Wachten op de dood in de boondocks

Karaoke op death row

De doodstraf is in Amerika een industrie geworden. In Texas verbinden mensen hun lot met dat van terdoodveroordeelden. Ze gaan bij ze op bezoek, schrijven brieven – of verzamelen murderabilia. Een brief met postzegel (met DNA!) van een moordenaar: honderd dollar.

Medium polman

Livingston is de hoofdstad van Polk County, Texas. Polk telt dertien gemeenschappen. Mensen hebben er op zon- en feestdagen de keuze uit 126 kerken: 37 baptistische, twaalf methodistische, negen van de pinkstergemeente, acht van Church of God in Christ, zes van Church of Christ, vijf van de Assembly of God, twee katholieke kerken, twee Churches of God, twee lutherse kerken, twee presbyteriaanse, twee van de zevendedagsadventisten, een synagoge, een apostolische en een episcopaalse kerk en 36 assemblees, tabernakels, tempels, gospelkerken en transformatiecentra en kerken die speciaal cateren voor bikers, indianen en cowboys. Dat er rond Kerst voor de ingang van death row altijd een kerststal met het kindeke Jezus erin en een groep rendieren met knipperlichtjes staan, is niet ironisch bedoeld. De preek die ik op Goede Vrijdag op de radio hoor ook niet. De predikant legt uit waarom de doodstraf moest. ‘Waar zou het christendom zijn als Jezus was veroordeeld tot vijftien jaar met kans op vervroegde vrijlating? Nergens! We zouden niet bestaan!’

Van maandag tot en met zaterdag is Brother Kenny cipier in death row. Op zondagen is hij hulpje van pastor Robert in Lake Livingston Church of God, naast death row. Bescheiden en witgekalkt staat het bedehuis op het kruispunt van de provinciale weg FM350, die voorbij death row doodloopt tegen Lake Livingston, en Mangum Road, de dorpsweg die naar het bos rond death row leidt. Een strook pijnbomen zorgt ervoor dat de gevangenis net niet te zien is.

‘Where Grace Love Abound Your New Life Begins’ staat in vijftien centimeter hoge, zwarte schuifletters op een wit informatiebord. Aan weerszijden van de houten kerkdeur bloeien roze en rode struikrozen.

‘Dit is de beste kerk in heel Livingston’, verzekert Sister Carole. Ze verwelkomt me in de vestibule. ‘We doen wonderbaarlijke genezingen en spreken in tongen.’ De 73-jarige doet het voor: ‘Wawawoewa. God begreep wat ik net zei.’ De ketchuprode lipstick van Sister Carole zit in vegen rond haar lippen.

Ventilatoren draaien traag boven kerkbanken. Twintig buurtbewoners komen vandaag voor de dienst opdraven, in hun doordeweekse huispakken en tuinbroeken. Brother Kenny heeft aan zijn uiterlijk wél speciale aandacht besteed. In een sleets, maar schoon en gestreken overhemd en met zijn haren nat achterover gekamd, staat hij rechtop tussen de houten banken, zijn armen breed ten hemel gespreid. De vijftiger is zo tenger dat zelfs de oude Sister Carole hem omver zou kunnen blazen. Hoe hij zich als cipier staande houdt tussen death-rowbewoners met namen als T-Bone, Dead, Crazy C, Psycho, Big Foot, Machete en Lunatic gaat mijn voorstellingsvermogen te boven.

Kenny’s ogen zijn devoot gesloten. ‘Hallelujah, hallelujah’, prevelen zijn lippen. Achter hem zit de 93-jarige Sister Gates, het lijfje fragiel in een wollen vestje, het koppetje gerimpeld en kaal, op een paar lange, dunne slierten grijs in haar nek na. Haar armpjes, krom en stram, reiken ook naar de Verlosser daarboven.

