Kapitalistenkermis in casablanca

Een snack die in Oost-Jeruzalem een gulden kost, koop je in het joodse deel van de stad voor een riks. En een Israeli zou het bankstel dat hij zojuist kocht veel goedkoper hebben kunnen kopen als hij bij een Arabische winkel was binnengelopen. Maar hij durft niet.

Het prijs- en loonverschil weerspiegelt een door angst gespleten economie. De verschillen zijn nog absurder aan weerszijden van de muren die de economieen van de Arabische staten scheiden van die van Israel - en van elkaar. Onbelemmerde uitwisseling van kapitaal, goederen en diensten kan deze verschillen verkleinen. De zachte hand van de markt, aldus de liberale heilsleer, zou ieder brengen tot specialisatie in die produkten die hij het goedkoopst kan aanbieden.
De economie van interdependentie en samenwerking komt dezer dagen wellicht een stapje dichterbij door de kapitalistenkermis die de Marokkaanse koning bijeenriep. De betekenis van de economische conferentie in Casablanca is vooral symbolisch. Het openbaar onderonsje van Rabin, Peres en Arafat is een zoveelste piek in het emotionele leven van Israel, dat heen en weer wordt geslingerd tussen terreuraanslagen en politieke doorbraken als vrede met Jordanie.
Eenvoudige logica dicteert dat economische verstrengeling een waarborg tegen oorlog is. Ook al is het niet zeker dat economische vooruitgang in de Palestijnse gebieden een succesvol vredesproces garandeert, het omgekeerde is in ieder geval waar. Misere vormt een goede voedingsbodem voor extremisme. Omzetting van deze abstracte logica in maatschappelijke realiteit is echter een zware klus.
Regionale vrede door welvaart is een mooi idee, maar er is enorm veel geld nodig voor de diverse ontwikkelingsprojecten. Aller ogen zijn op Europa gericht, maar Europa’s ontwikkelingsgelden zullen eerder naar Oost- Europa dan naar het Midden-Oosten vloeien. De Arabische wereld zelf staat nog aan het begin van economische integratie. De Arabische staten drijven weinig handel met elkaar. Door de afwezigheid van industrie hebben ze elkaar niet veel te bieden. Massale wapenimporten, gesloten grenzen en het ontbreken van een deugdelijke infrastructuur maken het beeld niet rooskleuriger.
Maar economische integratie van de Arabische wereld onderling gaat aan integratie met Israel vooraf. Peres en zijn visionaire technocraten mogen dan grandioze dromen koesteren over economische expansie naar de Arabische wereld, het is twijfelachtig of de Arabische volkeren te porren zijn voor een samenwerkingsmodel waarin Israel zijn know-how en kapitaal koppelt aan de goedkope arbeid van zijn buren.
Samenwerking is goed mogelijk op het gebied van toerisme, transport, irrigatieprojecten en dergelijke. Israels economie drijft echter eerder in de richting van West-Europa en de VS dan van het Midden-Oosten. Palestijnen kunnen goedkope schoenen en bloemen leveren, maar Israel zal zich voor zijn voedselvoorziening niet van hen afhankelijk willen maken. Arabische economieen willen wellicht van Israels landbouwtechnologie leren, maar missen de koopkracht voor Israels computers en luxeprodukten.
De afbraak van de economische muren zal alle betrokken landen goed doen en het vredesproces helpen onderbouwen. Het proces zal echter veel langzamer verlopen dan Casablanca doet vermoeden.