Karmische noodzakelijkheden

‘Negers hebben dikke lippen en een groot gevoel voor ritmiek’, zo leren kinderen op de Vrije School. Het is maar een van de vele dubieuze uitlatingen van Rudolf Steiner. Graag zou de antroposofie deze racistische smetten wegpoetsen, maar wat blijft er nog van Steiner over als ze daarmee begint?
‘IK HEB NIKS TEGEN Ajax hoor, maar je ziet toch dat daar vitaliteitsoverschotten zijn die jij en ik niet bij de hand hebben’, oreerde vice-voorzitter C. Wiegert van de Antroposophische Vereniging 19 februari j.l. in de microfoon van de Humanistische Omroepstichting.

Wiegert werd door de interviewer geconfronteerd met enige racistisch geachte uitlatingen van de grondlegger der antroposofie, de Oostenrijkse wijsgeer Rudolf Steiner (1861-1925). In plaats van zich te hullen in omzichtige ontkenningen en nuanceringen besloot Wiegert tot de vlucht naar voren. Steiners visie op het zwarte ras - dat in het stadium van een klein kind zou verkeren - werd volgens Wiegert bevestigd door het elftal van de wereldkampioen. ‘Zonder discriminerend te willen zijn: je ziet dat bijvoorbeeld op het gebied van de vitaliteit. Dat is in het zwarte ras een geweldige meerwaarde.’ Met de Steiner-visie op het uitsterven der Indianen was Wiegert het nog vuriger eens. Steiner schreef in zijn boek De volkszielen: 'Niet zomaar omdat de Europeanen dat wilden is het Indiaanse ras uitgestorven, maar omdat het volk zich de krachten moest verwerven die tot uitsterven leiden.’
'Het was allemaal een kwestie van de verkeerde klieren’, lezen we bij de meester. 'De invloed van Saturnus werkt door alle systemen heen ten slotte op het kliersysteem. Daardoor worden de meest verharde delen van de mens uitgescheiden en men kan zeggen dat het uitsterven bestaat uit een verbeningsproces, zoals dat ook uiterlijk zichtbaar is. Als u naar afbeeldingen kijkt van oude Indianen, dan hebt u de neergang van het ras duidelijk voor ogen.’ Vice-voorzitter Wiegert kon zich heel wel in die woorden vinden. 'Toen de Europeanen zich met de negers gingen bemoeien, is dat volk niet ten gronde gegaan’, stelde hij. 'Integendeel: dat volk werd almaar groter en assimileerde zich met de westerse beschaving. En als je dan daartegenover ziet wat er bij Wounded Knee is gebeurd met de Indianen; dat is toch een onvoorstelbare tragedie. Daar zie je dat er iets uitgeblust werd. Dus uit de waarneming is de gedachte van Steiner aannemelijk.’
DAARMEE STARTTE het zoveelste bedrijf in de eeuwige controverse over de racistische component van de antroposofie. De timing van Wiegert was perfect. Hij deed zijn uitlatingen net op het moment dat er binnen de antroposofische scholen - de zogenaamde Vrije Scholen - een groot debat was losgebarsten over het steineriaanse rassenvraagstuk. De antroposofie ligt al enige jaren onder vuur. Het vlugschrift Rassenleer met charisma van de filosoof Bram Moerland uit 1989 zwengelde veel aan, maar tot voor kort bleef de kritiek een externe aangelegenheid. Binnen de antroposofie gold Steiner als een heilige, op wie geen enkele kritiek werd geduld.
