De collectie De Bry

Kannibalen zijn gewone mensen

In 1634 voltooide de familie De Bry haar collectie berichten over de net ontdekte overzeese gebieden, geïllustreerd met afbeeldingen van de voor Europa vreemde volken. De Bry’s cultuurrelativisme was aanzienlijk groter dan het onze.

door

Sinds jaar en dag is de collectie De Bry een object van bibliofiele begeerte. In 1590 begonnen Theodor de Bry en zijn twee zonen een verzameling berichten uit te geven over Amerika, toen ook wel bekend als de Westerse Indiën. Zeven jaar later startten de zonen een serie over de Oosterse Indiën, waaronder ze Azië en Afrika ten zuiden van de Sahara verstonden. De berichten waren deels land- en volkbeschrijvingen, voor een ander deel teksten over de Spaanse verovering van Amerika, de Portugese kerstening van Congo en het Portugese handelsrijk in Azië. Steeds vaker vulden ze die aan met recente verslagen van de overzeese ondernemingen van Fransen, Engelsen en vooral Nederlanders. De firma De Bry publiceerde de berichten vertaald in het Duits en Latijn. Bij de voltooiing in 1634 omvatten de beide reeksen samen 27 delen. Een eeuw na Columbus en Vasco da Gama bood de collectie een overzicht van de Europese kennis over de nieuw ontdekte gebieden en van de overzeese rivaliteit tussen het Spaans-Portugese rijk en zijn tegenstanders.

Wat de collectie vanaf het begin zo begeerlijk maakte, waren de vele prenten over de gebruiken van vreemde volken en hun contacten met Europese naties. Meestal zijn de prenten als een aparte bijlage aan ieder deel toegevoegd. De uitgevers De Bry, zelf graveurs, bewerkten voor de plaatdelen de illustraties uit de oorspronkelijke werken, voegden nieuwe afbeeldingen toe of maakten totaal nieuwe series. Onder de platen lieten zij door hen zelf gekozen excerpten uit de hoofdtekst afdrukken. De afbeeldingen gaven slechts zelden een natuurgetrouwe indruk van de overzeese wereld. Ze vestigden de aandacht van de lezer op opmerkelijke passages in de hoofdtekst en spoorden hem aan daarover zijn gedachten te laten gaan. Het waren afbeeldingen voor wie nieuwsgierig was naar wat zich in de wereld voordeed.

Recent promoveerde Michiel van Groesen op een dissertatie over dit verzamelwerk: The De Bry Collection of Voyages (1590-1634): Editorial Strategy and the Representation of the Overseas World. Hierin betoogt hij dat de uitgeversfamilie De Bry de collectie construeerde rond een uitvergroot contrast tussen beschaafde, christelijke Europeanen en wilde, heidense niet-Europeanen. Met vele kleine en soms grote wijzigingen in tekst en beeld uniformeerden zij de weergave van de niet-Europeanen en zetten hun wildheid en heidendom sterk aan. Daarentegen stelden ze de Europeanen voor als beschaafde lieden die opkwamen voor de Ware Religie. Deze voorstelling zou hebben beantwoord aan de verwachtingen van een publiek dat afkerig was van confessionele en nationale verdeeldheid en verlangde naar een christelijk en beschaafd Europa. Anders dan wel is beweerd was de collectie van de calvinistische De Bry’s geen protestants propaganda-instrument, maar eerder een bijdrage aan een christelijke, Europese identiteit.

De these over de uniformering van de bewoners van West- en Oost-Indië wekt verbazing. Wie de plaatdelen doorbladert, ziet namelijk een grote diversiteit aan menselijke types, sommige volgens toenmalige Europese maatstaven zeer onbeschaafd, andere minder en de Chinezen toch vrijwel zo beschaafd als de Europeanen. De collectie geeft ook een gevarieerd beeld van het heidendom, lopend van duivelspraktijken tot weliswaar onchristelijke, maar wel sociaal aanvaardbare vormen van verering. De Congolezen hadden zelfs het katholicisme aanvaard.

