De Paus: Karol Wojtyla (1920 – 2005)

Karol Wojtyla (1920-2005)

ROME – De behoudende Poolse katholiek Karol Józef Wojtyla werd in 1978 van het ene ogenblik op het andere wereldwijd populair. Het gewone katholieke kerkvolk, on gelovigen, journalisten, diplomaten en politici hadden meestal geen idee wie de tot paus gekozen aartsbisschop van Krakow was. Maar dat kon de pret niet drukken. Iedereen juichte. Zelfs protestanten bejubelden Johannes Paulus II. Niemand wilde een kwaad woord horen over deze paus, als heerser over Vaticaanstad de laatste absolute vorst van Europa.

Wat was het geheim van dat public-relationssucces van Johannes Paulus II? Dat zat ’m in zijn stijl. Een paus die kon skiën, dat was een primeur. Een paus die zijn baard op een bergwei inzeepte, dat was nog nooit vertoond. Een paus die grappen maakte, dat was ongekend. Een paus die bij zijn buitenverblijf een zwembad liet maken, dat was een teken dat de wereld veranderde.

Die stijl was zo belangrijk dat het als spel bederf werd beschouwd als iemand wees op de ideeën die deze paus erop nahield. Die pauselijke gedachten waren niet anders dan de overtuigingen die de Italiaan Rocco Buttiglione vorig jaar de kop kostten als lid van de Europese Commissie. De paus vond homoseksualiteit zondig. Het gebruik van voorbehoedmiddelen was in zijn ogen onaanvaardbaar. Ook toen later aids dood en verderf zaaide, hield hij aan zijn standpunt vast en vertelde hij zijn aanhang dat seksuele onthouding beter tegen de ziekte beschermde dan het gebruik van condooms.

Maar vlak na de pausverkiezing deed dat er allemaal niet toe. De stijl van Johannes Paulus II was de boodschap. Hij zei dat vrouwen in het huwelijk net als mannen seksuele bevrediging moesten vinden. Zijn toehoorders waren er zo van onder de indruk dat hij de seks niet alleen meer als voortplantingsmechaniek presenteerde dat ze verder niet luisterden en alleen maar konden applaudisseren.

Ongewoon was ook de manier waarop de Poolse paus met de pers omging. De Vaticaanse regel was: een paus praat niet met journalisten, tenzij die als katholieke gelovigen zijn ring komen kussen. Johannes Paulus II echter nodigde de pers uit. Voor een gesprek? Voor een persconferentie? Welnee. Hij gaf een les journalistiek. Hij zei dat het de taak van journalisten was om de mensen de ogen te openen «voor het mysterie van God». Ze moesten er bij hun berichtgeving over het Vaticaan op letten dat het niet om politieke maar om geestelijke zaken ging.

Ik kon mij niet voorstellen dat ik – een ongelovige – de enige was die zulke aanwijzingen verbazingwekkend vond. Dat zei een Poolse paus wiens verkiezing als een politieke uitdaging aan het communistische Oost-Europa werd beschouwd. Maar de pauselijke woorden leken niet door te dringen tot de van over de hele wereld toegestroomde journalisten, die in een luid gejuich uitbarstten. Italiaanse nonnen – werkten ze voor parochieblaadjes? – probeerden met een luid «Papa, papa!» iedereen te overstemmen.

Johannes Paulus II was er zo aan gewend dat hij met zijn stijl wonderen kon verrichten dat hij stomverbaasd reageerde toen ik hem in 1980 voorstelde om eens een rustig gesprek over zijn ideeën te houden. Mijn voorstel was een reactie op zijn initiatief om mij in moeizaam Nederlands aan te spreken. Hij had waarschijnlijk verwacht dat ik zo van zijn talen kennis onder de indruk zou zijn dat ik geen woord meer kon uitbrengen. Hij keek heel misprijzend en antwoordde mij niet.

