Karlsbad blues

KARLSBAD, TSJECHIE - Hotel Sanatorium Thermal in Karlovy Vary heeft splinternieuwe visitekaartjes. Daarop prijkt de betonnen kolos met de woorden: ‘Karlsbad is op zijn mooist vanuit Spa Hotel Thermal.’

Daar valt geen speld tussen te krijgen. Het hotel biedt een uniek uitzicht op het beroemde oude kuuroord. Het is namelijk het enige perspectief op het stadje waarin het monstrueuze bouwsel zelf niet te zien is. Thermal bestaat uit een hoge toren, die op een immens breed labyrint van zalen en hallen rust. Via een netwerk van gangen en een horizontale lift kom je bij het hotelzwembad in de heuvels, waar zich tevens de hotelbar verborgen houdt. Het boventallige personeel aldaar is vooral doende je te negeren, je niet te begrijpen of je uit te lachen, tenzij je ergens heen wilt waar je niet heen mag.
Wie kans ziet de onderste regionen van de hoteltoren te bereiken, ziet een ander Karlovy Vary. Hier schuiven witte jassen door de gangen en zijn de kamerdeuren bedekt met een laag gecapitonneerd bruin of rood nepleer. Kamer 218 heet ‘injectieruimte’, een andere deur voert naar de elektrotherapie, en verder kan men hier paraffine-, modder- en jodiumbaden ondergaan, oxygeno-, magneto-, hydro- en vele andere balneotherapeutische behandelingen. Tegen aandoeningen aan zo'n beetje alle organen en gewrichten, alsmede ontstoken tandvlees en ouderdom.
JE HOEFT de naam 'Karlovy Vary’ maar te laten vallen bij Nederlanders van Tsjechoslowaakse oorsprong en ze beginnen over de Russen. Niet over de 'oude’ Russen, maar over de 'nieuwe’. Of ze hun land nu ontvluchtten in 1938 (Hitler krijgt Sudetenland) in 1948 (de communisten nemen de macht over) of in 1968 (het Warschaupact bezet het land), gepijnigd zeggen ze dat het in 1998 alwéér helemaal mis is. Karlovy Vary? Karlsbad? Daar grijpen duistere krachten de macht. De stad is bijna compleet in handen van de Russische maffia, hebben ze gehoord.
Tien jaar na de Fluwelen Revolutie ligt het legendarische Boheemse kuuroord er verrassend uitnodigend bij. Sanatoriumhotel Thermal, dat in 1976 in gebruik werd genomen, is het enige forse stempel dat de 'Progressieve Krachten’ van na de oorlog op het exterieur hebben gezet. Dominant zijn nog altijd de fraaie oude badhuizen, sanatoriumhotels, patriciërshuizen en villa’s, de colonnades en de withouten prieeltjes. En niet te vergeten de Vridlo (Sprudel), de oerbron die zijn tweeduizend liter heet water per minuut midden in het stadje twaalf meter hoog opspuit tegen een glazen dak. Ondergronds wordt het water van de bron afgetapt ten behoeve van de talloze badhuizen en sanatoria.
Maar dit paradijs is van bordkarton. Er heerst een vreemde, beklemmende rust in het kuuroord. De mensen die er rondlopen, lijken in het verkeerde filmdecor te figureren. Groepjes oudere dagtoeristen schuifelen onzeker achter hun reisleider aan, op zoek naar een ver verleden. Ze kijken naar andere oudere paartjes die heel consciëntieus zitten te lurken aan kannetjes met het heilzame hete water. Een buslading kuurgasten uit Volgograd stapt uit bij een sjofel sanatoriumhotel. En dan zijn er nog de jonge gezinnetjes en groepjes jonge mannen die luidruchtig flaneren bij de winkels en cafés, gekleed in campingsmoking, leer of slechtzittende kostuums, met plastic tassen in de hand: de 'nieuwe’ Russen.
De fraai gerestaureerde façaden van Karlovy Vary lijken te smeken om een ander publiek, een publiek met stijl en kokette lachjes. Het stadje maakt net zo'n ontheemde indruk als de mensen die hier rondlopen.
