Kantelend zelfbeeld

Je kunt van Amsterdam naar Norwich vliegen, dat duurt ongeveer drie kwartier. Het kost ook nog eens geen drol. Maar ik moest en zou zo nodig ecovriendelijk reizen, dus duurde het zo’n acht (8) uur voor ik op de plek van bestemming aankwam, mede veroorzaakt door mijn enorme afkeer van de stad Londen, die me noopte een trein te nemen vanaf King’s Cross, en niet een snellere vanaf Liverpool Street, want dan had ik met de metro moeten reizen. Alleen al het idee in Londen met de metro te moeten reizen maakt dat ik misselijk word. Alle schrijvers die deelnamen aan Worlds waren ondergebracht in hotel The Maids Head, zonder apostrof. Achthonderd jaar oud, dat hotel, en dat was te merken ook. Ik was ondergebracht in een kamer aan een binnenplaats en op die binnenplaats stond een enorm apparaat te bulderen. Of ik een andere kamer mocht? Jazeker. Toen kwam ik in een kamer die aan de andere kant van de binnenplaats lag en daar had ik veel minder last van dat bulderapparaat omdat het raam niet open kon. Zo’n hotel.
In een column in Trouw voorspelde ik dat er één of twee schreeuwers, brallers tussen zouden zitten. Schrijvers die de hele tijd maar aandacht nodig hebben. De grootste schreeuwer heette XYZ. Toen hij – veel te laat – aankwam en vertelde dat hij naar het platteland was verhuisd, was het eerste wat ik tegen hem zei: ‘So that’s why you’re wearing a Monty Don-outfit.’ Zo’n gespeeld sjofel jasje, donkerblauw, iets te groot en iets te lang. Vervolgens begon hij mij te negeren en dat vond ik erg vervelend want ik vond hem verreweg de aantrekkelijkste Brit die aanwezig was. Ik wilde zijn aandacht, ik wilde door hem uitverkoren worden. I was vying for his attention, zeggen de Britten dan. Hij sloeg regelmatig bijeenkomsten (die elk anderhalf uur duurden en er waren er wel vijf op een dag) over. Hij wilde zich belangrijk voordoen, denk ik. Bellen deed hij ook veel, steeds zo half weglopen van het gezelschap, maar wel luid praten, zodat wat er besproken werd door ons opgevangen werd. Een alfa-mannetje. Hét alfa-mannetje.
David Colmer, vriend en Engelse vertaler, kreeg door dat ik hem niet moest. Wat deels zo was: vaak gaat zo’n wens om gezien te worden bij mij samen met een afkeer van het gedrag van de persoon in kwestie. Het werd dus een spel van betekenisvolle blikken en zo nu en dan een opmerking tussen David en mij. Op de laatste ochtend maakten we een boottochtje door een natuurgebied met erg veel riet. Dat ging met twee boten, omdat we niet allemaal in één boot pasten. XYZ nam natuurlijk plaats in de tweede boot, misschien wel omdat hij gezien had dat ik in de eerste boot zat. ‘Nou, jij hebt vandaag geen last van XYZ’, zei David. ‘Inderdaad!’ zei ik ferm, al wist ik niet precies hoe ik me daarbij moest voelen. Hun boot bleef steken in het riet, die groep kwam drie kwartier na ons terug bij het beginpunt. Toen ging XYZ meteen bellen en hij vertrok, want zijn vrouw had hem nodig.
Die avond zaten David, dichteres en literair agente Isobel Dixon en ik samen nog een afzakkertje te drinken. Het gesprek kwam natuurlijk op XYZ, want als je je gedraagt zoals hij gaan alle gesprekken over je. Ik kreeg het over dat rare negeren, en het gevoel dat er altijd wel de een of andere stille competitiestrijd gevoerd werd. En toen gebeurde het. Toen kwam er een voor mij zo’n enorm moment van inzicht dat ik nóg lang niet uitgedronken bleek te zijn. ‘You are taller than him’, zei Isobel. ‘And much more handsome.’ Dankjewel, zei ik. ‘Hij heeft natuurlijk ook het programmaboekje bekeken’, zei David. ‘Hij heeft jouw staat van dienst gezien. Jíj bent het alfa-mannetje.’ Wacht even, nu duizelde het me. Ik? Dus dat negeren kwam doordat XYZ aanvoelde of zag of erkende dat ik hoger in (literaire) rang stond? Razendsnel trokken eerdere bijeenkomsten met meerdere schrijvers aan me voorbij. Was dat dan altijd het geval geweest als er sprake was van die vreemde, stille competitiestrijd? Van negeren, van links laten liggen omdat in dit geval XYZ, maar eerder LLP of HHH of UTS in stilte die strijd al verloren achtte? Terwijl ik me altijd het Lulletje Rozenwater had gevoeld? Ik hapte naar adem en ging er verder niet op in, maar haalde nog een paar pinten aan de bar. Dit was iets om te verkraften tijdens mijn eenzame verblijf in Noord-Wales dat de dag erop zou volgen. Ik voorzag dat ik mijn complete zelfbeeld moest gaan herzien boven op Mount Snowdon.

De middag daaraan voorafgaand, aan het einde van de driedaagse praatsessies, heb ik de Britse en Gemenebest-schrijvers er fijntjes nog even op gewezen dat Worlds een internationaal programma is. Dat het wellicht raadzaam is een volgende keer niet uitsluitend Dickens of Shakespeare of Keats als voorbeelden aan te halen tijdens hoogintellectuele gesprekken. Dat er, in feite, een complete wereld aan literatuur ligt voorbij alle zeeën en oceanen die het Verenigd Koninkrijk scheiden van de rest van de wereld. Of nee, beter, die zeeën en oceanen scheiden de UK niet van de rest van de wereld, ze zorgen ervoor dat de UK geïsoleerd ligt en het was toch zeker een schande dat er prijzen bestaan die Three Percent heten, zijnde het aandeel vertaalde boeken in het complete Britse en Amerikaanse boekenaanbod. Lees eens buitenlands! riep ik. Lees Finnen en Zweden en Nederlanders natuurlijk vooral, maar ook Portugezen en Chinezen en Oekraïners voor mijn part! Of ze hier, in dit land, wel door hadden dat er elders op de wereld ook boeken geschreven werden? Dat je ook een Thomas Mann kon aanhalen als voorbeeld van het een-of-ander, of Fernando Pessoa of Arto Paasilinna? De rest van de week was ik nogal stil geweest, mede door de aanwezigheid van XYZ, die nogal bedreigend en intimiderend op mij werkte. Er werd dus ademloos (lees: verbaasd) naar me geluisterd. XYZ had stuurs naar de papieren voor hem op tafel gestaard. Niet één keer heeft hij me aangekeken. En die avond kantelde alles. Een zelfbeeld op de schop.