Even verrassend is Van Groesens stelling dat Europeanen in de collectie overwegend zijn voorgesteld als beschaafde lieden, zichtbaar de meerdere van de wilden. Alleen al in de drie delen gewijd aan het werk van Benzoni begaan Spaanse conquistadores in tientallen afbeeldingen de meest gruwelijke wreedheden tegenover de indianen. Anderzijds is de prachtige gravure van de koning van Kandy hand in hand met Joris van Spilbergen een verbeelding van een Aziatische vorst die een bekwame Nederlandse diplomaat als zijn gelijke behandelde. De afbeeldingen in de collectie geven een scala van contactsituaties weer, afhankelijk van wat de auteurs van de berichten hadden beleefd.

Van Groesen kan zijn centrale these over het contrast tussen de beschaafde Europese christenen en de wilde, niet-Europese dan ook alleen maar aannemelijk maken door zeer selectief met de gegevens om te gaan en die uitsluitend in vooropgestelde zin te interpreteren. Hij negeert consequent de specifieke etnografische context van zijn materiaal evenals de ervaringen van de auteurs.

Twee voorbeelden, met opzet gekozen uit het meer wilde segment van de bewoners van Oost- en West-Indië, mogen illustreren dat de representatie van de overzeese wereld aanzienlijk complexer was dan Van Groesen het doet voorkomen en vaak eerder verontrustend voor het Europese zelfbeeld dan bevestigend.

In deel 3 van De Bry’s West-Indische reeks beschrijft de lutherse Duitser Hans Staden zijn verblijf onder de Braziliaanse kannibalen. Hij diende als kanonnier op een Portugees kustfort ten zuiden van Rio de Janeiro. Op een onbewaakt moment namen vijandige indianen, de Tupinikin, hem gevangen. Zij wilden zich wreken op een familielid dat eerder door de Portugezen was gedood en bestemden Staden tot slachtoffer van hun feestelijk, kannibalistisch ritueel. Dankzij zijn meerjarig verblijf aan de Braziliaanse kust kende de Duitser de inheemse taal en wist hij hoe hij de indianen kon beïnvloeden. Door correcte voorspellingen overtuigde hij de Tupinikin ervan dat hij de bescherming genoot van hogere machten en dat hem doden gevaarlijk was. Negen maanden leefde hij in angst en vrees als een wilde onder de wilden, poedelnaakt, zoals de illustraties tonen. Uiteindelijk wist hij met hulp van Franse handelaren te ontsnappen en keerde terug naar Europa.

Staden ging uitvoerig in op het kannibalistisch feest. Hij maakte duidelijk dat de executie van de gevangen genomen vijand en de maaltijd verliepen volgens vaste regels. De illustraties in De Bry’s editie geven de opeenvolgende stadia van het gebeuren nauwkeurig weer. Volgens Staden ging het bij de menseneterij om een symbolisch maal, niet om het stillen van honger. Het kannibalistisch feest was een religieuze plechtigheid, waarin slachtoffer en beul zich transformeerden tot wezens van een hogere rang.

Dit was een nieuw en hoogst verontrustend inzicht vanwege de overeenkomst met de kannibalistische metafoor van de christelijke verlossingsboodschap: ‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongste dage.’ De calvinistische Fransman Jean de Léry, wiens verslag van zijn verblijf onder de Tupinikin volgde op dat van Staden, gebruikte deze parallel tussen de kannibalistische en de christelijke religie om de katholieke sacramentsleer aan te vallen. Volgens de kerk van Rome was de mens geworden God in het brood en de wijn van het misoffer werkelijk aanwezig. Protestanten wezen deze letterlijke interpretatie van Christus’ woorden af, maar ook voor hen moet de parallel met het kannibalistisch offerritueel verontrustend zijn geweest. Van Groesen bespreekt allerlei wijzigingen die De Bry aanbracht in zijn editie van De Léry, maar deze voor het positieve christelijke zelfbeeld zo schokkende kwestie vermijdt hij.