Op een podium van een paar vierkante meter achter de houten katheder ondersteunt de Worship Band de samenzang. Pastor Robert neemt het drumstel voor zijn rekening, twee assistenten bespelen de elektrische gitaar en het elektronische orgeltje. In het doordeweekse leven is de pastor bedrijfsleider van de RV Shack, een handel in tweedehands recreational vehicles in het dorp. Hier mept hij op de bekkens. ‘I just can’t stop praising his name!’ gaat hij tekeer. ‘Jeeeesus!’ Klabang!

‘Mohammed is dood! Boeddha is dood! Jeeeesus wás dood, maar stond weer op. Wie is dan de beste?’ schreeuwt hij het zaaltje in.

‘Jesuuuuus!’ roepen de mensen terug.

‘Bij wie moet je zijn?’

‘Bij Jeeeesuuuuus!’

Gemeenten op het platteland zijn vaak zo pieterig dat ze met hetzelfde bermbord de begin- en de eindgrens kunnen markeren. Ook Livingston (‘Population 5.335’ staat onder de plaatsnaam) is niet heel veel meer dan een klontje filialen van nationale ketenbedrijven op het kruispunt van de Route-190 van Louisiana in het oosten naar West-Texas, en de Route-59 van de Mexicaanse grens naar het noorden. Tussen de Exxon, de McDonald’s, kfc, TacoBell en de Walmart overleeft een handvol plaatselijke ondernemers: pandjesbazen, tweedehandskledingwinkels en werkplaatsen voor gebruikte trailers.

De komst van death row en de Polunsky Unit in 1993 gaf een deel van de Livingstonians iets te doen. Meer dan achthonderd, ook uit buurdorp Onalaska, vonden werk in de unit als bewaker van de drieduizend ‘gewone’ en 280 ter dood veroordeelde inmates – vierhonderd meer dan er emplooi vonden in de lokale Walmart.

Naast gedetineerden zijn pensionado’s de poten onder Livingstons bescheiden economie. Tientallen Livingstonians werken in brillenwinkels, gehoorcentra en gezondheidsklinieken. En dan is er nog de Walmart, Amerika’s grote gelijkmaker. Tussen de cornflakes en de witte bonen in tomatensaus zie ik zowel bezoekers als cipiers van death row terug. Cipiers zijn net zo vaak klant als vakkenvuller om de karige inkomsten in de gevangenis aan te vullen.

Bij de Church of God moet ik de FM350 af, Mangum Road op. Ik passeer scheefgezakte brievenbussen in de berm en stort me na een kilometer in het eindeloze netwerk van onverharde zijpaden die dieper het bos in leiden. Namen van de paden zijn speels: Pull Tight Lane. Tom, Dick en Harry lopen parallel aan elkaar. Tomahawk Lane, Broken Arrow en Cherokee Lane eveneens. Veel namen zijn lieflijk: Daisy Drive, Stardust Lane en Moonbeam Lane bijvoorbeeld. Maar allemaal zitten ze vol kuilen en buigen ze af naar nog donkerder bospaadjes. Dit zijn de boondocks, de Texaanse rimboe achter death row. Lukraak tussen hoge eikenbomen, sparren en iepen staan trailers. Neergekwakt, lijkt het wel. Vele zijn door bewoners verlaten en in elkaar gezakt. Niemand sleept wrakken weg. De paar eigenaren die er nog wel wonen en die zich planken en palen konden veroorloven, pimpten hun caravans op met zelf geknutselde veranda’s. Een enkeling legde een bloemenperkje aan. Maar de meesten propten hun erven vol roestende carrosserieën, badkuipen, half vergane bankstellen, vuilnis en valse honden die woedend op passerende auto’s af stuiven.

