De stad Tijdlagen in de architectuur

Kantelen, uitbreiden, afmeren

Amsterdamse grachtenhuizen tonen de functionele gelaagdheid van de geschiedenis. Kraanspoor en REM-eiland voegen nieuwe hoofdstukken toe aan de tijd: symboliek en anekdotiek. Door

Geen woningtype dat zo flexibel is als een (Amsterdams) grachtenpand. Heel Nederland, buiten de hoofdstad, mag dan zijn aanmerkingen hebben op het vermeende elitaire karakter van de grachtengordel, een feit is dat die halve maan ruim vier eeuwen functioneert, beweegt en verandert. Hij leeft. Het is dan ook volkomen terecht dat volgend jaar, het jubeljaar 2013 (als alle grote musea in Amsterdam weer open gaan) tegelijk het vierhonderdjarig bestaan van de grachtengordel wordt gevierd. Het is het visitekaartje van Amsterdam geworden, of de pvv dat nou leuk vindt of niet. De halve cirkel is misschien wel de grootste toeristische attractie van Nederland – de bollenvelden even niet meegerekend, maar die zijn slechts anderhalve maand in trek.

Dat Unesco besloten heeft het hart van Amsterdam op de Werelderfgoedlijst te plaatsen, is niet zonder betekenis. Daarmee wordt in zekere zin erkend dat een menselijke schepping eeuwigheidswaarde heeft gekregen – Unesco beschermt ook natuurgebieden – maar dat deze historisch gegroeide situatie leeft. Je kunt veel van de grachtengordel zeggen, een dooie/bevroren boel is het niet geworden. Er zijn genoeg historische steden te bedenken die, hoe prachtig ook, zo dood zijn als een pier. Of erger nog, die uitgegroeid zijn tot toeristische pretparken – Venetië is hierbij steevast het treurig stemmende voorbeeld.

Dat ligt voor een groot deel aan de dynamiek van de bewoning. Hierbij moet ik mijn eigen grachtenhuis aanhalen, bouwdatum vermoedelijk rond 1680, dat als een vondeling door de gemeente Amsterdam was achtergelaten. De gemeente betrok een nieuw stadhuis op het Waterlooplein en had de percelen rondom en in het huidige Hotel The Grand niet meer nodig. Maanden, ja zelfs jaren kwam er post binnen voor het Verzetsmuseum dat er tijdelijk gevestigd was, voor de Stichting ’40-’45, voor de Stichting Oorlogsslachtoffers en voor de geheimzinnige Stichting Bijzondere Noden. Er bleken zich al die decennia tal van organisaties in het huis te hebben opgehouden. Het was een labyrint van kantoortjes, bureautjes, tussenwanden en stellingkasten.

Zo was het niet gebouwd. In de zeventiende eeuw stichtte een koopman het pand om er een handel in velours te beginnen (en vermoedelijk ook tabak). Bewoning op de bel-etage, nering op de begane grond, de waren en het bedienend personeel op zolder. Zo zijn veel grachten­huizen in Amsterdam begonnen, werk aan huis avant la lettre. Op een dag stond er een oudere vrouw door de ramen van de benedenburen te gluren: ze kon vanaf het bordes net binnen kijken. ‘Ik heb hier gewerkt’, legde ze uit. ‘Ergens begin jaren zestig.’ Ze was secretaresse geweest van een onderneming die concessies in de wacht sleepte van zink-, lood- en tinmijnen overal ter wereld. Op de bel-etage waar de handelaar in velours zijn pronkkamer had ingericht, was de vergaderzaal met een wereldkaart die aangaf waar de mijnen lagen. Links van de voordeur naast de monumentale gestuukte hal was een postkamer geweest, rechts zat de boekhouding waar zij haar bureau had gehad. Toen ik haar de gebeeldhouwde hal liet zien, verzuchtte ze: ‘Niets veranderd, en toch helemaal anders.’

