Kansen voor Castro & Co

Fidel Castro blijkt sterfelijk. Maar wat zal er gebeuren met het politieke systeem dat hij nalaat? Enkele speculaties.

WASHINGTON/SAN JUAN – Op de websites BetUS.com en BetCRIS.com kun je wedden op de sterfdatum van Fidel Castro. Al duizenden Amerikanen hebben geld ingezet, want fascinatie voor Castro is vooral een Amerikaanse aangelegenheid. Onsterfelijkheid behoort op de websites niet tot de mogelijkheden, ondanks de allervriendelijkste dingen die de zelfverklaarde atheïst Castro de laatste jaren over het Vaticaan zegt. Hij kreeg de paus zelfs op bezoek. En ondanks alle mislukte aanslagen op zijn leven. De cia probeerde het zelfs eens met een klapsigaar.

Maar geldt die onsterfelijkheid ook het politieke systeem dat Castro heeft uitgedokterd?

Geen buitenlandse Cuba-speculant lukt het momenteel met een «educated guess» de meningsvorming over de overlevingskansen van Castro’s Caribische communisme te domineren, al is het maar omdat er zo weinig buitenlandse journalisten worden toegelaten. Het Duitse persbureau dpa beweert dat de Cubaanse autoriteiten sinds Castro’s verdwijning en machtsoverdracht op 31 juli al meer dan 150 verzoeken voor een journalistenvisum hebben afgewezen. Havana wil geen pottenkijkers in deze spannende tijd.

De autoriteiten hebben alle reservisten opgeroepen zich dagelijks te melden in de kazerne. In enkele provincies hebben overijverige commandanten al opgeroepen om eventuele «raddraaiers» stante pede dood te schieten. Ook gonzen er geruchten over een ophanden zijnde Amerikaanse invasie.

Zo’n interventie kan in Cuba op weinig steun rekenen. Hoe repressief het politieke systeem ook is, het Cubaanse patriottisme is springlevend. Onlangs hebben enkele dissidenten zelfs geklaagd dat de tachtig miljoen dollar die de Amerikaanse regering hun schonk wel eens averechts zou kunnen werken.

Dit Cubaans nationalisme noopte minister Condoleezza Rice er afgelopen week toe vanuit Miami een toespraak te houden, voor een televisiezender die in Cuba kan worden opgepikt, waarin zij benadrukte de soevereiniteit van de Cubanen te erkennen. Haar hoop is dat het anti-Amerikanisme op Cuba een vreedzame transitie naar democratie niet in de weg staat. «Cubanen dienen hun eigen regering te kunnen kiezen.» Dat is ze te lang verboden. Langer dan het 45-jarige bewind van Castro, want ook dictator Batista was geen liefhebber van volkssoevereiniteit.

Juist omdat Cuba anders dan sommige delen van Oost-Europa geen democratische periode in zijn geschiedenis kent waarop het kan terugvallen, waarschuwt een van de gerespecteerde Havana_-watchers_ op afstand, Alan McPherson van Harvard University, de feestvierende Cubaanse ballingen in Miami voor al te hooggespannen verwachtingen. Als Cubanen de mogelijkheid krijgen te kiezen, zo schrijft McPherson in het artikel Castro May Be Dying, Castroism Isn’t, dan is de kans groter dat ze «het sociaal-democratische model van Scandinavië» omarmen dan «het wilde laissez-faire-kapitalisme van de Republikeinse partij» in de VS.

Ook de populistische leger- en regeringsleider Hugo Chávez van Venezuela, vriend van Castro, heeft een grotere kans tot de harten van de Cubanen door te dringen dan Bush, Cheney of Mel Martinez, een Cubaanse balling die het tot senator schopte. Chávez is niet alleen de man die in de afgelopen dagen telkens het nieuws over Castro’s ziekbed wereldkundig maakt («Castro praat meer dan goed voor hem is», vertelde Chávez in zijn eigen reality-show Alo presidente, met Bolivia’s president Evo Morales naast hem als studiogast), hij is ook de man die de Cubaanse economie helpt met gratis olie.