PSYCHOLOOG Miroslav Hofirek kwam in 1972 naar Karlovy Vary. Zijn vader was na de coup van 1968 'gestraft’. Als gevolg daarvan kon de zoon geen baan krijgen in Moravië, het oostelijk deel van Tsjechië waar hij vandaan komt, maar wel in de westelijke uithoek waar Karlsbad ligt. Hij werkte er als therapeut, zat van 1990 tot 1992 als adviseur van de regering in de Praagse Burcht, en keerde terug in Karlsbad om zijn eigen adviesbureau op te richten. Hij test personeel en hij headhunt. Ook voor Nederlandse bedrijven als ABN Amro, Macro en Nutricia, die een vestiging in Tsjechië hebben of willen.
'Je moet je niet verkijken op die zogenaamd arme Russen’, zegt Mirek Hofirek. 'In zo'n plastic tasje heb ik al eens zestigduizend dollar mogen zien. De Russen die je hier vóór 1990 op straat zag, waren eenvoudige mensen die geen roebel te besteden hadden en hun wodka kwamen ruilen voor schoenen van de Bata. Het aangezicht van Karlovy Vary verandert in rap tempo. De etalages worden steeds schreeuwender, met lelijk glas en porselein tegen idiote prijzen, omdat de Russen ongezien het duurste kopen. Tweemaal per week is er een vlucht op Moskou, de enige directe luchtverbinding die de stad rijk is.’
Maar is dit ook een teken dat de maffia de stad overneemt? Hofirek geeft aan dat de kans dat 'ze’ Karlovy Vary opkopen vooralsnog klein is. 'Na de Fluwelen Revolutie in 1989 konden slechts zo'n twintig mensen, allen Tsjechen, aanspraak maken op hun voormalige bezit. De rest van de panden is aan de gemeente toegevallen. Soms konden huurders tezamen een pand goedkoop opkopen en later desgewenst doorverkopen. Maar de meeste grotere gebouwen zijn, onder auspiciën van wet en gemeente, naamloze vennootschappen geworden. Ze hebben doorgaans Tsjechische en West-Europese bedrijven als aandeelhouders.’
Goed gaat het echter niet in het kuur- en badwezen. Hofirek: 'Als je vroeger naar een arts ging omdat je voor een paar weekjes verlost wilde zijn van je vrouw, kreeg je het begeerde briefje al. De staat betaalde alles. Nu moet je wel ongelooflijk zware klachten hebben, wil het ziekenfonds een klein deeltje van je kosten betalen. De gewone Tsjech kan zich een kuurverblijf niet meer veroorloven.’
WAAROM KOMT de rijke West-Duitser hier niet kuren? Past het kuren niet perfect in de westerse gezondheidsrage?
Ik ga zelf maar eens een dagje kuren. Lazne (Bad) III, het neogotische Kurhaus uit 1866 dat midden in het stadje ligt, is voor een deel verhuurd: aan een kapper, een apotheek, een softwarebedrijf en een restaurant. Maar het sanatorium is intact, en een aantal behandelingen kun je ondergaan zonder medicinaal onderzoek, meldt een bord aan de gevel.
Een heerlijke zilte geur stijgt op uit het gebouw. Links en rechts van de entree zijn lange gangen met klapstoeltjes in de muur en allemaal kamertjes; linksvoor in de hal is een loket, en ook rechtsvoor is een loket. Het loket links geeft geen sjoege (het personeel houdt zich schuil achter verlepte gordijntjes) en het loket rechts verwijst naar het loket links.
Een paar uur later weet ik, via beide loketten, tot het zenuwcentrum van Lazne(III door te dringen: de kassa in de rechtergang. Ik probeer zelf een kuurprogramma op te stellen, bestaande uit een nat koolzuurbad (een kooldioxide-gasbad staat ook op de lijst) en een partiële massage. Het meisje achter de kassa vindt het maar niks, een patiënt zonder doktersvoorschriften. Maar uiteindelijk mag ik betalen en morgen terugkomen.
Een dag later meld ik me volgens afspraak bij kamer 4 op de linkergang. Na drie kwartier komt een witgeklede dame, die me kortaf zegt wat ik moet doen (uitkleden en wachten). Ze laat een zinken bad met vele slangen en stangen vollopen. Terwijl ik daar naakt sta, gaat de deur achter me driemaal open: een verdwaalde collega-patiënt, de inspectie?
