Kan ik het helpen?

Er is niets onaangenamer dan een vertrouwde stelling te moeten verlaten. Er is niets makkelijker dan in Carré te gaan zitten voor een avondje voorspelbaarheid en risicomijdend gesteun en gezucht tegen oorlog en geweld. Ik ben er altijd vanuit gegaan dat ik een geharde pacifist en antimilitarist was. En ik nam aan dat ik het in alle omstandigheden en te allen tijde zou blijven.

In de aanloop naar de Kosovo-explosie lagen twee boeken op mijn nachtkastje: de oorlogsdagboeken van Louis Barthas, tonnenmaker, en Het vuur van Henri Barbusse. Twee aanklachten uit de periode 1914-18 tegen oorlogszuchtigheid en militarisme. Echter, eens komt de tijd en de situatie waarin halsstarrig vasthouden aan papieren principes en oude vertrouwde waarden geen teken van lef meer is, maar integendeel een regelrechte uiting van cynisme en lafheid vormt. Je kunt niet je mond en je geheugen vol hebben van de verschrikkingen die onze eeuw heeft gekend, je kunt niet de passiviteit en de stille medeplichtigheid verfoeien die de holocaust en de antisemitische zuiveringen in Europa hebben mogelijk gemaakt en tegelijkertijd, in naam van een principiële geweldloosheid, je ogen sluiten voor de etnische zuiveringen van Milosevic, eerst in Kroatië en Bosnië, en nu in Kosovo. Of gedreven door een primaire afkeer van de Verenigde Staten al je anti-Amerikaanse ingrediënten door elkaar schudden totdat je een smaakloze milkshake hebt klaargemaakt: Monica Lewinsky, McDonald’s, de sigaar van Bill, Hanoi, Tibet en weet ik nog wat. En vervolgens vol trots gaan roepen dat je tijdens de oorlog niet in Joegoslavië hebt gevochten maar in Carré in het verzet hebt gezeten. Met, vanzelfsprekend, een Johnny Walker black label en een cd van Herman van Veen binnen handbereik. Van Veen? Is dit niet de man die zingt: ‘Als het even anders was gegaan… als Hitler toch de oorlog had gewonnen.’ Of in het liedje 'Signalen’: 'Vervolgden om geloof of ras, vervolgden om wat vader was, vervolgden om een ideaal, geef hun een teken, een signaal.’ Nee, dan neem ik liever afscheid van mijn oude helden en van het comfort van dichtgespijkerde doctrines en filosofie. Van ronkende formules en teksten die, naar ik nu begrijp, altijd hol hebben geklonken. Dan maar de handen in de modder en de drek steken. Dan maar voluit richting het onbehagen en de paradoxen, de contradicties en de malaise, de onzekerheid en het ongemak. Dan maar je nek uitsteken en wachten of het mes wel of niet erop valt. Dan maar vóór de bommen en de gierende raketten en tegen het lieflijke wereldje vol bloemetjes en witte duifjes van de Carré-gangers. Kan ik het helpen dat ik verschrikkelijk moet kotsen bij het horen van de cynische prietpraat van Freek de Jonge? Freek de poseur die vindt dat wij geen Big Mac moeten eten en Milosevic zijn gang moeten laten gaan? Kan ik het helpen dat de woorden die me diep raken afkomstig zijn van de man die ik uitgerekend al 25 jaar niet kan uitstaan en die ik wantrouw? Gisteravond zag ik hem op televisie, acques Chirac, rechtse president van Frankrijk. Wat hij zei, had ik ook kunnen schrijven: 'Er is geen enkele twijfel omtrent de verantwoordelijkheid van het Servische regime dat zijn criminele daden van etnische zuivering methodisch voortzet. Deze verschrikkingen, de stoeten van vluchtelingen, deze immense pijn die zoveel onschuldige kinderen, vrouwen en mannen treft, zijn de schaamte van Europa en een schande voor de wereld. Geen vrouw of man met hart kan de rechtvaardigheid van de reactie van de internationale gemeenschap betwisten. Men moest een einde maken aan de barbarij. De geest van München, de verloochening en het schipperen met het geweten hebben nooit iets anders dan ongeluk voortgebracht. Wij kunnen niet zoveel mensen op ons continent slachtoffer laten worden van onverdraagzaamheid en geweld vanwege hun ras of religie. De geschiedenis heeft ons helaas geleerd waar een soortgelijke lafheid ons naartoe kon leiden.’