Dat veranderde toen een leraar van de Vrije Scholengemeenschap Geert Groote in Amsterdam, M. Seelen, verleden jaar in een informatiegidsje van zijn school afstand nam van de rassencomponent van de antroposofische leer. De zaak escaleerde met het boekje Uit de Vrije School geklapt, geschreven door Toos Jeurissen, moeder van twee kinderen op een antroposofische school in Zutphen. Jeurissen was zich een ongeluk geschrokken toen ze de schoolschriftjes van haar kinderen doorbladerde en stuitte op leerstukken als: 'Negers hebben dikke lippen en een groot gevoel voor ritmiek’ en 'de altijd blijvende glimlach van de gele mens verbergt de emoties’. Voor dat soort Kuifje-romantiek had Jeurissen haar kroost niet naar de Vrije School gestuurd. Met haar vlugschrift, gestuurd naar alle tachtig Vrije Scholen die Nederland rijk is, wil de verontruste moeder een definitieve breuk van het antroposofische onderwijs met racistische leerstukken forceren.
Een en ander leidde er al toe dat het bestuur van de Antroposophische Vereniging Nederland vrijdag 23 februari een advertentie in de landelijke dagbladen liet plaatsen waarin de uitlatingen van de vice-voorzitter werden betreurd. 'Elke opvatting die de gelijkwaardgiheid van mensen in twijfel trekt wijzen wij principieel af’, aldus de advertentie. 'Voor zover bij Rudolf Steiner sprake is van rassenleer nemen wij daar uitdrukkelijk afstand van.’
Daarmee volgen de Nederlandse antroposofen enigszins schoorvoetend het voorbeeld van hun Duitse collega’s. Een gezelschap dat zich Die Junge Antroposophen noemt is al enige jaren in de weer met een interne zuivering van de leer. Zij hebben een serie vlugschriften verspreid, de zogenaamde Flensburger Hefte, waarin de overeenkomsten tussen de antroposofie en het nationaal-socialistische racisme aan de kaak worden gesteld. Thomas von Hofer en Klaus Neumann schreven het boek Antroposophie und Rassismus, Norbert von Deuchert en Johannes Rogalla von Bieberstein kwamen met de studie Antroposophen in der Zeit des Deutschen Faschismus. Het zijn taboedoorbrekende publikaties in de antroposofische wereld, waar Steiner in de regel als een godheid wordt aanbeden.
VOOR ZOVER ER AL kritiek was op de antroposofie, kwam die tot voor kort uit de Oostduitse hoek. Studies als die van Gerhard Kern (Der esoterische Rassismus aus der besseren Gesellschaft, Die Hierarchie der 'Volker’ bei Rudolf Steiner) en Wolfgang Treher (Hitler, Steiner - Gaste aus einer anderen Welt) waren geschreven vanuit het perspectief van de klassenstrijd. Zij schilderden het occultisme van Steiner en die talloze andere racistisch angehauchte esoterici uit het Duitsland en Oostenrijk van rond de eeuwisseling het liefst als een vorm van escapisme van de elite. Treher ging in zijn in 1966 verschenen studie zelfs zo ver Steiner en Hitler te vergelijken. Treher: 'Rudolf Steiner en Adolf Hitler, beiden afkomstig uit het Oostenrijkse Waldviertel, zijn niet alleen landgenoten, maar ook in hun individualiteit lijken ze geweldig op elkaar. Beide beleefden na een voorstadium een komeetachtige opstijging. Zelfs het feit dat ze door hun kleding opvielen hebben ze gemeen. In de incubatiefase van alle twee spelen geestdriftige, deels oudere vrouwen een beslissende rol als beschermende, inspirerende krachten. Beiden waren vegetarier en beleden het vegetarisme als een filosofie die ze als missionarissen begonnen te prediken. Verder hebben Hitler en Steiner een afschrikwekkend grote produktie, die op zich al psychoseverdacht is. Ze zien zichzelf als universele genieen van de mensheid van onvoorstelbare grootte.’
