Kapitalistisch realisme

Daniel Pennac, De woordenverkoopster. Uit het Frans vertaald door Mirjam de Veth. Uitg. De Brink, 379 pgs. f49,50.
De driftkikker die het redactielokaal komt verbouwen, heeft wel degelijk een reden zich te willen wreken: voor de zesde keer stuurde hij hetzelfde manuscript in en zelfs de klassieke truc van de omgekeerde pagina had men niet eens gecorrigeerd. Onze hoofdpersoon, Benjamin Malaussne, als zondebok ingehuurd om de klappen voor de uitgeefster (de ‘woordenverkoopster’) op te vangen, heeft echter ook een mooie truc: hij tovert de gemankeerde schrijver om tot literair criticus door hem zijn mening over een afgewezen manuscript van de redacteur zelf te vragen. Dat werkt altijd.

Voor de zondebok is echter een hogere taak weggelegd. De uitgeverij draait om een grootverkoper, van wiens werk per titel zo'n veertien miljoen exemplaren worden verhandeld. ‘Dat is J. L. Babel (J. L. B. voor zijn lezers), de schrijver die erin gaat als koek, die gelieven ’s ochtends in hun warme chocola dopen en bij wie Madame Bovary iedere avond inslaapt.’ Nu de verkoop in Frankrijk wat verslapt, zou een nieuwe impuls kunnen zijn dat de auteur zijn anonimiteit doorbreekt. Onze held wordt gevraagd diens prototype te worden, want de schrijver zelf, een minister, wil op zijn post blijven. Deze slimmerik heeft zestien jaar geleden een nieuw genre ontdekt: het Liberaal (of ook wel Kapitalistisch) Realisme. Hij schrijft het epos van het individuele fortuin en vergaart daarmee zelf een fortuin door, zoals hij zegt, het boekhouden tot epische kunst te verheffen. Bij het lezen van de staaltjes die Pennac van deze successtories geeft, vraag je je af waarom er nooit iemand echt aan begonnen is. Of misschien is het allang het meest beoefende genre.
De eerste helft van deze roman gaat vooral over de campagne voor J. L. B’s nieuwste bestseller, In de ban van de ping. Als de stand-in in dat kader optreedt in een sportpaleis, wordt hij beschoten. De rest van het boek ligt hij in coma; en passant wordt hij door een meester in de transplantatie als een oester leeggelepeld. Op het laatst komt hij toch weer tot leven dank zij een geslaagde overheveling van alle inwendigheden van niemand anders dan zijn moordenaar. En die moordenaar, zo weten we inmiddels, is de echte auteur van de fortuinboeken. In alle rust vervaardigde hij zijn pennevruchten in een modelgevangenis, opgezet en geleid door een man die zich tot doel stelde 'destructieve energie in creatieve scheppingsdrang om te zetten’. Zelf weet de criminele schrijver dat het niet meer dan broddelwerk is, hij doet ook niets anders dan de succesverhalen waarmee zijn vader hem vroeger vernederde, overschrijven, maar de minister onder wie de gevangenis ressorteert, zag er wel wat in - ook hij had zo zijn motieven die ver terug in de familie liggen.
Voor alles is wel een reden te bedenken, vaak meer dan een, een oorzaak komt nooit alleen, achter elk verhaal duikt een ander verhaal op, altijd is er wel iemand met een wraakoefening bezig, evenzovele knopen in de verhaallijnen, met als gevolg dat elke verklaring om zeep wordt geholpen. Het resultaat is pure slapstick, geestig, vol verrassende uitstapjes en formuleringen.
Een reeks van kettingreacties begon ermee dat een Servo-Kroatische oom van de zondebok in zijn wijk oude vrouwtjes, aan wier lot de politie weinig gelegen liet liggen, ter zelfverdediging van wapens voorzag. Als een inspecteur in burger een oudje wil helpen met oversteken, wordt hij neergeknald - en daarmee beginnen alle verwikkelingen. Maar die lagen al opgesloten in de schoot van het ongeregelde zootje waaruit het ouder- en bandeloze gezin van de zondebok bestaat. Het zal duidelijk zijn: zo'n boek valt niet te bespreken. Pennac begon ooit als leraar die op montere wijze uit de doeken deed wat je op school wel en vooral niet met literatuur kon doen; voorlezen en verhalen vertellen, waren zijn voornaamste remedies. Van het vertellen heeft hij sindsdien zijn beroep gemaakt - over de zondebok verschenen al twee eerdere boeken in vertaling.