Het laatste van de tien verhalen uit Over het kanaal laat zich lezen als een zelfportret van de schrijver Barnes, een auteur in wiens werk de biograaf en de historicus zo vaak een verbintenis aangaan met de schrijver van pure fictie.
Barnes kiest als historicus en biograaf altijd graag een standpunt buiten de door hem beschreven geschiedenis en wekt zo de schijn van overzichtelijkheid. Die geschiedenis krijgt zo iets afgeronds, iets waarop men daadwerkelijk terug kan kijken. Maar de manier waarop die geschiedenis vervolgens beschreven wordt, maakt van die overzichtelijkheid onmiddellijk zelf weer een fictie. Geen wonder dus dat Barnes voor een zelfportret de wijk neemt naar de toekomst, zichzelf in een toekomst verzint die het hem mogelijk maakt terug te kijken.
Alle geschiedenis is uiteindelijk een fictie, zo zou je kunnen concluderen, en het maakt van Barnes een postmoderne schrijver. Maar ook het omgekeerde is waar: dat alle fictie op deze manier geschiedenis wordt. Schijn en werkelijkheid, fictie en factie, leugen en waarheid: het is de grens waarop Barnes’ werk balanceert.
In Over het kanaal is een aantal verhalen waarin deze grens zelf expliciet het thema vormt, bijvoorbeeld in ‘Experiment’ en in ‘Gnossienne’. Het eerste gaat over een oom die deel gehad zou hebben aan de Recherches sur la sexualité, een experiment van de Franse surrealisten. Hij zou op twee opeenvolgende dagen met zowel een Franse als een Engelse vrouw het bed delen, geblinddoekt, en vervolgens van zijn ervaringen verslag doen aan Breton en de zijnen, met als belangrijkste vraag of er een duidelijk, met nationaliteit verbonden verschil tussen beide vrouwen te ontdekken viel. Maar vond het experiment plaats? Waren het wel twee vrouwen? In ‘Gnossienne’ - een titel die verwijst naar Satie - gaat het over een literaire conferentie die georganiseerd is door de Oulipo-groep, een groep Franse schrijvers, waartoe onder anderen Queneau, Perec en Arnaud hebben behoord, die zich bezighield met de wetenschap van de gefantaseerde oplossingen, de patafysica. Het leidt in dit verhaal tot de ongerijmdheid dat wat gebeurt nooit gebeurd is.
e zou dit als metafoor kunnen nemen voor de overige verhalen, waarvan er sommige in een ver verleden spelen. Maar altijd met de aantekening dat de onzekerheid over het waarheidsgehalte van één en ander niets verandert aan het beeld dat Engelsen van Fransen hebben en vice versa, een beeld dat voor veel Fransen en Engelsen nog reëel genoeg is en waarnaar ze vervolgens ook handelen. Barnes steekt in deze bundel voortdurend die grens over, gaat ‘over het Kanaal’ en schreef zo een verhalenbundel die over het Kanaal zelf lijkt te gaan, over precies het kantelmoment tussen idee en werkelijkheid.