De Junge Antroposophen van Flensburg gaan weliswaar ook hardhandig te werk, maar zij opereren wel binnen de marges van de leer van Steiner. Hun oogmerk is een zuivering van de antroposofie van racistische schandvlekken. Een nobel streven, maar de grote vraag is: in hoeverre is Steiners rassenleer te scheiden van de rest van zijn inzichten? Sprak de meester zelf niet ooit de woorden: 'Eigenlijk kan de gehele geschiedenis en het gehele sociale leven alleen maar worden begrepen als er op de karakteristiek van de rassen wordt ingegaan.’ Legio zijn de uitspraken in Steiners werk die als pure rassenleer moeten worden gezien. 'Het blanke ras is het ras van de toekomst, het ras dat scheppend met de geest bezig is’, zo stelde hij. Of neem deze: 'Er komen steeds meer negerinvloeden in de Europese cultuur. Nu hebben we ook al de negerroman. (…) Ik ben ervan overuigd dat, als we nog meer van zulke romans krijgen en die aan zwangere vrouwen laten lezen, vooral in de eerste maanden, dat we dan geen negers naar Europa hoeven halen om mulatten te krijgen - dan zullen er zuiver geestelijk, alleen door het lezen van negerromans in Europa, heel wat kinderen worden geboren met een donkere huid en mulattenhaar, kinderen die er uitzien als mulatten!’
Wie de component van de rassenleer weghaalt uit het gedachtengoed van Rudolf Steiner, maakt zich schuldig aan geschiedvervalsing. Het enige wat er in dit opzicht ten faveure van de Oostenrijkse wijsgeer kan worden gezegd, is dat hij heel zijn rassenleer kundig heeft geplagieerd van die andere illustere geest, Madame Blavatsky, schrijfster van De geheime leer (1885-1889) en oprichtster van de Theosofische Vereniging.
In 1874 dook Blavatsky op in Amerika. Daar ontmoette ze de advocaat Henry Steel Olcott, gewezen kolonel in de Amerikaanse burgeroorlog en expert in landbouwchemie. In 1875 richtten Blavatsky en Olcott in New York de Theosophical Society op. Een vereniging die overal ter wereld de heilsboodschap van Blavatsky’s Tibetaanse meesters ingang zou doen vinden. De drie voornaamste doeleinden van de vereniging werden als volgt geformuleerd: '1: Het vormen van een kern van de Algemene Broederschap der Mensheid, zonder onderscheid van ras, kleur of geloof. 2: Het aanmoedigen van de studie van Arische en andere geschriften alsmede van ’s werelds godsdiensten en wetenschappen, en het aantonen van het grote belang der Oud-Aziatische literatuur, zoals die der Brahmaanse, Boeddhistische en Zoroastrische wijsbegeerte. 3: Het naspeuren van de geheimen der Natuur onder elk mogelijk aanzicht, en in het bijzonder van de psychische en geestelijke vermogens, die nog in den Mensch sluimeren.’
Nadat het woord 'Arier’ onlosmakelijk verbonden was geraakt aan de herinnering aan het fascisme, werden Blavatsky’s geschriften gezuiverd van dit begrip. In modernere uitgaven vindt men het dan ook niet meer terug. Dat laat onverlet dat de Arische doctrine een sleutelbegrip was in Blavatsky’s Geheime leer. In dat volumineuze werk schildert de oermoeder van de New Age de contouren van een nieuw scheppingsverhaal. In den beginne, aldus De geheime leer, bestond de schepping uit een 'universele elektrische oceaan’. Uit deze bron zouden zeven 'wortelrassen’ ontstaan. Ieder 'wortelras’ kende een cyclus van zeven 'rondtes’, die zich ieder op een afzonderlijk continent zouden afspelen. Volgens de Antropogenesis, een onderdeel van De geheime leer, werd het eerste wortelras voorafgegaan door een chaotische periode waarin de universele elektrische oceaan slechts draconische creaturen voortbracht. De 'goddelijke natuur van de schepping’ werd pas zichtbaar met het eerste wortelras, dat geslachtsloos en niet-stoffelijk van structuur was. Deze wezens riepen op een of andere wijze een goddelijke toorn over zich af en werden gestraft met 'een vonnis van gevangenschap in de laagste sfeer die onze aarde is; in de duisternis van de stof’. Volgens De geheime leer zou het zevende en laatste, ver in de toekomst te vormen wortelras, weer terugkeren naar het onvergankelijke heilige land.
