Groen

Kanoet

Vorige week was het weer appelwijnweekend in Naarden. Op een niet nader te noemen adres wordt vijfhonderd kilo Elstar afgeleverd. Die appels worden eerst in een teil met water gegooid. Daarna worden de slechte stukken er uit gesneden en verdwijnt emmer na emmer in de fruitmolen, waarin de appels al flink verhakseld raken. De volgende stap is het stampen: met vier stampers, van eiken-, hard- of cederhout, worden de verhakselde appels murw geslagen. De appelpulp verdwijnt in gazen doeken en die gaan de pers in. Het sap loopt uit de pers, wordt opgevangen en gaat op zolder in enorme glazen flessen. Daarna weet ik niet precies wat er gebeurt, iets met gist en suiker, en pas een jaar later krijg ik de wijn te drinken. Zondag dronk ik wijn van 2008. Hij was lekker, maar die uit 1992 – er komt ook altijd een speciale fles op tafel na het werk – was nog veel lekkerder, het leek wel sherry. Opmerkelijk was de zachtmoedigheid van de wespen, er werd slechts één onschuldig kind gestoken. De buren krijgen de komende weken te maken met afgrijselijke stank, want alle afval ligt in de compostbak, die nota bene in de voortuin staat, en de appeltroep begint na een paar dagen te gisten en meuren.
Een van de appelwijnmakers had tijdens het werk een zogenaamde kostelijke volksetymologische anekdote, hij wist precies hoe de Kanoet strandloper aan zijn naam komt. De Engelse heerser Canute the Great (die wij kennen als Knoet de Grote, de zoon van Sven Gaffelbaard) was duizend jaar geleden koning van Engeland, Denemarken en Noorwegen. Men zag hem aan voor een god. Dat stond hem niet aan, dus hij liet zijn troon op een Engels strand zetten en zei: ‘Ik ben niet in staat de zee tegen te houden.’ En inderdaad: al snel had hij natte voeten, en de vele omstanders ook, die snel en overtuigd bij het water wegrenden. ‘Precies zoals dat strandlopertje heen en weer rent in de branding’, zei de betreffende appelwijnmaker. Voor straf had niet dat onschuldige kind, maar hij gestoken moeten worden door die ene boze wesp.