Na een verkwikkend bad in warm spawater rolt de 'zuster’ me als een mummie in een oude deken, legt me op een brancard en zet de kookwekker: als die afgaat moet ik me aankleden.
Voor de massage vervoeg ik me in een wonderbaarlijk mooie art deco-ruimte. Van twee dames in het wit krijg ik een sleutel en het commando: uitkleden, douchen en wachten. De douches zijn uitgerust met moderne sensoren. Als je je in hun buurt waagt, gaat de douche uit, en loop je weg, gaat de douche aan. Na een kwartier heb ik een standje gevonden dat me met enkele druppels besproeit. Te laat. 'Hendrika… Hendrika…’ galmt het door het Kurhaus. De massagedame is boos en dat zal ik voelen. Ik moet mee naar een hok met roze 'Jordaan-vitrage’. Uit een grote emmer neemt ze een klodder vet en ze begint te kneden, zonder te vragen welk part van mij gemasseerd moet worden. Ze heeft er wel verstand van, geloof ik. Een dame met net zo'n norse stem als zij geeft via de radio ondertussen de Tsjechische nieuwsberichten door, en een collega komt een praatje maken.
Na een kwartier ben ik vrij. Ik kan het zwembad in, met het grote bord ernaast met de ministeriële bepaling uit 1982 dat de watertemperatuur 28 graden is. Onderweg naar de sauna beland ik in een ruimte met een kastje met twee pistolen erop. Dat is voor de waterstraaltherapie, weet ik van een plaatje: het slachtoffer moet tien meter verderop tegen de muur gaan staan, waarna hij met stevige stralen wordt beschoten.
Tot slot een bubbelbad met onvervalst troebel Sprudel-water. Alle steen en staal in en rond het bad bevat een rode, roestige aanslag, merk ik te laat. Dat wordt straf: mijn huurlaken, dat over een stang ligt, is genadeloos roodbruin. Ik besluit het sanatorium schielijk te ontvluchten - net op tijd, want mijn naaktheid vormt een pijnlijk contrast met de moddervette Russische familie met twee puberzoons, die in oogverblindende zwemkleding de badruimten binnentreedt.
LAZNE IV IS sinds kort warenhuis Atrium. Zelfs de Parijse modehuizen nestelen zich hier aarzelend. In het eigentijdse Atrium-café vraag ik Miroslav Hofirek waarom er geen rijke West-Duitsers en Oostenrijkers zijn. Die zijn er wel degelijk, zegt Hofirek. Alleen zie je ze amper op straat. Ze maken uitjes naar Marianske Lazne (Marienbad) en ze verschansen zich rond de golf- en tennisbanen en in de salons van Grand Hotel Pupp.
Pupp, het bekendste hotel van Karlovy Vary, is een conglomeraat van achttiende-eeuwse vermaakcentra die in 1896 in neo-barokke stijl tot een geheel aaneen werden gesmeed. Pupps gerestaureerde interieurs vormen een eenzaam baken van smaak en stijl in de stad. Een sanatorium ontbreekt.
Pupps marketing-manager, Ing. Sarka Bubelini, begint uit haarzelf over het 'Russenprobleem’: 'Al onze promotie-activiteiten zijn erop gericht de Russen te ontmoedigen hier te komen. Het belangrijkste marketinginstrument daarbij is de prijspolitiek. Onze kamerprijzen zijn voor Karlovy Vary uitzonderlijk hoog.’
Maar er zijn toch ook rijke Russen? 'Jawel, maar die prijs demotiveert hen. Zo'n Rus wil een goedkope kamer, en vervolgens wil hij heel veel geld betalen voor allerhande service. Hij wil bij de hand genomen worden, niets zelf hoeven regelen. Wij hebben hier individualistisch ingestelde gasten. We leveren onze diensten enkel op verzoek, maar dan wel gratis of heel goedkoop. Zo selecteer je vanzelf.’
Pupp heette voor de Fluwelen Revolutie Grand Hotel Moskva. Tot 1956 fungeerde het hotel als sociëteit voor officieren van het Rode Leger, maar daarna kwamen de oude gasten al weer snel. De Europese adel en chic, de Arabieren en de Israeliërs.