Hyperboreia was de naam van het continent waar het tweede Wortelras zijn rondtes beleefde. De Hyperboreers waren evenals het eerste wortelras zonder geslacht; zij plantten zich voort als een plant. Ook de Hyperboreers werden gekenmerkt door een etherische verschijningsvorm, maar tegen het einde van de cyclus begon dit 'stamras’ steeds meer te 'materialiseren’. Zo ontstond iets dat leek op de eerste mens.
In Lemuria, zich uitstrekkend van Madagaskar tot ver de Indische Oceaan, ontstond vervolgens het derde wortelras, waarbij het astrale lichaam 'steeds dichter met vlees bedekt raakte’. De Lemurianen, die zich voortplantten door middel van eieren, ontwikkelden volgens Blavatsky voor het eerst in de schepping van de mensheid een skelet. Dit ras communiceerde via eenvoudige vormen van telepathie en viel voor het eerst in een mannelijke en vrouwelijke component uiteen. Dit proces ging tevens gepaard aan de ontwikkeling van een individueel denkvermogen, de rede. De Lemurische mens maakte zich volgens dezelfde leer echter schuldig aan 'bestialiteiten’, door zich over te geven aan 'sodomistische praktijken met reusachtige vrouwelijke dieren’. Hetgeen tot gevolg had dat er 'reusachtige mensachtige monsters’ ontstonden, zoals de lagere apensoorten, maar ook de dinosaurussen en andere 'draken’.
Nadat Lemuria in de golven was verdwenen ontstond zo'n achttien miljoen jaar geleden op het nieuwe gevormde continent Atlantis het vierde wortelras, gekenmerkt door een verhard skelet en een gedifferentieerd organenstelsel. Dit was het begin van het 'zuiver menselijke tijdperk’; het Atlantische wortelras ontwikkelde de spraak, aangevuld met steeds verfijndere telepathische technieken, samengebundeld in een zogenaamd 'derde oog’. Volgens De geheime leer werd er in Atlantis een soort supermens geboren, de Arier genaamd, een 'Lichtmens’ die zich na de ondergang van het Rijk over Europa en Klein-Azie verspreidde, aldaar het vijfde wortelras vormend, bestemd om te heersen over de materie. Dit gebeurde nadat verschillende 'onderrassen’ in Atlantis zich met elkaar hadden vermengd, aldus de wording van de gekleurde volkeren van later in gang zettend. Ook hadden de Atlantiers zich in navolging van de Lemurianen bezondigd aan bestiale praktijken. De antropoide aap was een voortbrengsel van deze praktijken, aldus Blavatsky, die zo precies het tegenovergestelde beweerde van Darwins evolutietheorie, die ervan uitging dat de mens afstamde van de aap. De aap was in Blavatsky’s woorden 'een ontaarde mens’. Tot deze categorie van bestiaal tot stand gekomen dwalingen van de schepping rekende Blavatsky ook de bosjesmannen en bepaalde andere Afrikaanse stammen, 'lagere menselijke schepselen die thans gelukkig - ten gevolge van de wijze ordening der natuur, welke altijd in die richting werkt - snel uitsterven’.
Nadat Atlantis zo'n zestig eeuwen geleden door een zondvloed verging, zo wilde De geheime leer, trok een hoge kaste van Arische opperpriesters via Scandinavie naar Centraal Europa en naar de Gobivlakte, het toen nog uiterst vruchtbare gebied in het zuiden van China. Het nieuwe rijk in de Gobi ging echter door verwoestijning ten gronde, en de weinige overlevenden trokken de Himalaya in, naar Tibet, waar volgens sommige theosofische bronnen in de spelonken twee verborgen Arische gemeenschappen werden gevestigd, Agartha en Shambalha, die leiding gaven aan het verdere evolutieproces van het Arische wortelras.
