Karig

Waste van Damien Hirst is een doorzichtig gemaakte medische vuilnisbak die doet denken aan het toneel van Samuel Beckett. De betekenis blijft hangen.

De figuurlijke vertellingen in grote, staande, doorzichtige containers als bijvoorbeeld Waste (1994) worden in het atelier van Damien Hirst vitrines genoemd. Er zijn er tot op heden een kleine zestig van gemaakt – een paar zijn er nog in productie. Hun besloten ruimte werkt als een vloer of podium voor een voorstelling waarvan het eigenlijke verhaal eerder wordt aangeduid dan woord voor woord verteld. Een werk begint wel zoals vertellingen altijd beginnen: er woonde eens in een klein hutje in een donker bos. In het geval van Hirst begint elke vitrine dan ook met vormgeving en constructie van het ding zelf. De laatste tijd heb ik me met die werken wat meer beziggehouden en daarbij kunnen vaststellen dat ze wat betreft bouw (architectuur) en maat nogal verschillen. Erg groot zijn die verschillen niet, maar groot genoeg om vast te stellen dat het geen standaardmodellen zijn. Wie weet heeft Hirst een voorbeeld genomen aan eenvoudige schuurtjes of aan die kleine kassen van glas en aluminium die overal in tuinen staan. Het vitrine-idee komt niet voort uit zulke open geometrische constructies die we kennen van Sol Lewitt of Donald Judd, hoewel ik weet dat Hirst een serieuze affectie heeft voor minimal art. De vitrines zijn echter meer dan alleen strak van bouw – strak omlijnd en koel transparant tonen ze ons vooral een binnenruimte. Daarin is plaats om met verschillende soorten rekwisieten situaties in scène te zetten. De suggestie van een geluidloos stukje toneel of pantomime dringt zich op omdat veel van de vitrines zo groot zijn dat er figuren zouden kunnen optreden in het zorgvuldige, meest kale decor met tafels, stoelen en spullen. Er zijn ook werken waarin mansgrote poppen meespelen. Zulke mises-en-scène zijn een opstelling, op een strak, door metalen ribben omlijnd podium, die te vergelijken is met de stelling van stukken op een schaakbord. Ik bedoel: een schaker kan de intentie van een stelling lezen. Wat echter een situatie precies zou kunnen voorstellen wordt hooguit gesuggereerd en verder overgelaten aan de verbeelding van de toeschouwer. Denk ook eens aan het fietswiel, omgekeerd op een keukenkrukje gemonteerd, van Marcel Duchamp, dat toen het in 1913 werd gemaakt zelfs gewoon Roue de bicyclette heette. Er is veel nagedacht over wat die readymade zou betekenen. Wie het weet mag het zeggen. Waar het om gaat is, denk ik, dat het vreemde voorwerp tot nu toe de fantasie heeft gemobiliseerd – en ons er zo aan herinnert dat kunst niet gaat over restloze betekenis, maar over de energie die een ding oplevert voor de grenzeloze, menselijke verbeelding.

Waste, uit 1994, is een compacte en niet zeer grote vitrine. De ijzeren ribben zijn naar verhouding stevig en zwaar waardoor het ding bijna de gravitas heeft van een graftombe. Het is volgepropt met weggegooide verpakkingen van farmaceutische producten en van allerlei andere spullen die in een ziekenhuis worden gebruikt. Het is een doorzichtig gemaakte medische vuilnis­bak. Zo treedt het ding, hoewel kleurig en bont, op als een navrante verwijzing naar het obsessieve streven van de moderne mens om de dood te overwinnen. Veel wat Damien Hirst maakt, beweegt zich in die inhoudelijke context. Wetenschap en technologie hebben zoveel uit­gevonden, van het wereldwijde web tot het dodelijkste wapentuig, dat mensen gingen vinden er ook recht op te hebben om niet meer dood te gaan. De verwarring daarover, tussen dromen en eisen en sentimenten (die we ook bespeuren in onze discussie over de zorg), is in Waste ook als fysieke verwarring uitgedrukt. Alles zonder onderscheid door elkaar heen samengepakt in een harde vorm – maar duidelijker wordt het niet.

Kijkend naar Waste en verder denkend aan de vormgeving van andere vitrines kwamen mij de karige taal en de kale mise-en-scène in gedachte die het handschrift zijn van het toneel van Samuel Beckett – en hun strakke, afgemeten toneelbeeld. In Play (1962-63) bijvoorbeeld staan middenvoor drie identiek grijze vazen van ongeveer een meter hoog tegen elkaar aan geschoven. Uit hun nauwe opening steken de hoofden van de drie personages die stil moeten staan in een verdieping in de toneelvloer. Vrouw, man, vrouw – ook de gezichten, wilde Beckett, moeten grijs en tijdloos zijn en mogen niet bewegen. Op het toneel is het vrijwel donker, maar een personage activeert een sterk licht op haar/zijn gezicht als het begint te spreken. Het beeld verloopt in grote afgemetenheid. Maar eerst begint het stuk met zwak licht terwijl de personages met heel zachte stem, bijna onverstaanbaar, tegelijk door elkaar heen spreken: (1) Yes strange darkness best (2) Yes perhaps a shade gone (3) Yes peace one assumed. Enzovoort, dat verward en met herhalingen – omdat je, tegenover leven en wereld, ook niet direct weet wat je zeggen moet als je eerlijk bent en nadenkt. Bij Beckett blijft als het ware betekenis hangen tussen woorden die in elkaar verward raken – zoals in de glazen container ook de gescheurde resten van ziekenhuisafval verward en verbluffend achter­blijven.