Karaktermoord

Er bestaat geen term voor, maar het fenomeen is er niet minder irritant om. Er is iets naars gebeurd, maar de narigheid wordt zo ongeveer gekwadrateerd doordat iemand gaat benadrukken hoe naar het wel niet is. Zozeer dat je je afvraagt of diegene eigenlijk niet bezig is om het hele nare nog eens dunnetjes over te doen. Dit staat er nu nog op z’n abracadabra’s, maar iedereen kent het fenomeen. Aan sommige mensen moet je nooit vertellen dat je ontslagen bent, of dat je nooit meer zult kunnen lopen of dat je net toegetreden bent tot de jury van een literaire prijs, want zij zullen altijd de gelegenheid aangrijpen om je nog eens extra de modder in te trappen. Is het eerst nog voorzichtig ‘o wat vreselijk voor je’, al snel is het ‘dan zul je ook wel nooit meer aan de bak komen’ of ‘en dat terwijl het altijd je geheime wens was naar Santiago de Compostella te lopen’ of ‘en daarna heeft iedereen een hekel aan je’.

De morele verontwaardiging die literair critica Elsbeth Etty dit weekend in de NRC boekenbijlage tentoonspreidt over de postuum verschenen roman van J.J. Voskuil, Binnen de huid, en het enthousiasme waarmee ze de slachtoffers van deze roman probeert te beschermen tegen de kwaaie pen van de schrijver, doen gewoon pijn aan de ogen. Voskuil beschrijft in Binnen de huid hoe zijn alter ego Maarten Koning droomt van overspel met de vrouw van zijn beste vriend. We schrijven eind jaren zestig. Voskuil had zijn grote vriendschapsroman Bij nader inzien gepubliceerd, en had nog geen idee dat zijn droge dagboekaantekeningen ooit het materiaal zouden vormen van het zevendelige Het Bureau. Het schijnt andermaal een monumentaal werk te zijn over trouw en vriendschap, en een scharnierpunt in zijn oeuvre. Niet te missen, vijf sterren (Arjan Peters, VK), had nooit uitgegeven mogen worden (Pieter Steinz, NRC). Beide critici concentreren zich op het dramatisch gehalte, de stijl en de al dan niet aanwezige urgentie waarmee het een en ander op papier is komen te staan. Etty tapt uit een geheel ander vaatje, namelijk de link met de werkelijkheid. Nu was er ten tijde van Het Bureau een enorme heisa over deze roman, in die zin dat in verschillende artikelen werd uitgeplozen wie wie was in deze sleutelroman over het kantoorleven van het P.J. Meertensinstituut. En ook van Bij nader inzien was het voor sommige liefhebbers blijkbaar een toegevoegde waarde om te weten dat de romanfiguren ook ‘echt’ bestonden. Etty noemt in haar bespreking man en paard. Maarten Koning is natuurlijk Voskuil, en ook noemt ze de ‘echte’ naam van die vriend met zijn aantrekkelijke vrouw. Hoe durft Voskuil die man en zijn vrouw zo in hun hemd te zetten, vraagt ze zich af. En: ‘Minder dan een oprecht zelfportret, is deze roman een wraakoefening gericht tegen zijn succesvolle vriend en diens echtgenote’ en weer noemt ze de namen. Voor het geval we het nog niet goed begrepen hadden: aan het eind schrijft ze nog eens dat dit boek de ultieme vernietigingsaanval is, waarmee Voskuil beoogd heeft het leven van zijn voormalige vrienden te ruïneren. Het gekke is dat zij zelf door voortdurend die namen te noemen, namen die verder in geen enkele bespreking of column genoemd worden, bezig is die mensen zo ongeveer uit te kleden tot ze spiernaakt voor ons staan. Als Etty dat niet doorheeft, is het onbegrijpelijk, als ze het expres doet, is het de vraag wie ze nu eigenlijk wil treffen met haar stuk.