Elke middag om klokslag twaalf uur klinkt een stoomfluit van achter de bomen, alsof een locomotief door het bos komt aanrijden: de Polunsky Unit laat Livingston weten dat de koppen zijn geteld en dat ook vandaag weer niemand is ontsnapt. De Blue Shelter staat aan een doodlopend pad. Het houten huis is grijsblauw geverfd, de raamlijsten roze. Vanuit de Shelter baanden zich vroeger Europese echtgenotes van terdoodveroordeelden voor het slapengaan een pad over het knisperende kreupelhout tussen de bomen, langs de trailers en de grommende kettinghonden van de buren. Bij de afrastering rond het Polunksy-terrein bliezen ze kushandjes naar de bunkers. De terdoodveroordeelden binnen konden dat natuurlijk niet zien, want die hebben in plaats van ramen alleen een spleetje langs het plafond van hun cel. Maar het ging om het idee. Tegenwoordig logeren gevangenisbezoeksters in de paar motels langs de US-59 verderop. De Blue Shelter ging ten onder in de economische crisis, toen steeds meer trailers onbewoond raakten en de achterblijvende bosbewoners steeds onhartelijker werden. ‘No Trespassing. Violators Will Be Shot, Survivors Will Be Shot Again’, staat op bordjes aan deuren en hekjes.

De Shelter telt drie slaapkamers rondom een gedeelde woonkamer en een keuken. In zijn hoogtijdagen werd het logement uitgebaat door Christa uit het Duitse Sauerland, echtgenote van terdoodveroordeelde Troy Kunkle. Christa voorzag in zijn en haar eigen levensonderhoud met de verhuur van de kamers aan dames zoals zijzelf. In 2005 werd Kunkle geëxecuteerd. Het drama voor Christa was compleet toen haar Green Card niet werd verlengd en ze terug moest naar Duitsland. De huidige eigenares, de Amerikaanse Sylvia, laat zich alleen zien om de huur op te halen en soms een beetje schoon te maken. Voor onderhoud van het huisje heeft ze geen geld. De veranda is vermolmd, twee van de drie badkamertjes zijn buiten dienst en muren en dak zijn klam en kromgetrokken.

Boven het dak van mijn onderkomen verheffen zich eikenbomen met wuivend baardmos aan de takken. De voordeur heb ik op het haakje om de pitbull van de buurman buiten te houden. De buurman zelf zit de hele ochtend op een houten keukenstoel voor zijn schutting, zijn geweer overdwars op schoot. Hij bewaakt zijn inboedel. Na een nacht van regen en knetterend onweer staan en liggen stoelen, garderobe en een matras in de ochtendzon te drogen. De plastic lappen over de gaten in zijn caravandak hebben lekkage niet voorkomen.

Bij de afrastering rond het Polunsky-terrein bliezen echtgenotes kushandjes naar de bunkers

Mijn moeder is voor de duvel niet bang’, zegt Billy. Toen een enorme pad – hij wijst met zijn grote handen het formaat van een baseball aan – het huis hier binnenwaggelde, joeg zijn moeder het monster persoonlijk naar buiten.

Ann heeft het ondergoed van haar zoon op de hand gewassen en hangt het te drogen aan het lijntje tussen twee bomen in de Sheltertuin. Zoon Billy, een dertiger, is een boom van een kerel met tatoeages in zijn nek, maar zachtaardig en goedgemutst. Ze wonen samen in Londen, Engeland, en bezoeken terdoodveroordeelde Will in Polunsky. Ze zijn voor het eerst van hun leven op reis.

‘Wat aardig dat je je moeder naar Texas begeleidt’, zeg ik bij de kennismaking. Maar het is andersom, zegt Billy: zijn moeder begeleidt hém. Will is zíjn penpal, niet die van zijn moeder. Ann is meegekomen om hem een beetje in de gaten te houden, want Billy is zo goed als blind. Van zijn terdoodveroordeelde vriend ziet hij vaak niets en soms wat vage contouren.

