Kapsalon

Willem Frederik Hermans relativeert zijn eigen roem ergens door erop te wijzen dat als hij in Parijs een kapsalon binnenstapt er geen mens is die hem herkent. Je kunt je afvragen of dat in Groningen, Amsterdam of Den Haag anders zou zijn geweest. Zelf heb ik kappers en kapsters nooit kunnen betrappen op enige belezenheid, laat staan dat ze mijn hoofd, dat ze in een wastafel leggen en met shampoo beginnen in te zepen, ooit achter op een boek zagen.

Totdat ik, door een samenloop van omstandigheden, acuut naar een kapper moest, in Hoevelaken. Als Hermans nog leefde zou ik hem aanraden in Hoevelaken naar de kapper te gaan. Het was rustig en de eigenaar – een wat kalende man – reageerde verrast op mijn komst. Het gesprek meanderde aanvankelijk rond het weer. Ik vind dat een fantastisch gespreksonderwerp, en wat mij betreft mogen alle conversaties met onbekenden zich tot dat terrein beperken. Het weer is het laatste onderwerp dat de gemeenschap als geheel is blijven boeien. Zelfs voetbal is daar nooit in geslaagd. Het dwingt iedereen in een permanente rol van atmosfeerrecensent, die beoordeelt of het door de wind inderdaad ‘nog wel fris aanvoelt’, enzovoort. Welbeschouwd is het weer ook het enige domein dat we nooit in onze greep hebben gekregen. De laatste onbeheersbare machten zijn ook de laatste universeel bindende. Ze hebben de gedaantes van koudefronten, hogedrukgebieden en storingen. Al die sferische schommelingen overkomen ons, als onverwachte beloningen of onverdiende straf. Een dag voor het kappers­bezoek had ik een Brits rapport over de klimaatverandering gelezen; ik kwam niet helemaal onbeslagen ten ijs.

Maar toch, vroeg of laat nemen mensen ook met het weer geen genoegen meer, en vragen ze wat je ‘zoal doet’. Bij die vraag herinnerde ik me weer dat dit een van de redenen is waarom ik duizend keer liever naar een tandarts ga dan naar een kapper. Ik mompelde iets over ‘stukjes schrijven’, noemde wat namen van dag- en weekbladen waar de man allicht in de verte van gehoord had.

‘Juist!’ In de spiegel zag ik hem opgetogen knikken. ‘Nu weet ik het! Dan ben jij de schrijver van die boeken…’ Hij noemde twee titels. Zelfs de cijfers die daarin voorkomen had hij goed, wat geoefende presentators van literaire avonden maar hoogst zelden lukt.

Gelukkig ging het daarna gewoon over profane zaken. De man zou dit jaar voor het eerst weer zonder kinderen met z’n vrouw op vakantie, maar op het laatste moment ging dochterlief (17) toch mee, en zie dan maar iets te vinden waar je alle drie lol aan beleeft.

‘Gelukkig duurt dat voor mij nog even’, zei ik. Ik ging juist voor het eerst met een compleet gezin op reis.

De kapper schetste mijn voorland: ‘Als ze vijftien zijn gaan ze naar Terschelling. Het jaar daarop naar Salou. En op hun zeventiende gaan ze interrailen.’ Even onwrikbaar en voorspelbaar als de maanfasen, zo deed hij het voorkomen.

Mijn eerste vakantie zonder ouders had dezelfde bestemming als waar ik dit nu schrijf: de Belgische Ardennen waren mijn Salou. We gingen in een groep van acht tot tien man/vrouw. Ik zie ons nog gaan: een kleine volksverhuizing van koelboxen, gitaren en in lege melkpakken verstopte zakken wiet (we vreesden de douane), plus een hondje, waarvan ik me de naam vergeefs probeer te herinneren.

Een paar kilometer van waar ik dit schrijf is mijn eerste exemplaar van de Poésies van Arthur Rimbaud natgeregend. Ook de dicht­bundels van Baudelaire, Pessoa, Slauerhoff en Jim Morrison waren mee. Al die boeken staan nu met vochtkringen en gebobbelde bladzijden op mijn planken: de verregende dichters. De Ardennen waren volgens ons het land van de poètes maudits. Jacques Perk kwam hier toch, in La Roche? En had Rimbaud er ook niet iets mee te maken? Melancholie, drank, spleen, hallucinogenen… de hele rimram. Er was een jongen mee die net als ik gedichten schreef. We spraken erover terwijl we op lange boswandelingen het hondje uitlieten (hoe heette dat beest ook al weer? ik weet het niet, en net als bij Nabokov in Speak, Memory blijft die vergeten hondennaam me hinderen).

Soms als ik deze vakantie aan de oever van de Ourthe een geschikt kiezelstrandje zoek om te picknicken, zit er zo’n groepje opgeschoten pubers, met gitaren, pijpjes bier, lang haar – een bezoek aan de kapper was juist absoluut uit den boze.

Even wijkt mijn reflexmatige wrevel tegen dit soort tuig. En als ik meen een boek uit een tas te zien steken – is het poëzie? – herinner ik me de sfeer van die vakantie nog beter. Ik staar in het dal, loop over de bospaden, en daar schiet hij ineens te voorschijn, uit de ritselende varens, teruggeroepen na een uitzinnige jacht op konijnen: ‘Rákker! Rákker!’