De vrijheid om je te conformeren

‘Kant zei al: denk zelf na’

De samenleving individualiseert en toch conformeren we ons maar wat graag. Een gesprek met twee liberale wetenschappers, een van D66 en een van de VVD, over selfies, kuddegedrag en keuzevrijheid.

Medium eijkelboom13sept2006

Toen Jieskje Hollander, waarnemend wetenschappelijk directeur van de aan d66 verbonden Mr. Hans van Mierlo Stichting, tijdens het WK hockey door Den Haag fietste, dacht ze de Nederlandse hockeysters tegen te komen op straat. Maar ze vergiste zich. Het bleken de Duitse hockeyvrouwen te zijn. Die zagen er zonder hun nationale wedstrijdtenue precies hetzelfde uit als de Nederlandse hockeydames. Ook zij hadden allemaal hun haar in een staartje.

We praten op het partijbureau van d66, vlak bij het Haagse Voorhout, over de individualisering in de samenleving. Is daar eigenlijk wel sprake van, zoals na de ontzuiling al decennia wordt beweerd, of zijn het slechts woorden die voorbij gaan aan de werkelijkheid? Want niet alleen de hockeydames zien er allemaal hetzelfde uit. Jonge ouders met een voorkeur voor GroenLinks hebben veelal een bakfiets om hun kroost in te vervoeren. Tal van mannen hadden vorig jaar ineens een keurig getrimde baard. Op zondagen word je op fietspaden en weggetjes overreden door hard rijdende groepjes oudere mannen, allemaal in strakke wieleroutfit met reclameopdruk. En het aantal selfies dat wordt gemaakt met mobiele telefoons is ontelbaar.

Jieskje Hollander erkent enigszins schuldbewust dat ze ook zelf wel eens een selfie maakt en rondstuurt. Dat we dat massaal zijn gaan doen, zelfportretjes rondsturen, staat voor Hollander niet voor narcisme. Het illustreert volgens haar dat de mens niet de behoefte heeft verloren om gekend te worden door de ander, dat de mens nog steeds bestaat bij de gratie van de ander. Daar heeft het proces van individualisering niks aan veranderd. ‘In het intellectuele discours over individualisering, dat aanvankelijk – doordat het zich afzette tegen de verzuiling – begrijpelijkerwijs vooral was gericht op het zich losmaken van de groep, lijkt de groep echter het kwaad op zich geworden.’

Met dat laatste zijn de zichzelf sociaal-liberalen noemende d66’ers het niet eens. Voor d66 betekent individualisering vooral het doorbreken van de knellende banden van een groep. Zoals bijvoorbeeld de knellende band van een kerk. Dat mensen er toch voor kiezen om bij een groep te willen horen en zich in hun doen en laten en hun uiterlijk willen spiegelen aan die groep ziet Hollander niet als bewijs dat er van individualisering geen sprake zou zijn. ‘Als mensen zich aansluiten bij een groep vindt d66 het wel belangrijk dat ze zo veel mogelijk in vrijheid hun keuzes kunnen maken. Er zal daarbij ook nu ongetwijfeld sprake zijn van groepsdruk, dat zal ook moeilijk uit te bannen zijn. Het gaat er ons bij d66 vooral om dat die druk niet geïnstitutionaliseerd mag worden. Het mag niet zo zijn dat instituten als de kerk of de staat gaan opleggen hoe je je leven moet invullen.’

Op een steenworp afstand van het partijbureau van d66 zetelt aan de Koninginnegracht de TeldersStichting, het wetenschappelijk bureau van die andere liberale partij, de vvd. Bij de vvd staat de individuele vrijheid hoog in het vaandel. Individualisme is volgens de liberalen van de vvd niet synoniem aan egoïsme. En net als d66’ers gaan vvd’ers er vanuit dat mensen behoefte hebben aan het aangaan van sociale verbanden. Ook zij benadrukken dat dit dan wel uit vrije wil moet gebeuren.

Het verschil tussen d66 en vvd is volgens de directeur van de TeldersStichting, Patrick van Schie, dat het mensbeeld van de sociaal-liberalen veel gelijkenis vertoont met dat van de christen-democraten: de mens krijgt pas betekenis in relatie tot de ander. Dat is volgens hem overigens de opvatting van een reeds bestaande stroming binnen het liberalisme. Oftewel, geen uitvinding van d66. ‘Ze moeten bij d66 maar kijken of ze zich daar lekker bij voelen’, zegt hij enigszins plagerig.

