Kantelbok ‘mijn roman is een tekstuele opstand tegen de geschiedenis’

Etienne van Heerden, Casspirs en campari’s. Vertaald uit het Afrikaans door Riet de Jong-Goossens, Uitgeverij Meulenhoff, 543 blz., f55.
In de nieuwe roman van de Zuidafrikaanse schrijver Etienne van Heerden, Casspirs en campari’s, praten twee hoofdpersonen over het Zuidafrikaanse volkslied: ‘Uit het blauw van onze hemel, uit de diepte van onz’ zee/ Over onze eeuw'ge bergen waar de transen antwoord geven/ Door onze verre verlaten vlakten met de kreun van ossewagens Ruist de stem van onz’ geliefde, van ons land Zuid-Afrika.‘

‘Het opvallendste’, merkt een van de personages op, 'is de afwezigheid van mensen: bewoners, inwoners. Aanwezig is het landschap: zee, vlakten, bergen… dat zijn de elementen die de noemer Zuid-Afrika vormen. De hemel is blauw, en blauw betekent immers oneindigheid; de zee is onpeilbaar diep, de bergen zijn eeuwig, de vlakten zijn enorm, verlaten en uitgestrekt… En binnen die oneindige geografische leegte bevindt zich het enige menselijke element - de ossewagen: het symbool van de blanke Voortrekker, van Afrikaner nationalisme, van territoriale wellust. Waar zijn de zwarte mensen die hier gewoond hebben?’
Van Heerdens roman speelt in de jaren tachtig, de jaren waarin heel Zuid-Afrika de adem inhield. De politieke situatie moest veranderen, maar niemand wist wanneer het zou gebeuren. Van Heerden: 'De wanhoop van het wachten was in die jaren het grootst. Er waren voortdurende geruchten over een staatsgreep. De samenleving werd steeds verder gemilitariseerd. Het was het donkerste uur, voor de geboorte. De tijd waarin de vrouwen van militairen brievencampagnes voerden tegen schrijvers die ze niet voldoende patriottisch vonden. Het einde kwam met de vrijlating van Mandela. Dat was een werkelijke verlossing. Onze naieve vreugde hield geen rekening met de complexiteit van de overgang, met de enorme omvang van de verandering. Het is niet alleen de politieke werkelijkheid. De hele gezondheidszorg bijvoorbeeld moet veranderen, in plaats van hoogwaardig technologisch onderzoek naar onvruchtbaarheid moet er meer aandacht komen voor de basisgezondheidszorg voor iedereen. En alle geschiedenisboeken moeten worden herschreven.’
Van Heerden beschrijft in zijn roman de jaren tachtig vanuit het perspectief van dertigers in de reclamewereld, de literatuur en het zwarte verzet. Al die stemmen praten door elkaar in vaak korte hoofdstukken, waarvan de titels klinken als reclameslogans. Van Heerden: 'Mijn roman is een tekstuele opstand tegen de gecanoniseerde geschiedenis. Ik bedien me daartoe van cliches. De alliteratie in de titel is al een verwijzing naar reclameslogans. Postmodernistisch populisme, dat is wat ik zoek.’
Van Heerden schrijft, zoals een Zuidafrikaanse recensent het noemde, in 'het soepgladde slang van die dagen’, ofte wel in het yuppie-dieventaalje van de pijlsnelle reclamejongens en -meisjes die zich steeds minder blind kunnen houden voor het oprukkende geweld van de Casspirs (pantserwagens van het leger) in de townships. Op de mediapartijtjes drinkt men campari, het reclamebureau, de liegfabriek, viert het binnenhalen van een nieuwe opdracht, 'Project Charme’, bedoeld om de uitstraling van de president te verbeteren.
Casspirs en campari’s is radicaal anders dan Van Heerdens eerdere grote roman De betoverde berg, dat de rauwe geschiedenis vertelt van een Afrikaner grootfamilie in gevecht met de elementen op de plaas, de boerderij. Hun belevenissen worden afgewisseld met de geschiedenis van een zwarte familie, dichtbij levend maar veraf in de beleving. Casspirs en campari’s beschrijft daarentegen in een spervuur van impressies, gebeurtenissen en overpeinzingen het lot van een generatie, de generatie van Van Heerden zelf, waarover hij zegt: 'Wij zijn gewone jonge mensen, geboren na de overwinning van de Nasionale Party in 1948 en het begin van de Grote Apartheid, gevormd in onze schooljaren tijdens het bewind van Verwoerd en losgelaten op het verbrokkelende Zuid-Afrika van de jaren zeventig en tachtig. Wij zijn te cynisch om echt materiaal voor een strijd, welke strijd ook, te zijn. Hoe kunt u van zo'n duffe generatie grote literatuur, lange romans die een helende en hoopvolle visie bieden, verwachten? Nee, verwacht eerder versplintering, inertie, bespiegelingen, korte verhalen, schetsen, als momentopnamen, flitsen, grepen uit het geharrewar.’