Op dit moment is de NV Pupp (met Tsjechische directeur) druk bezig de laatste lelijkheid uit zijn Moskva-tijd kwijt te raken. Alle aluminiumdecoraties worden met bruut geweld van de gevels gesloopt.
WAAR ZITTEN die nieuw-rijke Russen dan? Vooral in Pupps eeuwige rivaal, het pompeuze Kurhotel Imperial. Imperial kijkt op Pupp neer vanaf een hoge heuvel boven de stad. Het hotel is ingericht als een Hollywoodpaleis: fout goud, lelijk kant, nep-rococo. Het bezit een volledige sanatoriumuitrusting, 'voor al uw kwalen’. In de lounge, waar een cd met klassieke muzak telkens overslaat, zit een lukraak opgetooide familie (roze-blonde lokken, bordeelsluipers, cowboylaarzen, beroerd parfum) zich ’s ochtends met whisky en taart te vervelen.
In Imperial komen al vanaf 1912 de Russische rijken van elk tijdvak. In navolging van de grote groep Russen die in 1917 op de vlucht voor de revolutie in Karlsbad was neergestreken, kwamen na 1945 de nomenklatoera en de stachanovs (stootarbeiders). De luxe was hier vele malen groter dan in de Sovjetunie.
Ing. Ladislav Blazek werd in 1957 bedrijfsleider bij Imperial. Blazek: 'In de oorlog was het hotel in gebruik als lazaret voor de SS. Daarna hadden de Russen het als oorlogsbuit in bezit. Pas in 1957 hebben ze het onder druk teruggegeven. We moesten 4007 Russische kuurgasten per jaar ontvangen op 380 bedden. Ze bleven altijd drie weken, conform het kuurprogramma.
In de liberale laatste jaren vóór 1968 nam het aantal westerse gasten toe. Israelische gasten ook, die hun oude Bohemen hier konden terugvinden zonder de bijbehorende Duitsers. Over deze gasten werd ik na de zogeheten Tweede Bevrijding van 1968 op het matje geroepen. “Maar ik volgde het beleid van het Centraal Comité”, verweerde ik me. “Kameraad Blazek, u had moeten weten dat de partijleiding toen uit verraders bestond”, kreeg ik als antwoord.
Vanaf toen moesten we de Russen voor een symbolisch bedrag onderbrengen. Daaraan betaalde dus de hele Tsjechische bevolking mee. Westerse gasten mochten al gauw helemaal niet meer komen. De Partij vond het maar gevaarlijk, al die gezellige contacten tussen Oost en West in Imperial. De Russische gasten waren heus niet allemaal beroerde mensen. Veel toneelspelers, de componist Chatsjatoerian, de nationale schaatsploeg. Van die onnatuurlijke schaatsbeweging krijg je het aan je lever, en daarom kwamen ze kuren. Onzin natuurlijk, ze zopen gewoon te veel. De Russische prima ballerina’s kwamen hier ook met leverklachten, van al dat springen.
Welnee, ik geloof er helemaal niet in. Ik heb precies éénmaal bronwater gedronken. Een weddenschap: driekwart liter, en dan driekwart liter wodka erachteraan. Ging prima.’
SINDS ZIJN pensioen, dat samenviel met de omwenteling, leidt ingenieur Blazek groepen Duitstalige dagjesmensen rond in Karlovy Vary. De schuchtere voormalige Oost-Duitsers weet hij altijd handig voor zich in te nemen. 'Dan ga ik met ze langs het standbeeld van Karl Marx en dan vraag ik: “Studeerde hij rechten of medicijnen?” Doorgaans blijven ze het antwoord schuldig. Dan zeg ik: “Rechten natuurlijk, want anders had hij zijn theorieën eerst wel op dieren uitgeprobeerd.”(’
Van Karlsbads beroemdste gasten, onder wie Goethe, Schiller en Freud, een hele rij vorsten en wereldberoemde componisten, is Marx in 1998 veruit de onvindbaarste. Zijn standbeeld ontbreekt - als enige - op de stadsplattegronden. Volgens oudere, internationale reisgidsen bestond er een hele Marx-route, die door de Marxstraat met het aan hem gewijde museum voerde. En dan heuvelopwaarts, naar sanatoriumhotel Germania, waar Marx rond 1875 drie zomers kwam kuren tegen hoge bloeddruk en slapeloosheid. Ondertussen ploeterde hij voort aan het zoveelste deel van Das Kapital.
