De gladde, vieze, foute mensen van Terry Rodgers

Karikaturen van karikaturen

Terry Rodgers laat met zijn schilderijen zien dat het Barbie & Ken-ideaal uit Amerika niet helemaal goed lijkt af te lopen. Dit schoonheidsbeeld leidt niet tot geluk. Wel tot teleurstelling. En die heeft net zo weinig nuance als het ideaal.

DE TWEESLACHTIGHEID van onze tijd (seksualiteit uitstralen is een statussymbool, maar tegelijk is er het losgeslagen seksuele gedrag van jongeren) zien we terug in de hyperrealistische schilderijen van Terry Rodgers (Newark, 1947). Zijn werk laat de wereld zien waarin de ‘young and beautiful’ leven. Het Scheringa Museum voor Realisme in Spanbroek organiseert de eerste museale solotentoonstelling in Europa van deze Amerikaanse schilder. De levensgrote werken zijn tot de rand gevuld met schaars geklede vrouwen en breedgeschouderde mannen. Ze zien eruit als fotomodellen en vertoeven in luxueuze huizen waar, zo lijkt het, een eeuwigdurend seksfeest aan de gang is. Deze wereld lijkt op het eerste gezicht misschien aantrekkelijk, want door geld en privileges hebben deze kinderen van de jetset alle middelen om te doen wat ze willen. Maar wat er achter de façade van rijkdom schuilgaat, klinkt allemaal niet erg aantrekkelijk: promiscuïteit, onthechting, een vlak schoonheidsideaal en contactloosheid. Rodgers heeft zijn thematiek niet zelf verzonnen. Dit is het Amerika dat hij in de jaren tachtig en negentig heeft zien opkomen, toen er een golf van materialisme over het land spoelde. Zelf omschrijft hij het zo: ‘I see a world driven by desire and crushed by pseudo satisfaction. Wanting better bodies, more beautiful faces, expensive clothes, stunning architecture, exclusivity. My hope is that these paintings reveal fragile, genuine human beings trying to figure it out.’
Rodgers kijkt naar zijn jongere landgenoten met mededogen. In zijn werk treden ze op als slachtoffers van een overdadige, verwarrende tijd waarin de grenzen zoek zijn. Kunstenaars hebben wel vaker een voorkeur voor getormenteerde mensen, de slachtoffers. Het is een wel heel simpele manier van Rodgers om hen zo te portretteren. Ieder mens met een beetje verstand kan bedenken dat deze jongens en meisjes, mochten ze werkelijk op zoek zijn naar geluk, toch echt op de verkeerde plaatsen zoeken. Het leven dat zij leiden is een keuze, want zolang je niet aan een ander leven begint, is het een keuze om te blijven zoals je bent. Je eigen verantwoordelijkheden afschuiven op zoiets als ‘rijkdom’, ‘de tijdgeest’ of ‘de maatschappij’ is te gemakkelijk.
Het universum dat Rodgers presenteert ligt zo ver af van het alledaagse bestaan dat je geneigd bent om te denken: als die mensen in Amerika zo willen leven, dan moeten ze dat maar zelf weten. Er zijn grotere problemen in de wereld. Maar helaas is het niet zo eenvoudig, want een dergelijke levenswijze is overgewaaid naar Europa, waardoor je er, zij het in een afgezwakte vorm, vrijwel elke dag mee wordt geconfronteerd.
Nadenken over het werk van Rodgers betekent nadenken over een cultuur waarin de verering van ‘bevoorrechte’ personen centraal staat. Paris Hilton is hiervan een goed voorbeeld – in twee schilderijen komt zij dan ook voor. Ze is niet beroemd omdat ze talentvol is, in zingen, acteren, sporten of het besturen van een land, maar omdat ze rijk is, als erfgename van de hotelketen. Haar verdienste bestaat uit het etaleren van deze vorm van succes. In de media verschijnen is een doel op zich. Van een innerlijk leven geeft ze geen blijk.
Niet voor niets staat precies dit type, de Paris Hiltons van deze wereld, centraal in het debat over de pornoficatie van de samenleving. Beïnvloedt dit het rolmodel voor pubers die hun seksualiteit aan het vormen zijn? Gaan jongeren in deze avontuurlijke maar ook kwetsbare fase van hun leven dit als de norm zien? En willen ze het navolgen? De commercie speelt hier in ieder geval op in. Televisieprogramma’s als Idols en Big Brother voorzien in de behoefte van de gewone mens om bijzonder en net als een ster bekend te zijn. Grappig genoeg heeft het een averechts effect: als iedereen het kan zijn, waarom is het dan nog bijzonder? De mythe van exclusiviteit die de glamourwereld graag uitstraalt is in elk geval alleen maar ingezakt doordat iedereen werd toegelaten.

