Karel van het Reve als academicus

Er was geen mens in de tentoonstellingsruimte van de Universiteitsbibliotheek. Op zo'n regenachtige zaterdagmorgen hebben de mensen in en buiten Leiden wel iets beters te doen dan het bekijken van een mini-tentoonstelling over Karel van het Reve. Maar je laat je toch door zo'n stomme regenbui niet afschrikken om een werkbezoek te brengen aan een man die bij leven en welzijn is getypeerd als een ‘met fascistoïde drek overgoten’ (J.R. te Amsterdam) ‘huurmoordenaar’ (H.B.C. te Amsterdam) die ‘slechts gradueel van Hitler’ (H.R.M. te Arnhem) zou verschillen?

De expositie omvatte vier vitrines met weinig nieuws en veel dierbaarheidswaarde. Bijvoorbeeld het boek van K. Paustovski, De Baai van Kara Boegas, dat Van het Reve op veertienjarige leeftijd (uit het Duits) heeft vertaald. Plus Van het Reve’s proefschrift Over Goed en Schoon in de Sovjetcritiek, aangevuld met een schoolschrift waarin de namen stonden van diegenen die een present-exemplaar zouden krijgen, waaronder H.P.L. Wiessing, hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer in een periode waarin beide mannen nog in Josif Stalin geloofden. Het thema van dit boek was de Sovjet-Russische hebbelijkheid om iedere vooraanstaande cultuurdrager, bij voorkeur de dode, postuum bij het communisme in te lijven, zelfs als het erkende feodalen als Goethe en Shakespeare betrof.
De pro-communisten waren boos en probeerden - tevergeefs - de promotie te voorkomen, onder meer met het argument dat Van het Reve niet zo'n goede wetenschapper was. Op zijn tweede boek met academische pretentie, zijn Geschiedenis van de Russische Literatuur (1985), viel ook wel iets af te dingen. Van het Reve had ooit betoogd dat letterkundige tekstanalyse geen zin heeft, omdat er veelal staat wat er staat, niets meer en niets minder. Deze theorie probeerde hij op zijn eigen boek uit. Dat mislukte. Het kwam neer op een hervertelling van Anna Karenina, opgevrolijkt door een handvol anekdoten.
Primair vertaalde hij. Zelf vertaalde hij Toergenjev. Met zijn studenten vertaalde hij Poesjkins De stenen gast en Gogels De revisor. De boekjes zijn op de expositie te bezichtigen, zij het achter glas. De centrale vitrine bevat Van het Reve’s toga en baret, twee bewijzen van academische waardigheid die mij, in proletarische solidariteit, ontroerden. Hij had het toch maar voor elkaar gekregen, die jongen uit Betondorp die zich binnen de muren van de Leidse Alma Mater tot ‘de ondeugendste professor van Nederland’ ontwikkelde.
Kent iemand het boekje met limericks (vitrine drie) die Van het Reve in 1953 schreef en in 1991 bundelde?
'Er waren eens zeven matrozen,/ die brachten een fraaie bos rozen/ bij een meisje aan de Zaan,/ met een kaartje eraan,/ waarvan een dragonder zou blozen.’
En: 'Wij schrijven het jaar onzes Heren/ 2000, maar moeten veel leren:/ de meerderheid/ verbeuzelt zijn tijd/ met vruchteloos redeneren.’
In zijn pas verschenen, postume bundeling van Parool-columns Achteraf, gewaagt hij van een 'geheime vereniging’ die twee keer per jaar collectief een boek bespreekt. Ik behoor zelf tot de ingezworenen, zodat ik niet in details kan treden. Meestal betreft het 'een boek met een Diepere Betekenis, en daar hou ik niet zo van’. Het laatste boek dat wij gezamenlijk analyseerden was Cesare Pavese’s Gesprekken met Leuko, waarin iedereen andermaal diverse diepe betekenislagen vermoedde. Karel van het Reve leed al enigszins aan verval van krachten, maar was gelukkig nog net vitaal genoeg om met die hem typerende kleurloze stem te mompelen: 'Het is mogelijk. Maar ik begrijp er niets van. Volgens mij is het allemaal onzin.’
Hij trad als hoogleraar aan in een periode dat studenten als 'apathisch en lui’ (Derrick Philips) werden beschouwd, met 'zonder uitzondering lang en ongekamd haar, vlassige baardjes, jeans met opgestikte lapjes stof, geitenwollen sokken, ziekenfondsbrilletjes, schoudertassen en bruine T-shirts’ (Maurice Punch). Gelezen hadden zij niet. 'Het enige waar je nu nog aan kunt refereren is Kuifje’ (Karel van het Reve). Hij ontkende, tegen de gangbare opvattingen in, dat studenten zoveel dommer zouden zijn geworden. Zij waren hoogstens even dom als vroeger. Zijn hart lag niet in Leiden, maar in Amsterdam, waar hij een soort essayistiek ontwikkelde waarin hij even achteloos als leesbaar placht te brilleren.