De Marxstraat blijkt weer Badstraat te heten. In het 'Muzeum’ op nummer 3 zijn schilderijen te zien, maar van Marx geen spoor. De Tsjechische suppoosten, twee oudere dames, roepen enkel: 'Kein Marx, Marx kaputt!’ Maar was hier niet vroeger…? Na veel gefluister en gegiebel trekt een van de dames een oude houten kast open. Ze rukt er een stapel van negen affiches uit, met Marx’ afbeelding erop. Ik moet ze vooral allemaal meenemen, het zijn de laatste.
Hotel Germania heet nu het Olympic Spa Hotel en staat leeg. Het standbeeld van Marx, dat verder de heuvel op te vinden is, krijgt van geen passant een blik. Wie hier komt, zoekt de Russisch-orthodoxe kerk in het straatje tegenover Marx.
EEN WEEK in het jaar bruist Karlovy Vary. Dan vindt het internationale filmfestival plaats. Het werd al in 1946 opgericht, als ideologische tegenhanger van het filmfestival van Venetië. De Tepla, het riviertje dat door het centrum van het stadje loopt, is die week door Philip Morris volgezet met grote filmposters, de boulevards langs het riviertje zijn opgesierd met palmen, en er is wel tien maal per dag een openluchtconcert - net als in de goede oude tijd. In Pupp kun je Michael Douglas tegen het lijf lopen. Maar rijk zal de gemeente er niet aan worden: het publiek bestaat voor het overgrote deel uit twintigjarige Tsjechen die, rugzak met slaapmatje achter zich aan slepend, met een onstilbare filmhonger uren in de rij staan voor een kaartje.
De historie van het filmfestival vormt niet alleen een perfecte spiegel van de ijs- en dooitijden onder het communisme, het festival lijkt vooralsnog de enige instelling in Karlovy Vary die aan een openlijke, kritische evaluatie van die tijd is begonnen. Brochures en catalogi doen uitgebreid verslag van de 'ideologische schijnvertoningen’ die alle festivals vóór 1990 waren, de 'destructieve klassenhaat’, het gemanipuleer met de prijzen. In alle andere folders die in Karlovy Vary over de eigen stad worden verspreid (een serieus boek is niet te vinden) zit een gapend gat, dat reikt van 1945 tot 1990.
DE LEIPZIGER arts dr. L. Fleckleg telde voor zijn 'geografisch’ onderzoek in het Karlsbad van 1857 alle kuurgasten. In dat jaar kwamen er 3606 uit (Groot-)Oostenrijk inclusief Bohemen, Hongarije, Galicië en Silezië’, 3830 uit de Duitse Bondsstaten en 1831 van elders, waaronder 433 uit Rusland, 504 uit Russisch Polen, 26 uit Nederland en 7 uit België. Ook beschrijft de arts een aantal interessante casussen. Een Hongaarse vrouw van 48, moeder van drie kinderen, 'nervös reizbarer Constitution’, had sinds jaren verterings- en menstruatieproblemen. Hij schreef haar voor tijdens haar kuurweken in de jaren 1850-1853 enkel 'Schlossbrunn in mässigen Gaben’ tot zich te nemen, benevens een dagelijks bronbad van 27 graden. In 1855 waren al haar klachten weg, zo schrijft hij. Al was ze nu wel in een diepe melancholie verzonken over het verlies van een kind.
'Het Karlsbad’ bestond al in 1350 en dankt zijn naam aan keizer Karel IV, wiens honden volgens de legende jankend in de 73 graden hete geiser liepen. Tot de achttiende eeuw dronk men het bronwater nog niet. Soms kregen de patiënten voorgeschreven elke dag tien uur of langer in het zilte warme water door te brengen. Met vreselijke open wonden als gevolg. Men geloofde dat op die manier de kwade sappen uit het lichaam zouden vloeien.
