Kapotte kies

De in het wit geklede figuur die zich met haak of boor over mij heen buigt. Brrr. Maar het dagelijks leven is bedreigender.

Toen de tandartsstoel horizontaal stond, ging het mis. Een fladderende sensatie, rare metalige smaak, gejaagde ademhaling…

Ik houd van controle. Ik houd zoveel van controle dat ik liefst mijn eigen huis zou bouwen, graag alleen ben – dan hoef je anderen niet te controleren – en bij gebrek aan eenzaamheid veel negeer (en als dat niet lukt de dingen liever zelf doe). Niet het type om half op z’n kop in een stoel te hangen en dan in zijn mond te gaan prutsen.

‘Laten we even stoppen’, zei ik tegen de mondhygiëniste. Want dat komt er ook nog bij: het was geen ingreep waarvoor ik plat lag. Tandsteen verwijderen is misschien onaangenaam, maar niet bepaald die ene scène uit Marathon Man.

De mondhygiëniste was een en al bezorgdheid en compassie, waardoor ik maar net de neiging kon onderdrukken om haar ten huwelijk te vragen. De grens tussen liefde en dankbaarheid is bij mij erg dun.

Maar daar gaat het nu niet om.

Drie jaar lang ging ik niet naar de tandarts, maar een maand geleden beet ik op iets en brak een stukje kies af. Ik kwam niet bij mijn eigen tandarts terecht, maar bij een vriendelijke man. De stoel ging plat en hij kon nog net naar mijn kies kijken voor ik overeind schoot. Een gesprekje volgde. Was lachgas een idee? Dat ontspande. Ontspanning… Bij de meeste mensen werkt dat, maar ik ben het type dat hyper wordt van een temestaatje. Ontspanning en ik, dat is geen goede combinatie.

Ik ging naar huis. Een week later brak de andere kant van de kies af.

Sneldrogende epoxy wordt keihard en daar kun je zonder veel gedoe een kies van maken. Mooi zou het misschien niet worden, maar dat was mijn gebit toch al niet. Sterk, dat wel. Maar niet de rij Hollywood-witte tanden die iedereen sinds de uitvinding van het bleken heeft. Met een zelfgeknutselde kies zou ik heel tevreden zijn. Ik moest natuurlijk een deel van mijn gebit desinfecteren en droog houden. En vervolgens moest ik natuurlijk een soort mal maken die…

Ontspanning en ik, dat is geen goede combinatie

Misschien was het toch beter om maar weer naar de tandarts te gaan.

Deze keer was het mijn eigen tandarts. Ze zei dat ze wel een uur bezig zou zijn. ‘Want dat is echt boetseren.’ Het klonk alsof ze er zin in had. Ik vertelde over de paniek. We spraken af dat ze stopte als ik mijn hand opstak. Over een week zou het gebeuren.

Het was een mooi gebaar, dat stoppen, maar het leek me sterk dat ik daarna fluitend weg zou kunnen lopen. Ik bedoel: met een half uitgeboorde vulling en een afgebroken kies naar huis gaan is zoiets als tijdens een blindedarmoperatie zeggen dat je het afhechten zelf wel doet.

De volgende dag begon ik te mediteren en aan het eind van de middag klom ik op de roeimachine die al maanden ongebruikt was gebleven. Mens sana in corpore sano. Aan mij zou het niet liggen.

In de tussenliggende twee weken kwam ik veel mensen tegen met tandartsangst. Waarom de tandarts? En waarom ik? Ik zie niet op tegen de pijn. Ik heb eigenlijk nooit iets. De laatste behandeling is van dertig jaar geleden, denk ik. En ineens die paniek. Na Marathon Man schoot me nu ook die scène te binnen waarin Tom Hanks op een onbewoond eiland is gestrand, last van zijn kies krijgt en die er met het ijzer van een kunstschaats (uit de lading van zijn vliegtuig) uitslaat. Ah, en natuurlijk Vestdijks Ivoren wachters. W.F. Hermans was ook niet dol op tandartsen. Kaeckebeke, uit Onder professoren, is eerst een slager van een tandheelkundige en daarna een opportunistische bureaucraat als rector. Hermans’ afkeer van tandartsen komt waarschijnlijk voort uit een foute tandarts die in de oorlogsjaren wordt omgebracht door de broer van zijn vriend, die daarna zelf wordt gegrepen en gefusilleerd.

Zou tandartsangst net zoiets zijn als een clownsfobie? Een onredelijk hevige emotie die… Zelfmoord komt onder tandartsen meer voor dan bij andere medische beroepsgroepen, lees ik in Marja Pruis’ Zachte riten. Ik weet niet of dat zo is. Een roman is zelden een goede bron van betrouwbare gegevens. Maar als het klopt, waarom zou dat dan zo zijn? Zijn zij net zo bang voor ons als wij voor hen? Hoewel: ik ben eigenlijk helemaal niet bang, althans niet voor de in het wit geklede figuur die zich met haak of boor over mij heen buigt. Ik vind het dagelijks leven veel bedreigender.

De grote test, twee weken later, verliep zonder problemen. Ik lag een uur in die stoel, negeerde de momenten waarop de stem in mij begon te smiespelen – kijk hoe je hier ligt, hoe lang zal het nog duren, je kunt niet ontsnappen, je bent machteloos – en toen ik weer buiten stond vroeg ik me af waarom nu niet en toen wel en…

Wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart, zegt Prediker. Zeg maar zoals Mickey Sachs (Woody Allen) in Hannah and Her Sisters, die te horen kreeg dat hij geen hersentumor heeft. Zijn assistente vraagt waarom hij desondanks tobt en hij zegt dat het bericht dat hij niet sterft hem juist bewust heeft gemaakt van zijn sterfelijkheid. Misschien nu niet, maar uiteindelijk wel. Nooit eerder is het bestaan zo zonder betekenis geweest. Wat het met de tandarts te maken heeft is me een raadsel. Om Remco Campert te parafraseren: ik weet het niet, maar ik voel het wel.