Billy is verzamelaar van murderabilia en tweevoudig moordenaar Will is zijn inkoper op death row. Op sites als murderauction.com zou Billy zijn collectie kunnen aanvullen door te bieden op aanbiedingen, zoals door moordenaars gesigneerde kopieën van autopsierapporten van hun slachtoffers, op nagels van terdoodveroordeelden, een restje van een door Charles Manson aangevreten burrito (in prijs verlaagd van 550 naar vijfhonderd dollar), een handgeschreven brief van Ted Bundy aan zijn dochter (4900 dollar) en op crime scene-_foto’s van kinderen die vermoord zouden zijn door de West Memphis Three (zestig dollar per stuk). _‘We ship world wide’, staat op de site. Maar Billy werkt nu eenmaal samen met Will en dat is zijn beste vriend, zijn brother.

Ann en Billy maken elke maand een paar honderd dollar over op Wills gevangenisrekening. Ongeveer net zo veel als Brother Kenny op death row verdient als cipier, bedenk ik. In ruil voor het honorarium sprokkelt Will voor Billy bij medegevangenen een collectie murderabilia bij elkaar.

Will zet het verdiende geld om in snacks uit de commissary. Hij wil namelijk zo dik mogelijk worden, want dan kunnen ze geen ader vinden als ze hem de dodelijke injectie willen toedienen, zet Billy de strategie uiteen. Will put hoop uit de zaak van Ronald Post in Ohio. Die woog na dertig jaar op death row 217 kilo en procedeerde in 2012 succesvol voor vrijstelling van executie. Zijn straf werd omgezet in levenslang. Post overleed zeven maanden later in een gevangenishospitaal. Will zit al boven de 150 kilo. Gewone hand- en enkelboeien passen hem al niet meer.

Als het plan mislukt en ze executeren hem op een dag toch, dan mag Billy Wills as hebben. Dat wordt het klapstuk van de collectie.

Billy is pas veertien maanden bezig, maar Will ritselde al vele unieke itempjes voor de verzameling. Twee brieven van Tommy Lynn Sells bijvoorbeeld, de Cross Country Killer, medegevangene van Will. Sells kreeg het doodvonnis voor één moord, op een meisje van dertien, maar hij bekende er meer dan zeventig. Via Will ontving Billy twee door Sells gesigneerde brieven, met postzegels erop die waarschijnlijk door Sells persoonlijk gelikt zijn. Speeksel bevat dna. Moordenaars-dna is geld waard in het murderabiliawereldje. De prijs van Sells-souvenirs stijgt momenteel, want hij kreeg zijn executiedatum. Op internet wordt voor een brief van Sells al 120 dollar geboden. Maar Billy koestert ze thuis in een kluis en is niet van plan ze ooit te verpatsen. dna wordt steeds moeilijker te vinden, zegt hij. De mannen op death row worden zich steeds bewuster van de dna-hunters die op spuug, haar, nagels en bloed uit zijn. Er zijn er zelfs die alleen nog brieven aan de buitenwereld schrijven met sokken om hun handen, om dna-hunters het pad af te snijden.

Terwijl Ann Billy’s tv dinner in de magnetron zet, toont Billy me zijn nieuwste aanwinsten. Will had vandaag bij de uitgang van death row een uienzak vol collectibles voor hem klaar laten zetten. Een wit T-shirt dat Will gedragen heeft. Een plastic beker waaruit een terdoodveroordeelde vriend van Will koffie gedronken heeft. Paperbacks die alle veroordeelden op Wills vleugel gelezen of op z’n minst aangeraakt hebben. Het gaat allemaal mee naar Londen.

‘Mam, we moeten een grotere koffer kopen! Will zei dat er nog veel meer komt’, roept Billy.

‘Dat doen we, zoon’, zegt Ann.

Moeder noch zoon is in het bezit van een rijbewijs. Om ze de wandeling naar death row door het kreupelhout en langs de kettinghonden van de buren te besparen, speel ik elke dag een paar keer taxi. De eerste stop ’s ochtends is de First National Bank, waar Ann en Billy dollarbiljetten omruilen voor kwartjes voor de snackautomaat op death row, waaruit ze hun terdoodveroordeelde mogen trakteren. Behalve 25 dollar aan kwartjes mogen bezoekers niets mee naar binnen nemen, dus tussen bezoeken door overhandig ik ze op het parkeerterrein van Polunksy nieuwe kwartjes en Ann ook haar sigaretten. Aan het einde van de bezoekdag rijd ik moeder en zoon terug naar de Blue Shelter.

