Karels kleren

Mariëlle Hageman

De kleren van de keizer: Rituelen en media in de tijd van Karel de Grote
De Arbeiderspers, 325 blz., e 21,95

Heel lang zijn de middeleeuwers beschouwd als nogal onvolwassen types die zich louter door emoties lieten leiden en bij wie de rationaliteit een ondergeschikte rol speelde. Huizinga noemde dit «’s levens felheid» en schreef: «Tussen leed en vreugde, tussen rampen en geluk scheen de afstand groter dan voor ons; al wat men beleefde had nog die graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, die de vreugde en het leed nu nog hebben in de kindergeest.»
Nu kan Huizinga best gelijk hebben gehad, maar zijn collega’s hebben de getuigenissen uit de Middeleeuwen wellicht iets te letterlijk genomen. Evenals historici die onderzoek doen naar andere tijdvakken houden de mediëvisten zich de laatste jaren steeds meer bezig met het bestuderen van de vormen van communicatie in het verleden. Zo heeft Mariëlle Hageman in De kleren van de keizer gekeken naar de functie van rituelen en ander uiterlijk vertoon in de vroege Middeleeuwen. Ook gaat ze in op de rol die de media uit die tijd – de beeldende kunst en de geschiedschrijvers – speelden in de politieke beeldvorming.

Hageman beschrijft op pakkende wijze de functie en ontwikkeling van een aantal rituelen, zoals de kroningsceremonie, het knielen van onderdanen voor de vorst en van de vorst voor God, en de ontvangst door de koning. Dat de Middeleeuwen heel wat minder statisch waren dan we geneigd zijn te denken, blijkt uit het feit dat de biograaf van Karel de Grote, Einhard, veel woorden vuil maakt aan het huilen van de vorst bij het overlijden van dierbaren. Lang was dat gezien als een teken van zwakte, als iets wat een christen niet past, omdat de overledene immers eeuwig voortleefde. In de tijd van Karel begint dit te kenteren en worden deugden als mededogen, liefde, vergevingsgezindheid en nederigheid belangrijker voor een vorst.

Interessant is ook dat brave chroniqueurs als Einhard en de anonieme schilders, beeldhouwers en miniaturisten niet allemaal dociele propagandisten waren die alleen de reputatie van andere vorsten konden maken of breken, maar dat zij ook invloed hadden op de beeldvorming van hun eigen vorst. Zij droegen een politiek ideaal uit en de manier waarop ze dat deden had weer invloed op de inhoud van dat ideaal. Wat dat betreft leken de media van rond 800 meer op de hedendaagse journalistiek dan we wellicht zouden denken.