Lessen van de middenschool

Karel de Grote had geen telefoon

Met een vmbo-advies toch doorstromen naar het vwo. Op de voormalige middenschool Open Schoolgemeenschap Bijlmer kan het nog steeds. Emancipatie van leerlingen staat centraal.

Medium beeldunie 00029641

8.30 uur, eerste blok, geschiedenis, klas 1a3.

Als de leerlingen binnenkomen, staan de stoelen al in de kring. Iedereen weet waar hij moet zitten. Of bijna iedereen, twee leerlingen worden door docent Marije Ebbens gemaand van stoel te wisselen. ‘Jullie zitten niet op de juiste plek, dat klopt, hè?’ Gelaten wisselen de jongens van plek, hun tas bungelend tussen hun benen. Aan de muur hangen door leerlingen gemaakte posters: ‘Fouten maken mag. Samen staan we STERK!’

Op de Open Schoolgemeenschap Bijlmer (osb) begint iedere les in de kring. Het idee: in een kring kan niemand zich achter een ander verschuilen. Je kijkt elkaar in de ogen, bent zichtbaar voor de rest. Kwetsbaar. Dan móet je wel meedoen. Hoe expliciet dat kan gaan blijkt als de leerlingen die hun huiswerk gemaakt hebben, moeten gaan staan. Of ze nu staan of zitten, iedere leerling lijkt zich zeer bewust van zijn zichtbaarheid. Er wordt veel naar de vloer gekeken.

Docent Ebbens – een jonge veertiger, casual maar stijlvol gekleed: een strakke, zwarte broek, zwarte Allstars en een zwart-wit gestreept shirt – zou niet meer zonder de kring willen. ‘Het is veel opener. Als je achter tafels zit, is de dynamiek weg.’

Dynamiek genoeg op de osb, het is een wereld van verschil. De leerlingen hier in de klas variëren niet alleen in geslacht (ongeveer 50/50), lengte (1,50-1,90 m.) en culturele afkomst (van helblond tot pikzwart en alles er tussenin), maar vooral ook qua schooladvies. Vmbo-basis, vmbo-kader, vmbo-theoretische leerweg, havo en vwo, alle niveaus zitten hier de eerste twee jaar bij elkaar in de klas. En waar het aandeel havo/vwo’ers in heel Amsterdam boven de helft ligt, is hier zeventig procent vmbo’er.

Sinds 1996 is de osb officieel geen middenschool meer, maar de oude middenschoolgedachte, van uitstel van selectie, kansen bieden aan laatbloeiers en aandacht voor de brede ontwikkeling van kinderen, wordt nog steeds in de praktijk gebracht. Al veertig jaar is de filosofie van de school met tegenwoordig zestienhonderd leerlingen: kinderen leren van elkaars talenten. Het schoolmotto: ‘Laat talent groeien’. Naast de gewone vakken is er dan ook veel aandacht voor kunst, sport en muziek. Hoofd, hart én handen.

De middenschool – door pvda-minister Jos van Kemenade bedacht in de jaren zeventig, als experiment uitgevoerd (onder meer op de osb) in de jaren zeventig-tachtig, ten grave gedragen in de jaren negentig – is nooit helemaal verdwenen uit onderwijsland. Om de zoveel tijd stoft iemand het idee – oorspronkelijk een brede brugklas van drie jaar met beroepsonderwijs, mavo, havo en vwo – af, en brengt het opnieuw onder de aandacht. Onlangs was het de beurt aan oud-ser-voorzitter en tegenwoordig d66-senator Alexander Rinnooy Kan. In zijn Kohnstammlezing van eind maart schreef hij: ‘Wie voor een dubbeltje geboren wordt, wordt hier te lande maar moeizaam een kwartje. Hoe is dat mogelijk? Het heeft zonder enige twijfel te maken met de gemiste Nederlandse kans op een fatsoenlijke middenschool.’

Ook de voorzitter van de MBO Raad, Jan van Zijl, pleitte eind april in de Volkskrant voor een ‘middenschool light’, waarin vmbo-t en havo samengevoegd zouden worden, ‘om die jongeren meer tijd te geven om zelf te ontdekken wie zij zijn en wat ze kunnen’. Naast de vroege selectie – met twaalf jaar selecteert Nederland kinderen internationaal gezien zeer vroeg – speelt ook de angst voor segregatie een rol in de roep om de middenschool. De werelden van laag- en hoogopgeleiden zijn gescheiden, concludeerden scp en wrr in 2014. En journalist Margalith Kleijwegt constateerde dit jaar in haar rapportage 2 werelden, 2 werkelijkheden een kloof in het onderwijs tussen allochtonen en autochtonen en tussen leerlingen en docenten. Kan de middenschool uitkomst bieden? En hoe zou zo’n school er dan uit moeten zien? Wie een antwoord wil op die vragen, kan niet om de osb heen, die met haar tweejarige brede brugklas, of ‘heterogene onderbouw’ voor alle niveaus, in Nederland het dichtst het oude ideaal benadert.

