Kan kapot

Er rennen kinderen door het museum. Op zich een goede zaak, maar de objecten die uitgestald liggen zijn kwetsbaar, en fragiel. Het is Japanse kunst, soms heel groot en ornamentaal, maar vaker priegelig en klein. Er ligt bijvoorbeeld op een verhoging een stapeltje kranten waarvan de bovenste krant is verknipt en gevouwen tot een klein precieus woud van papieren boompjes. De takken en de blaadjes aan de smalle papieren stammetjes lijken te verrijzen uit de krant. Het is van een teerheid die pijn in de buik veroorzaakt.

In A Tale for the Time Being van Ruth Ozeki, dat misschien wel deze week de Man Booker Prize wint, vouwt een Japanse werkloze (en suïcidale) computerprogrammeur origami-insecten van de blaadjes van het boek De grote denkers van de westerse filosofie. Het papier is flinterdun, en daardoor uitermate geschikt voor zijn neushoornkevers en bidsprinkhanen. Ze zouden hier, tussen de ragfijne staketsels, opgetrokken uit de draden van de kleurige badhanddoeken die eronder liggen, perfect op hun plaats zijn.

Je hoeft geen mes op zak te hebben om iets onherstelbaar schade toe te brengen.

Ik sta een tijdje te kijken naar een soort komkommer die rechtop staat, in een precair evenwicht gehouden door de witte muur erachter. Hier geen vitrines, ik kan zo dichtbij als mogelijk komen om te kunnen ontleden wat het is waarnaar ik kijk. Buiten regent en waait het, op weg in de auto hiernaartoe hoorde ik dat het grote leegscheppen van de kelders al weer begonnen is. In mijn eigen huis lekte het ook, zag ik. Langzame druppels op het raam beneden, en ja, ik veegde even met mijn vinger, het drupte toch echt aan de binnenkant.

De komkommer is stevig, in verschillende tinten groen, wat zal ik er nog meer over zeggen. Achter me hoor ik ouders een poging doen hun kinderen in bedwang te houden door iets te vertellen over schapen en aluminium bij de Anonymous relatives-gatekeeper van Toshihiko Mitsya. Je moet iets met je kinderen op een regenachtige zondag, ik weet het. Er zijn ergere dingen dan een museum.

Gisteren zag ik twee mannen en een kind aan een tafel hangen in een hoofdstedelijk café. Er stond een fles chardonnay in een koelemmer midden op tafel, de ene man had net een plateautje zalm besteld en zat daar lusteloos wat in te prikken, de ander, eindveertiger, zat getergd zijn telefoon te bestuderen. Het kind lurkte aan een rietje, viel dan weer ’s van zijn stoel, of rende rond de tafel. ‘Pa-ap’, probeerde hij de aandacht van zijn vader te trekken. ‘Pa-ap…’ Af en toe bespraken de mannen business, en namen een slok. De serveerster ging soms even bij het kind zitten, om te praten over orka’s. En gisteren regende het nog niet eens.

Ik ben verdrietig merk ik als ik naar de komkommer kijk. Het zachte groen, het wankele evenwicht, m’n keel wordt dik.

Bijna een halve eeuw geleden won Yasunari Kawabata de Nobelprijs voor literatuur. Het liefst zou ik een reis maken in de voetsporen van zijn roman Schoonheid en verdriet.

Het moet wel iets betekenen, want mooi om naar te kijken is het niet

‘Weet u wat dat is?’ klinkt opeens een stem vlak naast me.

Het is de suppoost die ik net al even zag ingrijpen toen een paar kinderen te dicht bij de muur kwamen waar een filmpje op geprojecteerd wordt. Een in eerste instantie ongrijpbaar filmpje, het duurt even tot je snapt wat je ziet. Het wit gaat bewegen, de wolken worden water, de witte vorm een beker die wordt uitgesopt door een hand met daarin een schuursponsje. Door het onverwachte perspectief, alsof je je op de bodem van een afwasteiltje bevindt, krijgt een banale handeling als het doen van een afwasje de lading van een geheimzinnig ritueel.

Misschien helpt het om gewoon maar te zeggen wat het is. ‘Het is een karkas in de vorm van een komkommer’, zeg ik. ‘Opgevuld met borduursteken van zijdegaren in zeker zo’n zeventig tinten groen.’

Met open mond kijkt ze me aan. ‘U bent slim’, zegt ze.

Nee hoor, wil ik zeggen. Kwestie van tekstjes lezen en deduceren. Maar zij heeft al weer andere zorgen. Twee kinderen hebben zich op het besneeuwde landschap van Teppei Kaneuji gestort. Het gevaarte, dat zo’n beetje de hele museumzaal in beslag neemt, zou een verwijzing kunnen zijn naar de Fukushima-ramp, de woestenij die restte na de tsunami en kernramp, twee jaar geleden. Het zou ook kunnen dat Kaneuji commentaar levert op consumptiedrift en wegwerpmaatschappij. Het moet wel iets betekenen, want mooi om naar te kijken is het niet.

In Sneeuwland, de roman waarmee Kawabata ook buiten Japan beroemd werd, beschrijft hij de bijzondere relatie tussen een getrouwde man uit Tokio en een jonge geisha. Het is een intimiteit die niet zozeer seksueel geladen is, als wel heel vertrouwd en intens is. Hij weet hoe zij eruitziet, onder haar pruik en de dikke poederlaag op haar gezicht.

Onder de dikke laag wit poeder van het nagebootste landschap van Kaneuji liggen plastic poppetjes, zeefjes en allerlei andere troep. Soms lijkt iets erop gemaakt om geschonden te worden.