RODGERS IS REPRESENTATIEF voor het hedendaagse realisme dat sinds de jaren negentig weer in opkomst is. De term ‘realisme’ is wellicht misleidend. Rodgers’ schilderijen zijn weliswaar figuratief, maar zijn geen weerslag van gebeurtenissen die werkelijk hebben plaatsgevonden. Geen feestjes waar de schilder met schetsboek en potlood bij aanwezig is geweest. Zijn werkwijze is anders: op straat maakt hij foto’s van mensen die hem opvallen vanwege een bepaalde expressie. Ook gebruikt hij modellen in zijn atelier. Op de computer voegt hij al deze mensen samen in een ensemble van momenten die goed bij elkaar passen. In het laatste stadium pakt hij de kwast op en gebruikt verf, omdat ‘deze stroperige oliehoudende brij tegelijk ook de zachte golving van een buik kan zijn’. Het is dus fictie wat we zien, de verbeelding van de kunstenaar.
Door de reflectie op sociale verschijnselen is Rodgers’ werk verwant aan de ‘burgerlijke verveling’ die de Amerikaanse kunstenaar Eric Fischl (1948) met zijn schilderijen uitbeeldt en de inhoudsloze ‘glamour seekers’ uit de romans van F. Scott Fitzgerald (1896-1940) en Bret Easton Ellis (1964). Het werk doet ook denken aan dat van Elizabeth Peyton (1965); zij portretteert in haar schilderijen bekende mensen – zoals Kurt Cobain van de band Nirvana, modeontwerper Marc Jacobs en rapper Eminem – om in de privé-sfeer te kruipen van mensen die tot onpersoonlijk, openbaar bezit zijn verworden.
Je kunt je afvragen waarom deze beelden, die al zo wijdverspreid zijn, nog eens dunnetjes worden overgedaan door kunstenaars. Of anders gesteld: waarom zou de (schilder)kunst zich nog langer met de populaire cultuur bezighouden? In de jaren zestig haalde de kunst de populaire cultuur binnen om zich te vernieuwen. Toen was dat nodig. Nu liggen de verhoudingen anders. De populaire cultuur, daar is de rek al lang uit. Dat is het probleem van het werk van Rodgers: het doet gedateerd aan, juist omdat het zo hedendaags wil zijn. Al die Diesel-onderbroeken, tepelpiercings en strings: het is te geforceerd, te letterlijk.
In veel van zijn schilderijen plaatst Rodgers één of twee opvallende figuren in de voorgrond. Deze functioneren als een repoussoir die de blik het schilderij in leidt. Vanaf daar dwingt Rodgers het oog verder te dwalen. Je ziet naakte lichamen, maar je voelt geen intimiteit, erotiek of onderhuidse spanning. Het decor is opgetrokken uit een barok kleurenpalet van goud, paars en rood. Opvallend is dat niemand op de schilderijen een ander aankijkt. Terwijl mensen een beetje aan elkaar zitten te frunniken, staren hun ogen afwezig langs elkaar heen. Sommigen dragen een zonnebril, onpersoonlijker kan niet. Voor één schilderij is dat interessant, voor twee ook nog wel, maar als je er achter komt dat dit op werkelijk elk schilderij gebeurt, ontstaat er een gebrek aan nuance. Een groep mensen doet nooit altijd hetzelfde. Daarvoor is de mens een te grillig wezen. Het werk doet er bedacht en kunstmatig door aan, en dat niet in positieve zin. Natuurlijk, een kunstenaar wil een idee zo overtuigend mogelijk overbrengen. Hij overdrijft om een statement te maken en bakent zijn onderwerp af om het zo scherp mogelijk te laten uitkomen. Maar een te gestileerde benadering heeft tot gevolg dat je dingen laat liggen. Het zou voor de afwisseling goed zijn, en voor het ‘realisme’ zelfs noodzakelijk, als er wél eens twee mensen contact met elkaar zouden hebben. Al was het maar per ongeluk of in een hoekje. Een teder gebaar zou in Rodgers’ groteske universum uitermate spannend zijn, want het zou onwennigheid opleveren en dat zou ontroeren, tot nadenken aanzetten of een ander effect hebben. Maar hieraan waagt de kunstenaar zich niet. Hij wil niet ontroeren, alleen maar confronteren.
Het werk van Rodgers heeft de naam controversieel te zijn, wellicht omdat er op promiscuïteit een taboe rust en omdat de vele afgebeelde geslachtsdelen, toegegeven, best confronterend zijn. Maar het aan de kaak stellen van een taboe op een wijze die zo ‘in your face’ is, is wel een heel oud concept. Door de dagelijkse overdaad aan seksueel getinte beelden die door de massamedia worden verspreid, is de hedendaagse kunstenaar genoodzaakt andere manieren te vinden om mensen te bereiken. Hij zal in ieder geval subtiel moeten zijn. Want dat zijn de massamedia doorgaans niet. De kijker niet met nog meer overbodige beelden overladen, dat zou prettig zijn, en hem iets geven waar hij werkelijk wat aan heeft. Geestelijke voeding. Of dit werk daartoe in staat is, betwijfel ik. Schilderen kan Rodgers, dat is het punt niet. Al is hij voor een realist nu ook weer niet zo gedetailleerd en virtuoos dat hij in een traditie past die begon met Jan van Eyck en in bijvoorbeeld Carel Willink een moderne variant vond. De airbrush-achtige stijl van Rodgers maakt de mensen alleen maar nog gladder, viezer en fouter. Dat werkt wel. Heel goed zelfs. Maar wrang of pijnlijk wil het nergens worden. Na een tijdje werken de schilderijen zelfs op de lachspieren. Al die mensen zijn zo potsierlijk en sneu, en Rodgers zet dit zo dik aan, dat je ze moeilijk serieus kunt nemen. De schilderijen zijn karikaturen van mensen die al karikaturen van zichzelf zijn.

Terry Rodgers, Grenzen van verlangen/Boundaries of Desire. Scheringa Museum voor Realisme, Spanbroek, t/m 13 september