Kapstok

De moderne doodsindustrie is tot in de details gepersonaliseerd. Niets voor mij. Zet mij maar in de hal. In pak.

DE DOOD gaat met weinig techniek gepaard. Als het leven ons ontvliedt worden we omringd door apparaten die ademhaling en voeding regelen, hersenactiviteit en hartslag bewaken en op commando pijn bestrijden. Maar als de beslissing is genomen dat hier geen zalf meer aan valt te verstrijken, treedt de techniek terug en zijn we aangewezen op de simpelste van alle hulpmiddelen: compassie, geduld en menselijke warmte.
Zo was het tenminste in het Duitse ziekenhuis waar de vader van mijn vrouw de geest gaf. Het ene moment stond zijn kamer nog vol met glanzend roestvrij staal, apparaten met groene en rode ledjes, druppelende flessen en fluisterende zuurstof. Nauwelijks een uur later was er alleen nog een bed, een paar stoelen voor de verslagen familie en een thermoskan koffie die ons moest bijstaan in wat ‘het wachten’ zou worden. Waar de verpleging eerst een vooral technische aangelegenheid leek, werd het begeleiden van het sterven een intiem proces. Alsof het verlies van al die techniek het mogelijk maakte dat persoonlijke aandacht en warmte zich konden doen gelden. Ik raakte er een beetje overdonderd door.
Ondertussen zat ik op een nondescript stoeltje en las een boek. Britten gaan in tijden van grote nood hevig thee zetten, ik grijp naar een roman.
Er was niet veel tijd geweest tijdens het pakken van de bagage en daardoor was een oude vertrouwde in de tas beland: Philip Roth’s The Counterlife. Een merkwaardige keuze, ontdekte ik in de sterfkamer, omdat die roman bestaat uit een aantal mogelijke versies van de geschiedenis van Henry, de broer van Roth’s regelmatig terugkerende karakter Nathan Zuckerman. Henry’s dichtgeslibde kransslagaderen stellen hem voor de keuze tussen medicatie die hem seksueel zal verlammen of een ingrijpende en wellicht gevaarlijke operatie. Een leven zonder seks vindt hij onacceptabel en daarom, hoewel iedereen het hem afraadt, kiest Henry voor het laatste. In één versie van het verhaal is dat een fatale keuze.
Een boek waarin de strijd tussen eros en thanatos zo heftig en verbeten wordt uitgevochten en dat ik, zonder veel nadenken (dacht ik), in mijn tas had gestopt. Wat zouden de deskundigen daarvan zeggen?
De overledene die mij het meest is bijgebleven was degene die mij het minst deed. Het was mijn grootvader van vaders kant, een man met wie ik niets had en bovendien verachtte ik zijn vrouw zozeer dat alleen al daarom elke mogelijke vorm van compassie werd gesmoord. Hij lag in een van stilte suizende kamer, in een grijzig soort, door gordijnen gefilterd licht. Mijn vader en ik gingen naast het bed zitten en keken een tijdje, nogal plichtsgetrouw, voor ons uit. Ik vroeg me plotseling af wat we hier deden en waarom. Wat hier voor ons lag, was niets. Het leek niet eens op een mens. Iets in een pyjama. De woorden 'stoffelijk overschot’ schoten mij te binnen en ik besefte ineens de volledige reikwijdte van dat begrip: dit is wat overblijft, dit is de hardware, dit is heel zeker geen mens.
Henry Zuckermans keuze voor wat leven voortbrengt, seks, leidt tot de dood. Bataille zou daar zijn schouders niet over ophalen, want volgens hem verliezen we onszelf zozeer tijdens de daad dat dat zo'n beetje gelijk staat aan sterven. 'Le petit mort’, indeed. Toen ik Bataille daar voor het eerst over las moest ik onweerstaanbaar denken aan de vogel Phoenix en dat schoot me ook weer te binnen toen we, een week na de wake in het Duitse ziekenhuis, de kist in het vuur zagen schuiven. Nee, letterlijk. Waar we vroeger onze doden inleverden en alleen nog optraden als figuranten tijdens een sombere plechtigheid is de moderne doodsindustrie tot in de details gepersonaliseerd. Toen dan ook van de begrafenisondernemer het aanbod kwam om de kist tot aan de oven te begeleiden scheen niemand daar erg lang over na te hoeven denken.
En daar stonden we dan in een hoogst industriële ruimte, waar beton, roestvrij staal en bedrijfsmatigheid overheersten. Veel dichter bij het volledige oplossen van wat we zijn kun je niet komen en op de een of andere manier leidde dat bij mij tot grote doortastendheid ten aanzien van mijn eigen verscheiden. Voor mij niks geen 'Go like Elijah, when I go’, geen familie, vrienden, noem maar op, bij het overschot, en niemand aan de kist. Liever zelfs helemaal geen kist, want ik ben zo claustrofobisch dat ik denk dat ik zelfs als lijk nog in paniek raak van zo'n vorm van opsluiting.
Nee, liever word ik opgezet, in zittende houding, waarna de nabestaanden mij op een stoeltje in de hal kunnen plaatsen, zodat ik postuum nuttig ben als iets waarop je hoeden en petten kunt achterlaten. Als het kan wil ik dan ook graag een pak aan en nu al verheug ik me op de gedachte dat iemand zal vragen waar de sleutels van de schuur zijn en dat weer een ander dan zegt: 'O, die zitten in de rechterzak van Marcels jasje.’