Hoe Van het Reve ondertussen in Leiden zijn brood verdiende weet ik niet. Toch denk ik op puur intuïtieve gronden dat hij de beste docent van allemaal is geweest. En, ondanks zijn sceptische tot chagrijnige voorkomen, iemand die tegen de uiterlijke schijn in aardig voor zijn studenten was. Een hoogleraar was vroeger een academische potentaat die je genadeloos liet zakken als je met ongepoetste schoenen op de drempel stond. Van het Reve haatte wat hij in zijn afscheidscollege 'de macht over studenten’ noemde. 'Er moet iemand zijn die cijfers uitdeelt, die mensen laat zakken of laat slagen. Dat is iets afschuwelijks. Ik wil best mijn oordeel geven over wat een student geschreven heeft of een antwoord geven op de vraag of die student van een bepaalde zaak iets weet of niet. Dat is niet moeilijk. Maar ik vind het zeer onaangenaam als aan mijn oordeel administratieve consequenties verbonden zijn. Voor sommigen is macht in de zin dat je iemand kunt laten slagen of zakken iets fijns, een positie die zij graag willen bereiken. Voor mij is het iets afschuwelijks en een van de redenen waarom ik wegga.’
Zijn laatste Parool-stukje schreef hij op 11 mei 1996. Hij was inmiddels 75 en het was mooi geweest. Bovendien kostte hem het herinneren van de naam van Goethes vrouw inmiddels drie kwartier geijsbeer, wat erop wees dat hij niet meer de man voor zo'n wekelijkse column was. 'Ik zink weg in een poel van vergetelheid. Vaarwel.’
Bijna een halve eeuw eerder had hij gedicht:
'Wij schrijven het jaar onzes Heren/ 2000, maar moeten veel leren:/ De meerderheid/ Verbeuzelt zijn tijd/ Met vruchteloos redeneren.’
Nét niet gehaald! Godverdomme, Karel, en dat in een tijd van oprukkend obscurantisme, waarin wij jouw scepsis en gezond verstand beter dan ooit hadden kunnen gebruiken!
('Drie asperges’, zei ik, 'drie asperges is genoeg.’ Het groentenmeisje was een goed groentenmeisje. Ofschoon zij haar hand de schijn van activiteit meegaf door hem vijf centimeter hoger te brengen, bleef zij mij aankijken. Zij keek naar een vent die drie asperges wenste te kopen, maar die een kop had waar krachtige neusvleugels bijna onmerkbaar trillend nog steeds twijfel uitdrukten.
Had zij haar hand laten zakken, het zou een ontkennende reactie zijn geweest. Had zij haar ogen neergeslagen, dan kon dat alleen maar ongeduld betekenen. Wisseling van Stand-und-Spielbein zou wanhoop hebben uitgedrukt. Maar zij, zij liet mij nog een volgende mogelijkheid. Haar ogen keken recht in die van mij. Misschien wilde ze wel iets zeggen, maar weerhield mijn aarzeling haar daarvan. Een bemoedigende opmerking voor iemand die niet meer dan drie asperges ging kopen.
Wat zou zij willen zeggen? Iets als: 'Asperges met bloedworst, gaat u asperges met bloedworst eten? Dan is dit meer dan genoeg, de asperges mogen namelijk niet overheersen. Het gaat om de bloedworst. Een aspect van, indien een toevallige beschouwer deze schotel zou zien en tegelijk het teveel aan asperges, een aspect van onschuld komt in dat geval te vervallen. Een belangrijk aspect. De samenkomst van bloedworst en asperges is ongebruikelijk, zelfs indien men gewend zou zijn aan het samenkomen van zwart en wit. Dan nog zelfs. Te veel asperges, te weinig bloedworst, het zou een belasting kunnen vormen. Zelfs het begrip schuld zou een rol kunnen gaan spelen. Wellicht niet eens alleen voor een toevallige beschouwer, maar ook voor u. Die het moet opeten. De schuldvraag zou voor u op tafel liggen. Onuitgesproken. Maar toch.’
Ze had gelijk. Hoewel ze tot nu toe nog niets had gezegd.
'Weet u hier in de buurt een goed adres voor bloedworst’, vroeg ik zo opgewekt mogelijk. Alsof het om hyacinten ging, of een paar handschoenen. Ze bracht haar hand weer terug op de oorspronkelijke hoogte. Dat betekende dat ze nadacht.
Haar lippen weken. 'In Haarlem wel’, zei ze. 'In Haarlem wel.’