Ook Van Schie is niet tegen selfies. Hij heeft daar een uitgesprokener oordeel over dan Hollander van d66. Waarbij hij wel zegt dat hierbij leeftijd een rol kan spelen. De directeur van de TeldersStichting is inderdaad ouder dan de waarnemend wetenschappelijk directeur van de Van Mierlo Stichting. Van Schie ‘snapt’ het niet als hij in een restaurant twee mensen ziet die met elkaar uit eten zijn, maar ieder met hun ‘eigen speelgoedje’ in de weer is. ‘Ik vind dat een bijna autistische leefwijze. De jaren tachtig werden het ik-tijdperk genoemd, dat was een correctie op de jaren zeventig waarin het ik niet telde. Maar nu schiet het door. Je kunt constant in de weer zijn met de telefoon en Twitter communiceren noemen, maar is dat zo?’

Hij geeft het voorbeeld van politici: ‘Die laten via Twitter heel vaak alleen weten waar ze zich bevinden. Hun volgers geven er geen blijk van dat hen dat interesseert. Dat is geen communiceren, dat is zenden. Zo vind ik Facebook de uitholling van het begrip vriendschap. Ik versta onder vriendschap iets anders.’ Daar voegt de liberaal Van Schie echter wel iets aan toe: ‘Ik denk dan wel vaak: mijn hemel, maar het is de keuze van die ander om te twitteren en de hele tijd met Facebook in de weer te zijn. Ik ga niet voorschrijven dat mensen zich anders moeten gaan gedragen.’ Daarin vinden vvd en d66 elkaar.

Van Schie mag de omgang met de mobiele telefoon autistische trekken vinden vertonen, de mens kiest daar volgens hem zelf voor. De individualiseringstendens is volgens hem de uitkomst van allerlei eigen keuzes die mensen maken, waarbij de techniek een grote rol speelt: ‘Individualisering is een autonoom proces. En dat proces wordt steeds sterker.’

Toch ziet Van Schie, net als Hollander, dat de meeste mensen verbanden aangaan en zich vaak conformeren: ‘Jongeren schijnen veel vaker dan vroeger te denken dat ze uniek zijn. Maar mensen zijn in hoge mate kuddedieren. Kuddegedrag is vanuit de evolutie ook begrijpelijk. Als er gevaar dreigt, is het behulpzaam. Maar het kan extreme vormen aannemen. Dan wordt het gevaarlijk. De Engelse liberale filosoof Stuart Mill had het al over de angst voor conformisme. En de Duitse filosoof Kant zei al: denk zelf na. Ik zie graag eigenzinnige mensen, maar ook daar zitten grenzen aan.’

Volgens Van Schie is het voor de bureaucratie van een overheid of andere grote organisaties nog steeds makkelijker om mensen in hokjes te stoppen dan om ze als individuen te zien: ‘Als gevolg daarvan vind ik dat de echte individuele keuzevrijheid nog helemaal niet aan het winnen is. We zitten nog heel erg vast in oude structuren. Er zijn nog steeds politieke partijen die veel zaken collectief willen aanpakken. Maar waarom zouden politici en ambtenaren het beter weten dan de mensen zelf? Ik geloof sowieso niet dat het goed is als anderen voor jou kiezen.’

Hij geeft het voorbeeld van de zorgverzekering. Dat er een naturapolis bestaat waarin de zorgverzekeraar bepaalt naar welke specialist of welk ziekenhuis een verzekerde moet, een polis dus waarin de verzekerde niks meer te kiezen heeft, vindt hij alleen verdedigbaar als er ook een verzekeringsvorm blijft bestaan die de verzekerde wél keuzevrijheid geeft. Dan kan de verzekerde immers zelf kiezen of hij wat te kiezen wil hebben als hij ziek wordt. Dat deze zogenoemde restitutiepolis duurder is, vindt Van Schie geen probleem. Voor mensen met een kleine portemonnee bestaat de vrijheid om voor deze polis te kiezen dan echter vooral op papier, zeggen zij die zich verzetten tegen wat zij zien als een tweedeling in de zorg.