IN DE OGEN VAN BLAVATSKY voerde het Arische wortelras, de vijfde in een rij van zeven, de boventoon in de moderne tijd. Dit rond een zonne-orakel gecentreerde ras stond bijvoorbeeld in tegenstelling met het jodendom, dat volgens De geheime leer moest worden gezien als een 'maanvolk’, geneigd tot intellectuele reflectie, zoals de maan ook het licht van de zon weerkaatst. Volgens Blavatsky vormde het jodendom weliswaar een 'zijtak’ van het Arierdom, maar zij maakte een scherp onderscheid tussen de Arische en de Semitische 'kosmogenie’. Elders in De geheime leer stelde Blavatsky onomwonden dat deze 'hylische gebondenheid’ van de joden leidde tot de 'eigenaardige gebreken, die vele Joden tot heden te kenmerken - grof realisme, zelfzucht en zinnelijkheid’. De ware vertegenwoordigers van het Arische wortelras waren juist bestemd om los te komen van de materie en weer in 'het astrale’ over te gaan, aldus de keten vormend naar de toestand van de alle vormen scheppende oceaan van elektronen van het Onvergankelijke Heilige Land, die de schepping van de mensheid ooit in gang zette. Dit zou gebeuren tijdens het zesde en zevende wortelras, een gebeurtenis die nog in de toekomst lag en die als de vervolmaking van het leven op aarde moest worden gezien, de kroon op de schepping. 'Aldus zal de mensheid haar voorgeschreven pelgrimstocht afleggen’, schreef Blavatsky. 'Geen enkele van haar eenheden kan haar onbewuste roeping ontgaan of zich onttrekken aan de last mede te arbeiden aan de natuur, terwijl een reeks van minder begunstigde groepen, de mislukkelingen, uit het menselijk gezin zullen verdwijnen zonder een spoor na te laten. (…) Over de ganse wereld worden stammen gedecimeerd, wier tijd om is. Het is onjuist te beweren dat het uitroeien van een laagstaand ras uitsluitend het gevolg is van de wreedheden of mishandeling van de zijde van de kolonisten. Niets vermag hen te redden die hun loopbaan afgelegd hebben. (…) De ethologie zal vroeg of laat met de occultisten moeten erkennen dat de ware oplossig gezocht moet worden in een juist begrip van de werktuigen van karma. Roodhuiden, Eskimo’s, Papoea’s, Australiers, Polynesiers enzovoorts zijn allen aan het uitsterven. Zij die inzien dat elk wortelras een toonladder van zeven onderrassen doorloopt, zullen het “waarom” begrijpen. De incarnerende ego’s zijn aan hen voorbijgegaan, om ondervinding op te doen in beter ontwikkelde en minder door ouderdom versleten stammen, en hun vernietiging is derhalve een karmische noodzakelijkheid.’
De cultus van het Arierschap raakte midden negentiende eeuw zeer in de mode in Europa. Auteurs als Arthur de Gobineau, Houston Stewart Chamberlain en Vacher de Lapouge kwamen met boeken ter bewierroking van het Arische superras, dat in hun optiek gelijk stond met het Germaanse. Het hooglied van deze waan werd geschreven door Richard Wagner, wiens opera’s bol stonden van de de Germaanse Arier-mystiek. Het hakenkruis gold als het embleem van deze denkrichting. In Berlijn en Wenen dook het steeds meer op als het symbool voor een nieuw, mystiek Duits-Arisch bewustzijn, dat in de regel als de 'ariosofie’ werd aangeduid. Met deze variant op het theosofische gedachtengoed werd een leer met sterk racistische tendensen geformuleerd, volledig gestoeld op de aanname dat het Germaanse volk de meest pure verschijning van het Arierdom verbeeldde, voorbestemd om te heersen over de andere, inferieure rassen.