Death row staat op een kaalgeslagen vlakte. Bomen en zelfs de kleinste struikjes rond de grijsbetonnen bunkers zijn omgehakt en uit de grond getrokken voor onbelemmerd zicht vanuit de wachttorens. Alleen een beetje gras mag groeien op het terrein van de supermax security unit. Het complex, met dreigend ogende spleetjes in plaats van ramen, lijkt op een kerncentrale, meer geschikt voor de opslag van uraniumstaven dan voor mensen. Het mottert als ik bij Polunsky aankom. Aan het einde van de oprijlaan staat een bewakershok. Ernaast staan paarden te dampen. In een schuur hoor ik het woedende geblaf van Polunksy’s speurhonden, paraat voor een drijfjacht op eventuele vluchtelingen.

Een kort, rond bewakertje met druppels op zijn bril dirigeert me naar de kant. Zijn plastic poncho sleept over het asfalt. Hij lijkt een wezentje uit The Hobbit. Motorkap en kofferbak moeten open. Hij beklopt rugleuningen en zittingen, registreert het nummerbord, controleert mijn identiteitsbewijs, noteert mijn aankomsttijd, zet paraafjes.

De dubbele omheining van metershoge stalen hekken heeft dikke rollen scheermesdraad erop, prikkeldraad van de ergste soort. In het niemandslandje tussen de twee barricades ben je prooi voor scherpschutters in torens en eromheen rijden 24 uur per dag patrouillewagens, één met de klok mee en één tegen de klok in. De Assistant Warden van death row heet Butcher, Michael Butcher. Dicht bij de entree is een parkeervak voor hem gereserveerd. In de derde rij wordt een vak vrijgehouden voor de Employee of the Month.

Ik wacht bij de deur op het ijzeren bankje onder de overkapping totdat Ann en Billy weer naar buiten komen. Cipiers die hun dienst beginnen legen de zakken van hun grijze uniformen in gele plastic bakjes die naast de toegangsdeur opgestapeld staan. Binnen gaan de bakjes met autosleutels, haarkammen en lunchtrommels erin door de metaaldetector.

Een gevangene van de afdeling General Population scharrelt om me heen om denkbeeldige grasjes uit scheurtjes in het asfalt te trekken. ‘Daar ook nog.’ Een dikke bewaker met een cowboyhoed op zijn hoofd wijst naar niets.

Ann zuigt grif de rook van haar sigaretten naar binnen. Ze steekt de ene aan met de andere. Billy is nog bij Will. De twee reuzen hebben daarbinnen dikke pret.

‘Had jij ook zo’n fijn bezoek?’ kwetteren de dames. ‘Die ogen! Wat een prachtige kijkers heeft hij toch!’

‘Ik heb mijn Billy al heel lang niet zo gelukkig gezien als hier’, zegt Ann. Thuis pesten ze hem en zelfs zijn beste vrienden maken misbruik van hem. Haar moederhart breekt als Billy naar zijn favoriete kapper gaat en een of twee maten weer onuitgenodigd aanhaken om van Billy’s invaliditeitsuitkering ook geshampood of bijgepunt te worden. En dan zijn er al die meisjes die hem verleiden om mobieltjes voor hen te kopen.

Hij wil soms wekenlang het huis niet uit. Het is dat Ann soms de deur uit móet om boodschappen te doen, anders zou ze ook binnenblijven, met Billy en de brieven uit Texas. Ann leest ze aan Bill voor, steeds een paragraaf. Dan moet ze stoppen van hem, zodat hij haar zijn antwoord op dat stukje aan zijn terdoodveroordeelde vriend kan dicteren. Dan mag ze de volgende paragraaf voorlezen.