Het eerste deel van de West-Indische reeks handelde over aanzienlijk minder wilde indianen dan de kannibalistische Tupinikin. Thomas Harriot en John White beschreven en toonden in de True Pictures and Fashions of the People of Virginia een volk aan de kust van North Carolina dat zijn ‘koningen’ eerbiedigde en ordelijk leefde van landbouw, visserij en jacht. De Bry publiceerde dit beeldverslag samen met een niet geïllustreerd pamflet door Harriot, de Briefe and True Report of the New Found Land of Virginia, waarin hij het stichten van een Engelse kolonie in Noord-Amerika bepleitte.

Harriot, een getalenteerd natuurwetenschapper, en John White, een gentleman-schilder, kenden Virginia uit eigen waarneming. Ze waren toegevoegd aan een expeditie, uitgerust door Walter Raleigh en andere hovelingen om in Amerika een steunpunt voor kolonisatie op te bouwen. Harriot had als taak het land, de natuurlijke hulpbronnen en de inheemse bevolking in kaart te brengen. Ter voorbereiding had hij zo goed en zo kwaad als het ging de lokale taal geleerd van twee indianen die bij een eerdere reis waren meegenomen naar Engeland. Gedurende bijna een jaar verkende hij het gebied, bijgestaan door de inheemse bewoners van Roanoke Island, die de Engelsen door ruilhandel te vriend hielden. White maakte van de inwoners, de flora en fauna afbeeldingen ‘naar ’t leven’. Zijn aquarellen van Algonkin aan de kust van het tegenwoordige North Carolina, bewaard gebleven in een album dat geruime tijd eigendom was van afstammelingen van White, gelden als de vroegste werkelijkheidsgetrouwe afbeeldingen van bewoners van Amerika. Theodor de Bry verwierf een ander, vergelijkbaar album, dat als model diende voor de True Pictures and Fashions of the People of Virginia. Het British Museum wijdde onlangs een tentoonstelling aan dit zeer bijzondere materiaal.

De True Pictures and Fashions wordt gewoonlijk beschouwd als het complement van de Briefe and True Report en geïnterpreteerd als een vroeg voorbeeld van de kolonialistische blik op een inheemse samenleving, een manier van kijken die past bij Van Groesens contrastthese. Gezien de ontstaanscontext van het werk is een dergelijke interpretatie begrijpelijk. Ze blijkt echter niet direct uit de afbeeldingen zelf. De True Pictures and Fashions zijn in feite het oudste voorbeeld van een etnografische prentreeks, waarin is geprobeerd een karakteristiek van een vreemde samenleving als geheel te combineren met een karakteristiek van de voornaamste levenssferen, zoals het huishouden, het politieke regime en de godsdienst. Dit type prentreeks zou aan het begin van de zeventiende eeuw vooral in Nederlandse reisverhalen worden toegepast en verder ontwikkeld.

Een eerste groep prenten toont de rangen en standen: dorpskoningen, aanzienlijken, twee typen priesters en het gewone volk. Dit maakt duidelijk dat de Virginiërs politiek en religieus gezag erkennen en de bindingen van het huwelijk en het huishouden in acht nemen. Een dorp omgeven door bewerkte akkers en jacht- en visscènes, op de achtergrond van deze prenten, laat zien dat zij in vaste nederzettingen wonen en leven van landbouw aangevuld door visserij en jacht. Een volgende groep prenten gaat nader in op de middelen van bestaan en de daarbij aangewende technische kennis. De laatste groep behandelt de godsdienst, die nauw verbonden blijkt met het politieke regime. De Algonkin baarden de gemummificeerde resten van hun koningen op in een daarvoor bestemd onderkomen. Een priester en een antropomorf afgodsbeeld waakten over deze eerbiedwaardige doden. De Virginiërs aanbaden niet een duivel, maar een hoogste Heer op wie ze lijken. Uit hun eredienst blijkt dat ze een gezagsgetrouw koningsvolk zijn.

