness,’ schrijft ze als volwassene terugblikkend op haar jongere zelf, ‘a search for the portal or spatial alignment that would release me back into the world, even as I pounded into my bones the idea that to get anywhere a person had to be alone.’

De titel van deze bundel slaat dan ook op Orange’s meest fundamentele worsteling met zichzelf. Als deze essays voor Orange het nieuwe hardlopen representeren en zij haar schrijven als zin- en richtinggevend voor zichzelf beschouwt, dan is dat ook voor ons goed nieuws.


Michelle Orange

This Is Running for Your Life: Essays

Farrar, Straus, Giroux, 352 blz., €14,99