9.00 uur, de werkfase.

Lesgeven aan leerlingen van zoveel verschillende niveaus vergt nogal wat. Gelukkig vindt Marije Ebbens differentiëren leuk, ze geeft er zelfs trainingen in. Lessen zo inrichten dat je kinderen aanspreekt op hun eigen niveau, maar ook het gesprek met de groep nog zinvol laat zijn, veel docenten vinden dat complex. De onderwijsinspectie noemde het gebrek aan differentiatievaardigheden van docenten niet voor niets een struikelblok. Vakkundig zet Ebbens iedereen aan het werk: de vmbo’ers zoeken in groepjes op laptops informatie voor hun opdracht, de havo/vwo-groep schuift de stoelen in een kleinere kring voor de huiswerkbespreking. Niet dat iedereen die hier aanschuift (ongeveer een derde van de klas) een havo/vwo-advies heeft. Leerlingen die willen, mogen bij Ebbens altijd bij een niveau hoger komen zitten. ‘Het is niet zo van: je hebt dit niveau gekregen, dus dan moet je het. Als je meer wilt, kom erbij!’

Chevenne – een roodzwart overhemd, Ray Ban-bril en parels in haar oren, om haar nek, om haar pols – leest haar huiswerk voor, een korte biografie van Karel de Grote. ‘Mooi, hè?’ eindigt ze met een glimlach. Dan is het tijd voor een filmpje over het feodale stelsel, terwijl docent Ebbens bij de andere groepjes langsgaat. Het ziet er geolied uit, zoals ze van het ene vmbo-groepje naar het andere loopt, terwijl de havo/vwo-groep zijn filmpje kijkt, maar ook als hard werken. Ebbens: ‘Je moet soms rustmomenten voor jezelf creëren. Dit kun je niet de hele dag doen, anders ben je echt gevloerd.’

Af en toe vertelt Ebbens iets klassikaal, om iedereen bij de les te houden. ‘Karel de Grote ging alles besturen. Er was geen televisie, geen YouTube, geen telefoon. Hoe deed hij dat?’ Kenny, een kleine Marokkaanse jongen in een grijs joggingpak en blauwe Nike Air Max, kijkt vragend naar de juf. Hij kan het filmpje niet vinden. Om hem heen gonzen de gesprekjes van de andere groepjes: ‘Wat is een vazal?’ ‘Wat is een leenheer?’ Maar ook: ‘Zou jij je kind Manassi noemen?’

Vlak voor tijd lukt het Kenny eindelijk om het filmpje te openen, hij heeft alleen nog geen koptelefoon. Met het touwtje van zijn capuchon in zijn mond probeert hij zijn hoofd bijna ín de laptop te duwen. ‘Shit’, zegt hij opeens, hij heeft per ongeluk op afsluiten gedrukt. Zijn tafelgenoten Nadjadi en Tanisha schudden met hun hoofd. Kenny kan er zelf gelukkig om lachen.

9.35 uur, tussenuur.

‘Iedereen wil in Zuid op school. Allemaal dezelfde jongetjes met dezelfde haartjes en dezelfde manier van denken’

Marije Ebbens zit aan de docententafel in de gang van haar deelschool, haar door zijn columns in Trouw beroemde collega Meester Bart komt net binnenlopen. Geen docentenkamers hier, leraren zijn benaderbaar. Ebbens vertelt dat ze echt gelooft in de filosofie van de osb. Haar eigen zoon zit hier in de eerste. Andere mensen, andere culturen, andere ideeën; Ebbens vindt ze net zo belangrijk als cognitie. ‘In Abcoude waar ik woon wil iedereen in Zuid op school, en ze komen alleen elkaar maar tegen. Allemaal dezelfde jongetjes met dezelfde haartjes en dezelfde kleertjes en dezelfde manier van denken.’

Ebbens begint te stralen als ik vraag of Chevenne, het meisje met de parels, het slimste meisje van de klas is. Op papier niet, Chevenne kreeg een vmbo-t-advies van de basisschool. ‘Nou echt, die kan veel meer. Zij bloeit zo op, dat is zo leuk!’