De True Pictures and Fashions laten op een zakelijke en afstandelijke manier aan de Europese lezers zien dat de ‘wilde’ Virginiërs met beperkte middelen een ordelijk en in sommige opzichten zelfs prijzenswaardige levenswijze in stand hielden. In de Briefe and True Report had Harriot betoogd dat de Virginiërs niets liever wilden dan overgaan tot het christendom en het Engelse metalen gereedschap en de bijbehorende kennis overnemen. In de True Pictures and Fashions blijkt van dat verlangen buitengewoon weinig. Integendeel, de Virginiërs leken tevreden met hun levenswijze. Een begeleidende tekst onderstreept dit nog eens: ‘Zij bekommeren zich niet om het verzamelen van rijkdom voor hun nageslacht, zijn tevreden met wat ze hebben en leven vreedzaam van de zaken die God hen uit zijn overvloed heeft gegeven.’

De nadenkende lezer kon zich verder afvragen of de zo geëerbiedigde koningen wel zouden instemmen met een ingrijpende verandering van levenswijze. Zo niet, dan was te voorzien dat de Engelsen zich niet beter zouden gedragen dan de Spanjaarden.

De True Pictures and Fashions getuigen niet zozeer van een kolonialistische blik en het daarbij behorende contrast tussen christelijke, beschaafde kolonisatoren en heidense, wilde inheemsen. Eerder blijkt uit het beeldboek een besef van een inheems perspectief en van de kans op een gewelddadig conflict, dat hoogst onchristelijk en zeker niet beschaafd zou verlopen.

Door het consequent negeren van de specifieke etnografische context en de contemporaine antropologische opvattingen miskent Van Groesen dat de collectie De Bry voor de tijdgenoten niet alleen een object van bibliografische begeerte was, maar ook een begeerlijk studieobject. De variaties en gradaties van beschaving en wildheid intrigeerden hen. José de Acosta, een van de auteurs in de collectie De Bry, ontwierp een programma voor vergelijkende etnografie en een empirische theorie van culturele evolutie. De verscheidenheid binnen het heidendom en de zo nu en dan schokkende parallellen tussen heidendom en christendom leidden tot de vergelijkende studie van godsdiensten en speculaties over een gemeenschappelijke natuurlijke religie achter alle veelvormigheid. Verder speelde de collectie in op de belangstelling voor de politieke actualiteit. De familie De Bry creëerde niet een propaganda-instrument voor het protestantisme als confessionele beweging. Wel liet ze de doorbraak van het protestantse Nederland en Engeland op het wereldtoneel zien. Daardoor, en niet door te mikken op gevoelens van christelijke verbondenheid en Europese culturele superioriteit, brachten de uitgevers de collectie aan de man. De lezers waren geen dikkoppen, maar ‘curiosi’.

Niet de De Bry’s simplificeerden en uniformeerden de weergave van Europeanen en niet-Europeanen in Oost- en West-Indië. Van Groesen doet dit. Zijn dissertatie is verwelkomd als een bijzondere wetenschappelijke prestatie. Dat is nogal overdreven. Hij komt met interessante nieuwigheden over de biografie van de De Bry’s, de afzet naar Antwerpen, de katholieke censuur en de bezitters van de collectie. Zijn centrale contrastthese is echter onhoudbaar. Die maakt hij alleen aannemelijk door simplificatie en bijzonder selectieve omgang met de gegevens. Volgens Van Groesen produceerde de familie De Bry 27 delen lang slechts het tegenbeeld van het positieve Europese zelfbeeld. In feite demonstreerde zij met de collectie een complexe en gevarieerde omgang met de buiten-Europese wereld en het Europese kolonialisme.

Michiel van Groesen: The De Bry Collection of Voyages (1590-1634): Editorial Strategy and the Representation of the Overseas World. Amsterdam 2007.

Unter Menschfresser-Leuthen: Hans Stadens Brasilienbuch von 1557. Wolfgang-Bonhage-Museum Korbach, t/m 19 augustus, www.museum-korbach.de.

Kim Sloan: A New World: Englands First View of America. British Museum Press. The University of North Carolina Press