Ze zijn gevangenissen gewend. Ann heeft zes broers en alle zes zitten in de bak, of zijn er net weer even uit. Er zitten neonazi’s, crackverslaafden en zuipschuiten tussen. Ze wijst grote en kleine littekens en deuken in haar gezicht aan. Alle broers hebben haar met stukken hout, flessen en vuisten gemept. Ze heeft ze allemaal teruggemept. Eentje stak ze een kurkentrekker door zijn wang. Ann had zich laten verleiden tot een interview met The Daily Mail, de enige krant die bij hun in de buurt nog wel eens gezien wordt. Zo kwamen de broers erachter dat hun zus een terdoodveroordeelde in Texas geld stuurt. Ze waren woest en verboden haar om nog één cent naar Amerika te sturen. Die gast maakt alleen maar misbruik van je, zeiden ze. ‘Júllie maken misbruik van me’, schreeuwde ze terug. ‘Steeds als er weer een vastzit, of meer, gaat bij mij de hele dag de telefoon: stuur me dit, stuur me dat. En dan sta ik weer sigaretten en mobiele telefoons over de gevangenismuur te gooien. Als ze me betrappen, krijg ik vier jaar. Maar denk maar niet dat ze me van hun release money ook maar één keer een tientje voor een pakje sigaretten hebben gegeven.’

Sinds het kranteninterview zijn dertig familieleden en vrienden in hun Londense council estate opgehouden met Ann en Billy te praten; ze hebben ze geteld. Het kan ze niets schelen. Hun nieuwe familie zit op Facebook, op tientallen pagina’s van mensen die, net als zijzelf, met terdoodveroordeelden corresponderen. Billy en Ann delen in status updates wat er in Wills brieven staat en wie van Will de groeten moet hebben (‘Everyone!’). Dan krijgen ze van iedereen likes en van hún terdoodveroordeelden de groeten terug. Ze doen elkaar ook allemaal de groeten via The Prison Show op 90.1 FM kpft-radio in Houston. De penpals luisteren via internet en de terdoodveroordeelden via hun transistorradiootjes. Penpals bellen naar het programma om een shout out naar een geliefde op death row te doen. Billy slaat geen aflevering over. Hij blijft er ’s nachts voor op. ‘Love you to bits, big brother’, laat hij omroepen. En dat liket dan ook weer iedereen.

Het is vanwege de Paas fotodag. In de bezoekruimte maakt een cipier met een polaroidcamera op bestelling kiekjes van terdoodveroordeelden of van het bezoek en de veroordeelde samen. Als ze geluk hebben, treffen ze er een die de moeite neemt om een hoek te kiezen waaronder de weerspiegeling van het gepantserde glas dat bezoekers en veroordeelden scheidt niet te zien is. Billy laat zeven kiekjes maken voor drie dollar per stuk. Zo houdt hij vier dollar over voor een snackje en een frisje uit de automaat. Anns 25 dollar aan kwartjes gaat helemaal op aan knabbels voor de hongerige terdoodveroordeelde.

Billy komt opgetogen naar buiten met zijn foto’s. Hij poseert serieus op de plaatjes, met zijn rug naar het glas en zijn vingers in geheime hiphop signs. De terdoodveroordeelde aan de andere kant van het glas voert een soort Muppetshow op, met zijn bril ondersteboven op zijn neus, schele ogen, zijn mond debielig wijd open en zijn tong op zijn kin.

Billy streelt de foto’s en probeert ze te bekijken, de afbeeldingen naar het licht gekeerd, zijn zieke ogen er centimeters vanaf. ‘Mooi hè, mam’, zegt hij. ‘We zetten ze straks meteen op Facebook.’

Andere bezoekers druppelen naar buiten, stuk voor stuk stralend en wapperend met polaroids: een Engelse dame, een Française, een Belgische, een Nederlandse. ‘Had jij ook zo’n fijn bezoek?’ kwetteren ze door elkaar heen. De foto’s gaan van hand tot hand. ‘Adorable!’ klinkt het, en: ‘Die ogen! Wat een prachtige kijkers heeft hij toch! Beautiful.’