Toch is een lange, helende en hoopvolle roman schrijven precies datgene wat Van Heerden heeft gedaan, ook al is die opgebouwd uit 'grepen uit het geharrewar’. In Casspirs en campari’s lopen echte mensen rond, met herkenbare emoties, angsten en gedachten, maar ook karikaturen van immense proporties. De zakenman Groot Bill bijvoorbeeld, belangrijke klant van het reclamebureau, en Lena, de architecte die design voor werkelijkheid aanziet en zich iedere minuut van haar leven gedraagt alsof ze door een geheime camera wordt gevolgd. Van Heerden: 'Het zijn verschrikkelijke karikaturen, maar Groot Bill bestaat wel in Zuid-Afrika. Lena is de uiterste vorm van het conditionerende in de reclame.’
Van Heerden is in recensies vergeleken met Tom Wolfe (The Bonfire of the Vanities), Marquez, Rushdie en Thomas Mann. Van Heerden: 'Ik vind het zelf veel meer liggen in de lijn van Doctorow, de schrijver van Ragtime. Het staat in de traditie van de Amerikaanse faction. Het motto van het boek is ook: “Natuurlijk is het gebeurd. Natuurlijk is het niet gebeurd.” De geschiedenis is een veelkantige aangelegenheid. Het is belangrijk om de invloedrijke Zuidafrikaanse mythen af te breken. De mythe van Zuid-Afrika alsook die van Israel. Het is de mythe van het onbevolkte Afrikaanse landschap dat voor de blanke is bestemd, de mythe van de blanke die beter en slimmer is dan de zwarte, en de mythe van de bijbelse opdracht die de blanken in Zuid-Afrika vervullen.’
Van Heerden is docent Afrikaanse en Nederlandse letterkunde aan de Rhodes Universiteit van Grahamtown, van oudsher een betrekkelijk liberale, Engelssprekende gemeenschap. De zwarte bevolking is Xhosa; de aanhang van het ANC is groot in Grahamtown. Van Heerden schrijft in het Afrikaans, hoewel zijn moeder Engelstalig was. Van Heerden: 'Ik weet niet of ik mezelf Afrikaner wil noemen. Ook de taal is besmet. Het was het verplichte Afrikaans op de scholen dat in 1976 in Soweto de lont in het kruitvat aanstak. Ik heb last van de opdracht om voortdurend Zuid-Afrika te verduidelijken. In mijn werk, in het buitenland. Het parafraseren van Zuid-Afrika is dodelijk vermoeiend. We leven voortdurend op de grens van de totale burgeroorlog, het land wordt verschraald tot het politieke toneel. Ook mijn boeken treft dat lot. Maar Casspirs en campari’s gaat ook over liefde en reclame, maar dat wordt niet opgepikt. Op de een of andere manier krijgen mensen in de Verenigde Staten en in Europa altijd vraagtekens en uitroeptekens in hun ogen als ze met een Zuidafrikaan te maken hebben.’
Van Heerden, in Amsterdam voor de presentatie van zijn boek, voelt zich allerminst plezierig, zo ver van zijn huis en zijn dierbaren. 'Het kan nog altijd iedere dag misgaan. Van de situatie in Boputhatswana wordt nu gezegd: gelukkig is het weer opgelost. Misschien is dat zo, maar we zijn wel weer vele tientallen doden verder. Ik zie er volstrekt niet tegenop om onder een ANC- regering te leven. Maar de economische ellende is enorm. Er ontstaat een nieuwe elite, ook vanuit het ANC. De zwarte gemeenschap verwacht heel veel van het ANC, maar hoe kun je werkelijk grote zaken realiseren in vijf jaar? Een regering van het PAC (Pan African Congress, de radicale zwarte beweging - jvk) zou voor mij weleens de ondergrens kunnen betekenen, ik weet niet of het dan nog mogelijk is om in Zuid-Afrika te leven.’
De generatie die Van Heerden beschrijft, zijn eigen generatie, komt er niet erg rooskleurig af. Maar over zijn eigen studenten is hij al evenmin te spreken: 'Mijn studenten zijn vaak schokkend conservatief. Hier in Amsterdam is alles, in Zuid-Afrika moet je echt moeite doen om een paar indrukken te krijgen die meer bieden dan de Amerikaanse televisie. Het is makkelijk om met oogkleppen op te leven. Bij ons op de universiteit is ongeveer dertig procent van de studenten zwart, men gaat tamelijk normaal met elkaar om. Maar er is een groot verschil met blanke studenten. Die krijgen gewoon een glazige blik in de ogen als ik een geengageerde tekst met ze bespreek. Het initiatief van de geschiedenis is hun totaal uit handen geslagen, dat voelen ze, al is het onbewust. Het is een blanco generatie. Ze spelen rugby, ze jagen, ze denken niet na. Ze uiten hooguit nog iets in cynische grappen. Zo zeggen ze bijvoorbeeld: er is goed en slecht nieuws; het slechte nieuws is dat we na de verkiezingen in de townships moeten gaan wonen, het goede nieuws is dat de helft van onze spullen daar al is. De zwarte jeugd is anders, die reageert, voert discussies, is zwaar gepolitiseerd.’