Het gesprek komt vervolgens op de vrijheid van onderwijs en het grondwettelijke recht op bijzonder onderwijs. ‘Ik ben voor afschaffing van artikel 23 over de vrijheid van onderwijs, omdat ik graag wil dat kinderen worden opgevoed tot zelfstandig denkende mensen. Christelijke scholen vinden dat intolerant van mij, zij beschuldigen mij ervan dat ik iedereen liberaal wil maken. Maar mijn doel is helemaal niet dat ik mensen van hun geloof af wil brengen. Maar zolang artikel 23 in de grondwet staat, vind ik wel dat deze christelijke scholen vervolgens vanwege hun grondslag mogen bepalen dat ze geen homoseksuelen voor de klas willen. Als je vindt dat scholen die opvatting niet mogen uitdragen, moet je consequent zijn en artikel 23 uit de grondwet halen.’

Bij d66, zegt Hollander, gebruiken ze liever niet het beeld van de mens als kuddedier. ‘Dat slaat dood. Het gaat niet in op het gegeven dat mensen, die op basaal niveau veelal dezelfde behoeften hebben, daarbinnen toch willen kunnen kiezen.’ Maar voor een d66’er hoeft die keuzevrijheid niet te leiden tot zestien miljoen verschillende leefstijlen, woninginrichtingen en kledingmodes. Dat individualisering per definitie zou leiden tot pluriformiteit onderschrijft ze niet.

Volgens Hollander wil d66 oog hebben voor het gegeven dat mensen op vrijwillige basis samen dingen gaan doen: een broodfonds oprichten, energie opwekken in de eigen wijk, een eigen crèche oprichten waar de ouders zelf bij toerbeurt op de kinderen passen. ‘Dat doen ze los van de staat, los van de markt.’ Volgens Hollander vindt d66 dat oog hebben voor de ander en voor de eigen omgeving en daarvoor zelf initiatieven ontplooien, bijdraagt aan de vrijheid van het individu. ‘Een individu dat los staat van de ander kan niet vrij zijn.’

Hollander vindt het interessant om vervolgens na te denken over de vraag of de politiek dit soort initiatieven moet faciliteren in plaats van ze te vermalen, zoals in haar ogen nog te vaak gebeurt. ‘Individualisering ontslaat de overheid niet van de plicht om dingen te doen. Het zal echter per situatie anders zijn. Soms zal een overheid kunnen helpen met regels of juist het wegnemen van regels, soms met een beetje subsidie, maar soms is aandacht vestigen op een eigen initiatief van mensen al genoeg.’

Ze gaat in op een dilemma rondom de ouderparticipatiecrèche, waar ouders, andere familie en vrienden zelf de diensten draaien. ‘Er zijn voor kindercrèches ooit regels opgesteld ten aanzien van de veiligheid. Dat zijn echter regels voor het geval dat onbekenden op jouw kinderen letten. Moet je die regels dan ook toepassen op de ouderparticipatiecrèches? Nu keren de heersende regels zich tegen dit soort initiatieven die mensen onderling nemen. Dat komt door een overheid die worstelt met de vraag tot waar ze aanspreekbaar is. Wat als een van die ouders toch kwaad in de zin heeft? Wie is er dan verantwoordelijk?’

Dat individualisering zou leiden tot een samenleving zonder moraal, klopt volgens Hollander niet. Ook sociaal-liberale d66’ers denken volgens haar na over goed en fout: ‘Maar wij vinden dan dat een oordeel over goed of fout tot stand moet komen in het publieke debat en niet door de staat mag worden opgelegd.’

Je zou kunnen zeggen dat waar vroeger christelijke opvattingen dominant waren er nu nieuwe meerderheden zijn ontstaan met andere dominante opvattingen. Van Schie ziet dat ook gebeuren: ‘Neem de Gay Pride. Die moet iedereen maar leuk vinden. Ik vind dat mensen homoseksualiteit moeten mogen afkeuren. De dominante opvatting heft niet het recht op afkeuring op. Dan wordt het intolerantie. Die persoonlijke afkeuring mag echter nooit worden omgezet in geweld of een verbod op het samenleven van homoseksuelen.’


Beeld: Uit de serie Fotonotities van Hans Eijkelboom. Fotonotitie 13 september 2006, Parijs, Champs-Élysées (Hans Eijkelboom).