In de mentorklas van Ebbens stroomt bijna een derde van de eerstejaarsleerlingen op naar een niveau hoger. Van kader naar t-advies, van t-advies naar havo, en in het geval van Chevenne, die niet in haar mentorklas zit, misschien wel van t-advies naar vwo. Daarna hebben ze nog anderhalf jaar de tijd om te laten zien wat ze kunnen. ‘Dan kunnen we ook onderzoeken of ze het niveau aankunnen. Want als ze de stof niet krijgen, hoe kun je dat dan zeggen?’ Het is het belangrijkste argument voor de middenschool: de vroege selectie ontneemt kinderen kansen. En dat leidt tot ongelijkheid: hoe vroeger de selectie in het onderwijs van een land is, hoe bepalender de opleiding van de ouders is voor de opleiding van de kinderen, concludeerde socioloog Herman van de Werfhorst in 2015 op basis van een internationale vergelijking van onderwijsstelsels. Recent voegde hij daar met collega’s nog een interessant inzicht aan toe: op een school waar de brede brugklas van twee jaar naar één jaar werd ingekort, daalden de burgerschapsvaardigheden van leerlingen.

Onbekend maakt onbemind, weet ook osb-directeur Saskia Grotenhuis. Ze zag het nota bene bij haar eigen kinderen, allebei inmiddels de dertig gepasseerd, die naar een vwo-school in Amsterdam gingen. Ze zaten naar een quizje op televisie te kijken. ‘Dan hoor je: dat ze dat niet weten, dat leer je toch op school? Hun eigen kennisniveau is hun enige referentiekader.’

Waarmee ze niet wil zeggen dat contact een garantie is voor succes. Ook op de osb zoeken de Antillianen en Ghanezen elkaar op, wordt soms met weerstand naar elkaar gekeken, en is er soms een kloof tussen de jongens en meiden van Abcoude en de jongens en meiden van de Bijlmer. ‘Je kunt dat alleen maar steeds weer bespreekbaar maken. Maar het mooie van deze school is dat we dat niet alleen hoeven te doen in het vak burgerschapskunde, maar dat we dat elke les moeten doen. Het is geen vak, het is samen opgroeien.’

Stereotype, het woord komt een aantal keer terug in het gesprek met Grotenhuis, die antropologie studeerde aan de Universiteit van Amsterdam en lang actief was in de studenten- en vrouwenbeweging. Pas in 2008 kwam zij bij de osb terecht, na twintig jaar bij pedagogiek en onderwijskunde aan de UvA en een aantal jaar als beleidsmedewerker bij de gemeente. Grotenhuis, comfortabel gekleed in een spijkerbroek en kabeltrui en met een dik brilmontuur, maakt zich kwaad om de vooroordelen die er bestaan over vmbo’ers. ‘De grootste angst van een ouder met een havo/vwo-kind in Amsterdam is dat zijn kind met een vmbo’er in de klas zou zitten. Terwijl dit evengoed kinderen zijn met dromen, die dingen mooi vinden en problemen hebben thuis.’

Ze begrijpt ouders heus wel, die uit angst voor afstroom naar een lager niveau voor een categorale school kiezen. Het gemiddelde eindexamencijfer vwo schommelt op de osb rond de zes, en het aandeel havo/vwo’ers is eigenlijk te klein. Met aparte samenwerkingsopdrachten proberen ze die iets extra’s te bieden, maar het blijft lastig concurreren met categorale scholen. ‘Dat is een heel ingewikkeld probleem. Wij hebben zeventig procent vmbo, het risico is dat ofwel de focus te veel op de meerderheid ligt, of dat in samenwerkingsopdrachten er te weinig inbreng van havo/vwo’ers is. Maar het concept van gemengde klassen zelf is goed, daar ben ik heilig van overtuigd en dat heeft onderzoek overtuigend genoeg laten zien.’ Zelf pleit Grotenhuis voor een middenschool van elf tot veertien, dus inclusief groep acht. Kinderen zijn tegenwoordig op die leeftijd vaak al wel een beetje klaar met de basisschool. En na de tweede kun je dan verder. ‘Op een gegeven moment heeft die vmbo’er er weinig meer aan om met een vwo’er in de klas te zitten. Maar voor een heel grote groep kun je tot veertien jaar prachtig onderwijs maken en kun je daarna gericht werken aan de voorbereiding op het beroepsonderwijs, hbo en wo.’

10.55 uur, derde blok, biologie, klas 2c3.

Als je biologiedocent Micha van Minderhout ziet lesgeven – cool en zelfverzekerd op zijn witte basketbalschoenen – zou je niet zeggen dat hij pas sinds het begin van dit schooljaar op de osb werkt. In eerste instantie had hij geen idee wat hij aan moest met de kring. Een les met zijn mentorklas bracht hem op een idee: het compliment van de dag. Nu wijst hij iedere les een leerling aan die een andere leerling naar eigen keuze een compliment moet geven. Vandaag is Luciano aan de beurt, een stevige donkere jongen met een capuchontrui en grijze joggingbroek. ‘Mooie schoenen is afgezaagd, hè.’