Het is exemplarisch voor de gedaantewisseling die grachtenhuizen ondergaan. Ze beginnen als woonhuis/kantoor, ze schuiven op naar de functie van (hoofd)kantoor alleen, en vervolgens veranderen ze in appartementen of hotels. De geschiedenis en het wisselende gebruik leggen lagen op elkaar. Terwijl de buitenkant grotendeels hetzelfde blijft, rommelt het in het inwendige – voorzover de historische details dat toelaten. Wij zijn passanten, wij zijn tijdelijke bewoners van een stuk erfgoed dat het ons gunt er even gebruik van te maken, heb ik wel eens gezegd. Grachtenhuizen overleven ons allemaal.

Dat is wel anders geweest. Eind jaren zeventig dreigde Amsterdam ontvolkt te raken, door speculatie met (lege) panden, verkrotting en de hoge prijzen waardoor bewoners wegtrokken naar slaapsteden als Hoorn, Heerhugowaard en Purmerend. Grachtenhuizen waren toen voor een appel en ei te koop, mits je bereid was veel geld in het onderhoud te steken. Toen aan die situatie een eind kwam, onder meer door pressie uit de kraakbeweging, kon er een nieuwe bloeitijd beginnen. Ineens kon er gewoond worden op een van de mooiste plekken van het land. De revival van de historische binnenstad brak aan, en niet alleen in Amsterdam. Dat kwam voor een deel door het inzicht dat deftig ogende grachtenhuizen in staat waren zich aan te passen.

Het woord dat toen gebezigd werd, was stadsvernieuwing. Niet alleen in de zeventiende-eeuwse binnenstad, maar vooral in de negentiende-eeuwse wijken sloeg het nieuwe elan toe. Het heeft niet altijd verheffende staaltjes architectuur opgeleverd – hier werd geen laag aan de geschiedenis toegevoegd maar een laag weggekrabd, gesloopt. Dat uitgerekend in deze gebieden de afgelopen tien jaar vooral een historiserende architectuur is toegepast, is dan ook te verklaren uit het feit dat we kennelijk behoefte hebben aan geschiedenis, ook al is dat een kunstmatige.

Stadsvernieuwing is gevolgd door stedelijke herontwikkeling en die weer door herbestemming en hergebruik. De stad is bezig om zichzelf voortdurend uit te vinden, nu meer dan ooit. Haventerreinen zijn omgetoverd in woon­wijken, rangeerterreinen eveneens, zieken­huizen of kloosters veranderen in appartementen en kantoren in studentenflats: het lijkt wel of de stedelijke samenleving op drift is geraakt. Dat is de wens tot vernieuwing en verandering. Tegelijk is er een behoefte aan nostalgie en authenticiteit, een begrip dat filosoof Maarten Doorman in zijn jongste boek Rousseau en ik in een kwaad daglicht heeft gesteld. Niet helemaal ten onrechte, want wat we als authentiek ervaren is dat vaak niet; vaak is dat gereconstrueerd of gekopieerd. Bovendien zijn authentieke elementen in een stad vaak geïsoleerde objecten geworden, losgezongen van hun oorspronkelijke betekenis. Een beeld dat ooit op een gevel stond en opnieuw is ingemetseld, een havenkraan op een kade waar geen schip meer zal aanmeren, een scheepsanker op de plek van een vroegere en vergeten werf. De stad is ermee bezaaid.

De pakhuizen in het Oostelijk Havengebied zijn goed beschouwd alleen de huls van een stuk nostalgie. Binnen herinnert niets meer aan hun oorspronkelijke functie. We kijken naar een façade die authentiek aandoet, maar het niet is.