Lang duurt het intermezzo niet. De bezoekers staan te trappelen om naar binnen te gaan voor een tweede ronde bezoeken, als kinderen die de draaimolen weer in willen: nóg een keer!

‘Enjoy!’ wensen ze elkaar blijmoedig.

Als ook Ann en Billy weer binnen zijn, ga ik op weg terug naar de FM350. De hobbit dirigeert me weer naar de kant van de weg.

‘Geen passagiers?’ vraagt hij verbaasd. ‘Kwam je geen mensen ophalen? Of wilden ze niet mee soms?’

‘Nee, ze vinden het heerlijk daarbinnen’, zeg ik. We lachen samen, terwijl ik bedenk dat het nog echt waar is ook.

Het bos rond Lake Livingston ritselt van de vogels, eekhoorns, hertjes en kalkoenen. Eenden glijden in groepjes van twee en drie voorbij en onder het donkere wateroppervlak zwemmen zonnebaarzen, meervallen en alligators. Daar aan het meer vieren welgestelde pensionado’s hun oude dag in luxe vakantiehuizen met oprijlanen en boothuizen. Nomadische senioren parkeren hun motor homes op lommerrijke campings op de oevers, waar veel meer Texaanse Lone Star-vlaggen wapperen dan Amerikaanse Stars and Stripes.

De oudjes verzamelen rond borreltijd graag in de Wetdeck, een bar op tweehonderd meter afstand van death row. Langs de meterslange houten toog amuseren ze zich met fruitmachines. Buiten, onder oranje parasols boven houten tafels, delen luidruchtige vriendengroepjes plastic bakken vol gefrituurde kippenvleugels, vissticks en fries.

Na zonsondergang is de FM350 aardedonker, maar verderop hangt een witte gloed boven de bomen. Ik rijd behoedzaam die kant op. Voorbij een bocht staat daar opeens death row weer. Een titanisch ruimteschip, in het verder aardeduistere Texas verblindend verlicht door gele en witte lichtbundels uit schijnwerpers en stadionlampen.

Het is vrijdagavond, de karaoke in de Wetdeck is gaande. De wind staat de goede kant op. Misschien kunnen de mannen op death row door de plafondspleetjes de pensionado’s horen meezingen. Texas, Our Texas! All hail the mighty State! Texas, Our Texas! So wonderful so great!


Death Row Dollies

De doodstraf in de Verenigde Staten staat voor het eerst sinds jaren weer hoog op internationale agenda’s door een serie mislukte executies, door berichten over onschuldigen die na decennia uit death row werden bevrijd en door de chemicaliën die nodig zijn voor de dodelijke injecties: die zijn bijna op. Amerikaanse doodstrafstaten dreigen terug te keren naar gaskamers en vuurpelotons. In haar nieuwe boek Death Row Dollies: Leven met de doodstraf beschrijft journaliste Linda Polman de barbaarse ‘doodstrafindustrie’ in de VS en de mensen die erdoor worden vermalen.

Ze volgt jarenlang vrouwen en een enkele man die hun lot hartstochtelijk verbinden met dat van terdoodveroordeelden in Texas: de dames van Texas’ piepkleine antidoodstrafbeweging, families die na de executie van man of vader achterblijven met de erfenis, vaak niet meer dan wat brieven en een tafelventilator, de terdoodveroordeelden zelf. En de transatlantische ‘dollies’ in de goedkope motels rondom death row in de boondocks, het Texaanse platteland, die bij terdoodveroordeelden op bezoek gaan.


Death Row Dollies: Leven met de doodstraf verschijnt 13 mei bij Bertram+de Leeuw Uitgevers. 224 blz., € 17,95


Beeld: De Texaanse rimboe in de buurt van de gevangenis (Robert Knoth)