Eerst een filmpje, over een met stamcellen gerepareerd rattenhart. Het roept veel op bij de leerlingen: de ene na de andere vraag wordt op Van Minderhout afgevuurd.

‘Een rattenhart is toch niet geschikt voor mensen?’

‘Nee, als ze dat in jouw borstkas zetten, leef jij niet een lang, gelukkig leven.’

‘Heeft die hart geen ratten-dna?’

‘Dát hart.’

‘De grootste angst van een ouder met een havo/vwo-kind is dat zijn kind met een vmbo’er in de klas zou zitten’

‘Als je doodgaat, komt dat doordat je hart stopt?’

‘Dat kan…’

‘Maar bij een normale dood?’

‘Er is geen normale dood.’

Na het vragenrondje is het tijd om in groepjes aan de slag te gaan. Alle niveaus zitten door elkaar, in de tweede wordt alleen bij wiskunde, economie en de talen naarmate het jaar vordert vaker gewerkt met niveaugroepen. De leerlingen zwermen uit naar de aan hen toegewezen tafels, Van Minderhout deelt A3’tjes uit.

Dan is Luciano aan de beurt.

Vastberaden knikt de jongen op de vraag of hij een compliment heeft bedacht. ‘Mijn compliment van de dag gaat uit naar Jamal’, zegt hij, terwijl hij zijn duim schuin omhoog steekt richting Jamal, een jongen met een Steve Urkel-bril aan de andere kant van de klas, die glunderend de duim beantwoordt. ‘Hij heeft heel veel humor, en dingen die minder leuk zijn – ik zeg niet wat – daar gaat hij heel goed mee om. Ik denk: hoe doe je dat?’ Een mooi compliment, Luciano krijgt een applausje.

Nu moet iedereen opletten, Van Minderhout legt de opdracht uit. Met zijn vinger tekent hij op het smartboard. Er moeten tekeningen gemaakt worden: van de vorming van geslachtscellen uit lichaamscellen, en van wat er gebeurt als geslachtscellen bij elkaar komen en er een bevruchting plaatsvindt. Wat gebeurt er dan met het aantal chromosomen?

Alle groepjes gaan aan de slag, de docent loopt even het lokaal uit. Het groepje van Luciano (‘Ik snap er helemaal niks van!’) mag op het smartboard een filmpje van SchoolTV kijken over erfelijkheid. Bij het groepje naast de deur trekt een jongen in een trainingspak van voetbalclub Paris Saint-Germain bruusk het papier naar zich toe. ‘Zeg maar wat we moeten doen.’ Van Minderhout is alweer terug, neemt het papier van hem over en geeft een voorzetje.

Dan is het uur alweer bijna om, tijd voor het huiswerk. Voor het eerst deze les blijkt dat er leerlingen van verschillende niveaus aanwezig zijn:

‘Als jij in deze klas zit met een b-, k- of t-advies, dan maak jij een tekening waarin je uitlegt hoe een tweeling tot stand komt.’ Havo/vwo moet twee tekeningen maken: van een één- én een twee-eiige tweeling.

Bij het weggaan krijgen alle leerlingen bij de deur een hand van meester Micha, soms vergezeld van een dwingend verzoek om alsnog hun stoel aan te schuiven. Zuchtend draaien ze zich om.

12.00 uur, vrij!

Tijd om de balans op te maken. De osb is niet dé middenschool, het is officieel niet eens meer een middenschool, maar de concrete praktijk op deze school biedt wel handvatten voor het complexe middenschooldebat. Allereerst, de term middenschool, met al zijn historische connotaties, staat dat debat misschien wel vooral in de weg. De Onderwijsraad is bijvoorbeeld voorstander van junior colleges: gezamenlijk onderwijs voor tien- tot veertienjarigen. Er zijn nieuwe initiatieven voor scholen voor leerlingen van nul tot achttien jaar. En je hebt de klassieke brede brugklassen, van één of meerdere jaren.

Allemaal middenscholen? Belangrijker is de vraag of burgerschap en cognitie hand in hand kunnen gaan. Want dat mengen van en contact tussen groepen beter is voor burgerschap dan groepen scheiden, dat lijkt inmiddels wel duidelijk. En meer kansen bieden, daar zijn weinig mensen tegen.

Maar die havo/vwo’ers, hoe krijg je die weer terug op een brede(re) school? osb-docent Marije Ebbens pleit voor overheidsingrijpen. Bijvoorbeeld in de vorm van een bonus voor scholen die heterogeen worden. ‘Dat vind ik een goed idee. Zolang ouders kunnen kiezen, kiezen ze voor Zuid en voor categoraal als het mogelijk is. Dat kunnen wij niet veranderen.’


Beeld: Zelfopgestelde klassenregels op de Open Schoolgemeenschap Bijlmer in Amsterdam-Zuidoost (Bram Budel / De Beeldunie)