Van Heerden beoefende eerder het genre dat in Zuid-Afrika 'grensverhalen’ wordt genoemd. In zijn verhalenbundel De witte aap vertelt bijvoorbeeld een Zuidafrikaanse soldaat zijn gevangen Cubaan, die hem niet verstaat en niets terugzegt, over de operatie in Angola, de wreedheden, het geweld. Het grensverhalengenre was een mooi voorbeeld van de valstrikken waarmee de literatuur geconfronteerd werd in het oude Zuid-Afrika. Van Heerden: 'Breytenbach zat in de gevangenis, maar dat was geen enkel beletsel voor zijn rol als culturele held. Ik was student in die tijd, wij volgden colleges over zijn werk. Er werden seminars over gehouden. De grensverhalen waren in het begin verboden. Wij hadden immers niets met Angola te maken. Zelfs mijn moeder, die toch geen naieve vrouw is, zei dat. De minister had zelf gezegd dat we niet in Angola en Namibie aanwezig waren. Later werd het omgedraaid, toen werden grensverhalen ook geschreven door degenen die ons heldendom in Angola en Namibie verheerlijkten.
In een liberale gemeenschap als de universiteit van Stellenbosch was het racisme nogal bedekt. Ik was redacteur van het verlichte universiteitsblad, maar toch het was niet de bedoeling dat we foto’s plaatsten van een rugbywedstrijd tegen het team van de universiteit van Kaapstad, want die hadden een gemengd team. Het zou de sponsoring van de universiteit in gevaar brengen, werd er dan bij een drankje en een sigaar tegen je gezegd. In alle vriendelijkheid.’
Van Heerden is over de effecten van de culturele boycot ambivalent: 'We waren afgesneden van ons literaire stamland. Ook Casspirs en campari’s is qua receptie en produktie Nederlands. Ik was jong in de tijd van de boycot, na de schrijversbijeenkomst met het ANC werd het allemaal beter. Maar ik weet niet of het werkte. Ik heb wel eens gedacht, de regering is zo volstrekt cultuurloos, die kan het helemaal niets schelen. Degenen die getroffen werden, waren de intellectuelen.’
Van Heerden trof bij de Victoria-watervallen in Zimbabwe, tijdens de schrijversbijeenkomsten met het ANC, het Afrika waar hij zich thuis voelde, veel meer dan in het gesegregeerde Zuid-Afrika. 'Daar, bij die machtige Victoria-watervallen, dacht ik: dit is mijn eerste bezoek aan Afrika. Het was een soort thuiskomst, je valt samen met de omgeving, met jezelf, met Afrika. Je bent in een zwart land, met zwarte mensen en een zwarte meerderheidsregering.’
De boeken van Van Heerden zitten dicht op zijn eigen leven. De betoverde berg noemt hij zelf 'een afrekening met mijn familiegeschiedenis’. De boerderij, die al acht generaties lang in het bezit van zijn familie is, wordt nu beheerd door een neef, lokale kandidaat voor de Conservatieve Partij, hetgeen de conversatie er niet eenvoudiger op maakt. 'De politieke situatie verscheurt waarschijnlijk de meerderheid van de families in Zuid-Afrika.’ In Casspirs en campari’s worden in het hart van de liegfabriek en in aangrenzende domeinen de discussies gevoerd die Van Heerden zelf voerde: 'Onze erfzonde is te groot, om uit het treurige interregnum van de jaren tachtig te breken, naar de nieuwe visie aan de andere kant van de blinde hoogte van het decennium. Wanneer we een enkele keer met de mensen van de Struggle (de zwarte verzetsbeweging - jvk) in aanraking komen, worden wij, beslist de meest cynische generatie Afrikaanders die ooit heeft bestaan, afgeschrikt door hun verbeten geloof in hun strijd, de voor ons naief aandoende aanbidding van de leiders, de ononderbroken stroom cliches. Wij zijn bang, in het aangezicht van wat wij ervaren als fanatisme, om weer slachtoffer te worden van het houvast in mythes en geestdrift, slachtoffers zoals onze ouders en voorouders, die met diezelfde revolutionaire gloed een van de meest onderdrukkende politieke stelsels ter wereld tot een sophisticated levenswijze hebben verfijnd.’
Van Heerden weet niet of hij zijn Europese lezers wel begrijpt. 'Ik sukkel met de symbolische functie van Zuid-Afrika voor Europeanen. Het lijkt wel het weggeredeneerde slechte deel van jullie zelf. In een ander, niet vertaald boek van mij gaat het over de “kantelbok”. Dat is een bok die flauwvalt als hij schrikt en dan een minuut of vijf buiten bewustzijn blijft. Men laat de bok samen met de schapen grazen, want als er dan een roofdier in de buurt komt, valt de bok flauw en wordt hij opgegeten, terwijl de schapen ongemoeid worden gelaten. Dat leek me wel een goed beeld voor Zuid-Afrika. De kantelbok is offerbok en zondebok tegelijk.’