Het kan ook anders: we hoeven niet te zwelgen in het verleden. Je kunt er ook een slinger aan geven. In de Houthavens en in Amsterdam-Noord laten twee projecten dat op een vindingrijke manier zien: Kraanspoor op de voormalige ndsm-werf en het rem-eiland in de Houthavens. In 2007 besloot het architectenbureau oth (Trude Hooykaas) een kolossaal betonnen platform voor het afbouwen van schepen, dat al jaren ongebruikt was, te transformeren tot fundament voor een langwerpig glazen kantoor. Het resultaat is een overrompelend nieuw complex dat zich graag leent als decor voor films, zoals recentelijk nog in de serie Mixed Up (ncrv). Het skelet dateert uit 1952 en was nog in redelijk goede staat toen corporatie De Key het idee van oth oppakte en het gebruiksklaar maakte. Vier liften voeren de gebruikers, onder meer personeel van idtv, omhoog. Dat de uitstraling en de architectuur zo imponeren, komt door de ligging van Kraanspoor, als een afgemeerd cruiseschip aan de kade, en door de ongebruikelijke vorm: een spoorfundament van maar liefst 270 meter lang dat een kantoor optilt. Kraanspoor is een gestroomlijnd stuk architectuur dat niet letterlijk de geest van de havens heeft opgepakt, maar symbolisch.

Het rem-eiland kent zijn oorsprong in 1964, een jaar na de oprichting van de Reclame Exploitatie Maatschappij. Daaraan zijn illustere namen verbonden als Cornelis Verolme, Reinier Zwolsman en Sidney van den Bergh, figuren die in die dagen vrijwel wekelijks opdoken in het Stan Huygens Journaal van De Telegraaf. Want vrije, brutale heren met grote sigaren waren het die via dit platform commerciële radio en televisie Nederland wilden binnenloodsen. Een Nederland dat nog maar één televisienet en twee radiozenders had. Het eiland werd gebouwd in het Ierse Cork en in 1964 versleept naar de Noordzee waar vanaf 15 augustus 1964 de eerste uitzendingen plaatsvonden. Hier ligt de oorsprong van de Tros toen de regering uiteindelijk dergelijke invasies van de ether verbood.

Sindsdien deed het eiland dienst als meetpost, ironisch genoeg eigendom van de Nederlandse staat, om de hoogte van de golven, de watertemperatuur en het zoutgehalte te meten. In 2004 kwam ook aan die geschiedenis een eind en werd het eiland te koop aangeboden. We zouden niets meer van dit curieuze stukje historie hebben gehoord, aannemende dat roest zijn werk had gedaan, totdat De Key (opnieuw) het skelet aankocht en in Delfzijl liet verbouwen. Er kwam een verdieping bovenop, vervolgens werd het versleept naar de Haparandadam bij het IJ. Bijna vijftig jaar na dato zijn dan toch nog de illegale radiopioniers aan wal geraakt, in de gedaante van het platform. De radiomakers hebben Hilversum bereikt, het rem-eiland heeft keurig gefungeerd als springplank. Nu dient het een restaurant dat als een icoon in de Hout­havens staat en dat kan dienen als katalysator voor de wijk in wording.

Laten grachtenhuizen zien dat ze functioneel kunnen meedeinen op de golfslag van de tijd, Kraanspoor en rem-eiland voegen nieuwe hoofdstukken toe aan die geschiedenis. De laag die ze toevoegen is er een van symboliek en anekdotiek. Ze zijn restanten van een industrieel verleden die dat verleden achter zich hebben gelaten en een andere koers zijn gaan varen. Het is een nieuwe vorm van architectuur die tegenwoordig vaker opduikt, objecten die zich ingenieus laten transformeren. Ze vormen het bewijs dat architecten niet langer krampachtig met de geschiedenis omgaan, niet vast zitten aan de huls van nostalgie. Objecten, want dat zijn Kraanspoor en rem-eiland in feite, laten zich kantelen, uitbreiden of afmeren. Een nieuwe generatie komt eraan, woningen in watertorens of hotelkamers in brugwachtershuizen. De stad vindt zichzelf steeds uit. Dankzij een gulle voorraad uit de geschiedenis.