Kunst

Karakterschetsen

Kunst: Cartoon Museum, Londen

Terwijl de halve wereld in de ban verkeerde van een serie cartoons uit een Deens dagblad is in Londen stilletjes een Cartoon Museum geopend. Dat werd tijd. Hoewel de Engelsen dol zijn op cartoons heeft het ruim 250 jaar moeten duren eer deze speelse kunstvorm zijn eigen museum kreeg, in een oude zuivelopslagplaats om de hoek bij het British Museum. Nauw betrokken bij het initiatief is Kenneth Baker, de voormalige minister van Binnenlandse Zaken en thans vice-president van de Cartoon Art Trust. Een deel van zijn collectie heeft hij aan het museum geschonken, onder meer de spotprent van Gerald Scarfe (bekend van de tekeningen in de verfilming van Pink Floyds The Wall) waarop hij staat afgebeeld op een zinkend schip met een schaars geklede Margaret Thatcher als boegbeeld.

De origine van de cartoon ligt overigens niet in Engeland, maar in Italië. Leonardo da Vinci behoorde tot de eersten die een karikatuur op papier zetten. Via de Engelse kolonie in Rome belandde de cartoon in het land van bestemming. Het was geen liefde op het eerste gezicht. De geestelijk vader van de Engelse cartoonkunst, William Hogarth, beschouwde de «Italiaanse» karikaturen van leden uit de hogere klassen als een «buitenlandse kunst». In plaats daarvan stelde hij de «comic history painting», tekeningen van taferelen uit het dagelijks leven waarop geen karikaturen te zien waren, maar karakters. Zijn bekendste tekening is Gin Lane, over de kwalijke gevolgen van een overmatige inname van Hollandse jenever.

De collectie geeft een beeld van de populariteit van de cartoons in Engeland. Er zijn tekeningen uit de literatuur (Alice in Wonderland, Winnie the Pooh), uit de politiek en het dagelijks leven. In de laatste categorie valt Graham Laidlers The British Character: Absence of the Gift of Conversation. Het is een dinertafereel, waarbij de gasten lezen in detectives, bladeren in Franse modetijdschriften en goochelen met wijnglazen. De menselijke interactie aan tafel blijft beperkt tot mededelingen aan de obers en het, uit verveling, spelen van boter, kaas & eieren. Deze prent verscheen kort voor de oorlog in het tijdschrift Punch, dat meer dan een eeuw symbool stond voor de populariteit van cartoons.

Dat Punch in 1992 ten onder is gegaan en een mislukte herstart beleefde, betekent niet dat de cartoonkunst in een crisis verkeert. Het succesvolle weekblad The Spectator wordt vrijwel geheel met cartoons geïllustreerd. De bekendste cartoonist van het moment, Steve Bell, is prominent aanwezig in het museum. Op een van zijn tekeningen in Private Eye is te zien hoe Thatcher haar opvolger John Major, onder toeziend (en geamuseerd) oog van het kabinet, vasthoudt, terwijl haar rechterhand Norman Tebbit aan de benen van de premier kluift. Adoration of the Major is een referentie aan Jan Bruegels Adoration of the Magi.

Uit de tentoonstelling blijkt dat het maken van cartoons een mannenvak is. Op de vraag naar de achtergrond hiervan antwoordde Bell in het radioprogramma Woman’s Hour dat vrouwen misschien niet boos genoeg zijn op de omliggende wereld. De tekenares Jackie Fleming maakte een tekening van het vraaggesprek, waaraan ze een vrouw toevoegde die het hoofd van Bell, van achteren, met een bijl wilde doorklieven. The Guardian, Bells voornaamste opdrachtgever, wilde de cartoon slechts plaatsen op voorwaarde dat zijn medewerker onherkenbaar werd geportretteerd.

De samenstellers van de uit 1200 cartoons en drieduizend boeken bestaande collectie hebben het niet gemakkelijk gehad. Er was veel gekibbel, geen geschikte ruimte en de overheid wilde er geen penny aan besteden. Maar nog wel het meest curieuze probleem zei iets over de vanzelfsprekende plaats van de cartoon in de Engelse samenleving: nogal wat originelen zijn voor het nageslacht verloren gegaan, omdat ze regelmatig in de vuilnisbak belandden als een krant of tijdschrift ruimte nodig had in het archief.

The Cartoon Museum, 35 Little Russell Street, Londen; dinsdag

tot en met zaterdag, 10.30 tot

17.30 uur