Twee theosofisch geinspieerde denkers uit Wenen, Guido von List en Jorg Lanz von Liebenfels, ontpopten zich als de ijverigste propagandisten van dit ariosofische gedachtengoed. Beide waren nauw verwant met de Theosofische Vereniging. In Wenen stond het lidmaatschap van de Guido von List-Gesellschaft zelfs gelijk aan dat van de Theosofische Vereniging. Het ariosofische gedachtengoed gedijde in Wenen, als hoofdstad van het Habsburgse rijk een grote smeltkroes van verschillende volkeren, als nergens anders. Guido von List was de eerste om het theosofische gedachtengoed van Blavatsky geheel te 'germaniseren’. Hij nam Blavatsky’s schema van zeven wortelrassen over en stelde dat de Germanen van zijn tijd de vertegenwoordigers waren van het Arische, uit Atlantis afkomstige godenvolk. Vanzelfsprekend strooide ook List ijverig met het hakenkruis. Hij droomde van de oprichting van een Pan- Germaans rijk, waarin Oostenrijk en Duitsland zouden worden verenigd en waar een occult begaafde kaste van Arische Ubermenschen naar eigen goeddunken kon heersen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog gingen zijn geschriften over het uitverkoren Arische volk grif van de hand als morele ondersteuning van de troepen.
Een andere Weense ariosoof, Jorg Lanz von Liebenfels, publiceerde het pulpblad Ostara, de favoriete lectuur van Hitler tijdens zijn bohemien-periode in Wenen. Lanz von Liebelfels was een bewonderaar van madame Blavatsky en ontwikkelde een extreem racistische variant op de Geheime Leer met de zogenaamde 'theozoologie’. Volgens die leer waren niet-Ariers zoals joden het produkt van seksueel contact tussen oermensen en beesten, die derhalve moesten worden uitgeroeid, gecastreerd of als 'lastdier’ gebruikt. 'Die sozialistisch-bolschewistische Urmenschenrasse wollen den Klassenkampf, sie sollen den Rassenkampf haben, Rassenkampf von unserer Seite bis aufs Kastrationsmesser’, profeteerde Lanz.
HET GEDACHTENGOED VAN Rudolf Steiner is zeker niet zo rabiaat getoonzet, maar is evengoed geheel op De geheime leer van Blavatsky gefundeerd. Steiner, een geestdriftige aanhanger van Nietzsche, was lange tijd generaal-secretaris van de Duitse afdeling van de Theosofische Vereniging, maar haakte af toen de vereniging de jonge Indier Jiddu Krishnamurti benoemde tot de opvolger van Christus. Steiner tekende luidkeels protest aan tegen de zijns insziens gevaarlijke, irrationele, ja, zelfs 'satanische’ ontwikkelingen in de vereniging. In 1913 richtte hij als alternatief het Antroposophische Gesellschaft op, met hemzelf als 'geestelijk leraar’ aan het hoofd. Negentig procent van de leden van de Duitse afdeling was het met hem eens en ging met Steiner mee.
E. R. Carmin, schrijver van Guru Hitler, zag Steiners stap als een vermetele poging al de ontluikende occulte krachten in Europa te behouden voor demonische elementen. 'Dat is wat Rudolf Steiner bewogen heeft zich van de theosofen te scheiden, wier oorsprong hij uiteindelijk in de grote onderaardse wereld van het kwaad positioneerde. Steiner voorspelde een demonische tijd en spande zich in om binnen zijn occultisme een soort morele doctrine in te bouwen, waarbij de ingewijden waren verplicht om zich louter van positieve krachten te bedienen.’
Het is zonder meer Steiners verdienste dat hij zich verre hield van het opkomende mystieke nazisme. Zijn antroposofische hoofdkwartier het Goetheanum, in het Zwitserse Dornach, een naar antroposofische voorschriften gebouwd houten paleis, werd dan ook in vlammen gelegd door de fascisten. Eenmaal aan de macht bond Hitler de strijd aan tegen de antroposofen, zoals alle mystieke genootschappen ongewenst werden verklaard in het Derde Rijk. Maar dat betekent natuurlijk niet dat Steiners leer daardoor van alle smetten vrij is. Steiner zonder racisme is als rock 'n’ roll zonder drums.