Ook in de meest letterlijke betekenis van het woord is het onduidelijk hoe Cuba er over tien à twintig jaar uit zal zien. In een restaurant ergens hoog in het regenwoud van het dichtbevolkte Caribische eiland Porto Rico ontmoette ik een Portoricaanse dertiger die graag in Cuba was omdat het daar, zo vermoedde ze, oogde «als hier in de jaren vijftig». Ze kreeg er een idee van het leven van haar grootouders. Andersom geldt hetzelfde, suggereerde een tachtiger in dat restaurant: in Porto Rico kun je zien hoe Cuba zich had ontwikkeld zonder Castro.

De landen zijn inderdaad een andere weg gegaan. Sinds de Amerikaans-Spaanse oorlog van 1898 is Porto Rico – een eiland ter grootte van Groningen, Drenthe en Friesland samen – een protectoraat van Amerika. De inwoners kiezen er hun eigen bestuur. Tegelijk heeft de vrije markt er esthetisch haar werk gedaan. Behalve een paar fijne stranden zie je tussen het groen van de laatste restjes regenwoud overal shopping malls en gigantische billboards langs slordig aangelegde snelwegen. De bevolking laaft zich, in vrijheid, aan Amerikaanse ketens: van Kentucky Fried Chicken, Wendy’s en Burger King tot Starbucks, Exxon Mobil en The Banana Republic. Ook andere zegeningen van de vrije markt laten zich er zien: in jachthavens en langs het strand in San Juan, in de winkelstraten van de hoofdstad en langs de snelwegen, waar tropische varianten van onze Vinex-wijken verrijzen, met burgers die een redelijk welvarend bestaan leiden.

Het moet gezegd: Portoricanen hebben een relatief hoge levensstandaard. Het inkomen per hoofd van de bevolking is elfduizend dollar per jaar. In Cuba is dat 3300 dollar. Ter vergelijking: in het «vrije» Haïti is dat 390 dollar per jaar en in Suriname 5600.

Maar wat de inwoners van beide eilanden gemeen hebben is hun patriottisme. Opvallend genoeg leidde dat er in Porto Rico niet toe dat de bevolking voor onafhankelijkheid koos. In drie referenda is de bevolking gevraagd of ze onafhankelijk wil zijn, de status-quo wil voortzetten of de 51ste staat van de VS wil worden, met twee senatoren en een sloot congresleden in het Huis van Afgevaardigden – waar het Witte Huis alle drie de keren op aandrong. Maar de Portoricanen kozen telkens voor de status-quo. In de campagne speelde het een belangrijke, zo niet doorslaggevende rol dat als Porto Rico een volwaardige staat van de VS was geworden, het land geen eigen team meer naar het WK basketbal of de Olympische Spelen mocht sturen.

Terwijl Cuba zich sinds het instorten van de Sovjet-Unie volgens de Amerikaanse schrijver Bill McKibben heeft ontwikkeld tot een organische moestuin met geheime agenten tussen de tomaten en de prei, «een biologische supermarkt met regenjassen tussen de schappen», is de pluriformiteit op Porto Rico groter geworden. Iedere kapitalistische samenleving is nu eenmaal pluriformer, zoals de Amerikaanse econoom Tyler Cowen in In Praise of Commercial Culture heeft aangetoond. Maar Cowen verzwijgt dat die pluriformiteit er wel overal nagenoeg hetzelfde uitziet. Je kunt zowel in Miami en Amsterdam als in Vladivostok Tibetaanse thee slobberen, het WK voetbal zien of op tangoles gaan. Maar daarmee wordt het onderscheid tussen die steden niet groter. Juist door het communisme op Cuba valt er nog iets te kiezen. Tenminste, voor de toerist.

Dat vooruitzicht is de Cubanen vooralsnog niet gegund. Maar als het eenmaal wel zo ver is, dan is het de vraag waar de nationalistische Cubanen voor kiezen. Voor een grotere economische vrijheid waarschijnlijk. Maar wellicht niet voor de ballingen in Miami en hun aanmatigende eigendomsaanspraken. Misschien wel voor buitenlandse investeerders: lees Kentucky Fried Chicken, Wendy’s en ijsjes van Ben&Jerry’s.

Of zal de Cubaanse kiezer zich als een heuse Odysseus aan de mast binden, de eigen gezondheidszorg en onderwijsinstellingen overeind houden en de oren insmeren met was, opdat de sirenes van de vrije wereld nauwelijks vat op hem krijgen?

Dat zal de pluriformiteit van de Cariben in ieder geval ten goede komen.