In het topjaar 1911 kwamen er 70.935 kuurgasten in Karlsbad: een aantal dat pas geëvenaard werd aan het eind van de jaren zeventig. Op een filmpje uit 1911 is te zien hoe de Europese chic zich, met enorme hoeden op, voetje voor voetje een weg baant door de colonnades en hoe men massagewijs flaneert over de boulevards. Geduldig staat men in lange rijen bij de Sprudel ('Rechts gehen’), die opspuit uit een metalen bassin, en laat men zich bekertjes water aanreiken door zusters met witte schorten, die het vocht met bekertjes aan meterslange metalen staven uit de damp scheppen.
Het kuuroordmuseum in Karlovy Vary is gespecialiseerd in mineralenleer en historische folklore. Ook present zijn de bekende communistische statistieken-met-de-stijgende-lijn, die aangeven dat er in 1946 tienduizend gasten per jaar waren en in 1982 al over de tachtigduizend. Daar stopt de grafiek.
DR. KARL JOSEF HAHN, na de Tweede Wereldoorlog toonaangevend christen-democraat te Den Haag, nu gepensioneerd, werd in 1912 in Karlsbad geboren uit een Oostenrijks-Tsjechisch huwelijk. Hahns vader wist van armlastige huisschilder met hulp van de grote joodse gemeenschap van intellectuelen en kooplieden (het gezin Hahn was zelf niet-joods) op te klimmen tot een gerespecteerd 'Judenmaler’ van de badhotels en villa’s.
In zijn memoires Standplaats Europa beschrijft Hahn hoe de kosmopolitische sfeer van het kuuroord vernietigd werd toen Hitlers troepen in 1938 de veertig kilometers overbrugden die Karlsbad van de Duitse grens scheidden. Hitler had de Duitstalige Tsjechische grensgebieden, het Sudetenland, cadeau gekregen bij het Verdrag van München, door de premiers Chamberlain en Daladier met Hitler en Mussolini afgesloten over het hoofd van de jonge Tjechoslowaakse Republiek heen. De geallieerde schenking vond plaats in de veronderstelling dat daarmee een Tweede Wereldoorlog was afgewend.
Op 10 november 1938 - de Kristallnacht - brandde de synagoge en werden de joden van Karlsbad opgepakt, om vrijwel onmiddellijk naar Dachau te worden getransporteerd. Hahn en zijn joodse vrouw ontkwamen ternauwernood naar Nederland.
Het besmette Karlsbad werd door de Tsjechoslowaakse Volksfrontregering na de oorlog zwaar gestraft: bijna alle Sudetenduitsers die in de jaren dertig heim ins Reich wilden, moesten naar Beieren vertrekken, met slechts twintig kilo bagage. Karlsbad was in 1946 de spookstad Karlovy Vary geworden, waar alleen de kleine Tsjechische minderheid nog over was. Maar in de onbestemdheid van vóór de communistische machtsovername in 1948 konden nieuwe, Tsjechische burgers zich gemakkelijk vestigen in de luxe panden.
MIDDEN JAREN zestig bezocht de Praagse conservatoriumstudent Jan Stavinoha Karlovy Vary geregeld. Na de inval door het Warschaupact in 1968 vluchtte hij; nu leeft hij als schrijver in Amsterdam. Stavinoha: 'We huurden met een paar vrienden een vliegtuig en vlogen naar Karlovy Vary, we feestten er drie dagen en dan gingen we liftend terug naar Praag, een paar maandsalarissen armer. Dat hadden we er graag voor over. De stad vormde een enclave waar veel meer kon dan elders. Er was een casino, een decadent museum, het stikte er van de hoeren. Karlovy Vary was een dure minnares, die omarmd werd als beloning voor de verstikkende jaren vijftig. Door alle rangen en standen - communisten mochten ook genieten. Gezondheid interesseert een Tsjech geen hol. Er werd daar ongelooflijk gezopen.
Karlovy Vary is een stad vol paradoxen. Mijn vrienden en ik kwamen er niet voor de materiële geneugten. Wij zochten er geen stukje buitenland, wij zochten er het spirituele, een “adellijk” gevoel dat we van onze voorouders kenden en dat daar nog te vinden was. We konden er het verleden oproepen: we verbeeldden ons dat we in de Donau-monarchie leefden, of in de Eerste Republiek. In Karlsbad lieten we onze zintuigen beslissen - niet de dokter of de regering.’