Dat was in zekere mate begrijpelijk. Hij had geen ideeën. Hij meende net als iedere fundamentalistische gelovige voor de absolute waarheid op te komen. Daarover ga je niet gezellig keuvelen. Hij vond dat journalisten alleen maar tot taak hadden om zijn absolute waarheid door te geven. Dat had soms merkwaardige gevolgen. Zo besloot Johannes Paulus II een keer dat uit tactische overwegingen aan de buitenwereld verteld moest worden dat hij bij een conferentie met Nederlandse bisschoppen geen woord had gezegd. Hij zou alleen maar naar de bisschoppen hebben geluisterd. In werkelijkheid echter had de paus de bisschoppen stevig toegesproken. Een in het nauw gebrachte perswoordvoerder verklaarde ten slotte: «De paus wil geacht worden niet te hebben gesproken.» Het mysterie van de pauselijke boodschap had niet beter geformuleerd kunnen worden.

Door zijn steun aan de Poolse vakbeweging Solidarnosc speelde Johannes Paulus II een cruciale rol bij de ondermijning van het communisme in Oost-Europa. Toch vond hij zelf dat hij geen politiek bedreef, maar voor religieuze belangen opkwam. Dat zijn optreden politieke gevolgen had, kwam voor hem op de tweede plaats. Hij bestreed communisten niet op ideologische gronden. Hij vond hun atheïsme duivels. Voor Solidarnosc was de steun van de katholieke kerk fundamenteel. De kerk bestreed het communistische bewind omdat dit een bedreiging voor haar eigen positie vormde.

Het onderscheid tussen religie en politiek speelde op een merkwaardige manier bij het eerste bezoek van Johannes Paulus II aan zijn geboorteland Polen na de staatsgreep van generaal Wojciech Jaruzelski. Het was in de zomer van 1983 en de staat van beleg, die Jaruzelski eind 1981 had ingesteld, was nog steeds van kracht. Miljoenen Polen woonden de missen bij die de paus in verschillende steden opdroeg. Overal kwam het tot demonstraties van Solidarnosc, de vakbond die ondergronds gegaan was nadat Jaruzelski hem had ver boden.

Met applaus werd er gereageerd op ieder pauselijk woord dat ook maar leek op kritiek op het Poolse communistische regime. Een menigte van zo’n twee miljoen mensen zong samen met de paus bij het klooster van Jasna Gora het lied God helpt Polen, alsof het een strijdlied tegen Jaruzelski was. Vanuit de mensenmassa werden spandoeken van Solidarnosc opgestoken. De paus sprak over de zeshonderd jaar oude icoon van de Zwarte Madonna in het klooster «De koningin van Polen». Aan die Madonna was het volgens hem te danken geweest dat in 1655 bij Jasna Gora een aanval van Zweedse protestanten was afgeslagen. Tegen zo’n mysterieuze kracht staken de communistische machthebbers die naar Moskou luisterden slechts af als een pover aards verschijnsel.

De pauselijke reis kreeg internationaal veel aandacht. Maar vreemd genoeg was het Vaticaan daar niet tevreden mee. De Vaticaanse woordvoerder, pater Romeo Panciroli, be klaagde zich namens de paus over journalisten die politieke bedoelingen achter pauselijke uitspraken hadden gezocht. Hij meldde in een officieel communiqué: «Niets is meer in strijd met de bedoelingen van de Heilige Vader zelf, die vele keren het uitsluitend religieuze en morele karakter van zijn tweede pelgrimstocht in Polen heeft bevestigd.» De Osservatore Romano, het Vaticaanse huisorgaan, schreef: «Wij kunnen ook rustig bevestigen dat de kerk nooit aan politiek doet en dat de paus nooit aan politiek doet.»

Johannes Paulus II vond dat hij als hoofd van de katholieke kerk superieur was aan de politiek en dat hij politici op religieuze gronden kon vertellen wat zij wel of niet mochten doen. «Het kan niet dat in Polen ongelovigen beslissingen nemen tegen de wil van gelovigen», schreef hij in 1976 in de Osservatore Romano. Hij was toen nog geen paus, maar aartsbisschop Karol Wojtyla van Krakow.

De Sovjet-Unie realiseerde zich dadelijk na de verkiezing van Johannes Paulus II in oktober 1978 dat dit politieke gevolgen zou krijgen. Al op 4 november van dat jaar maakte Oleg Bogolomov, als directeur van het Instituut van het Mondiale socialistische systeem van de Academie van Wetenschappen in Moskou, een analyse van de problemen die zouden ontstaan. Volgens hem zou de nieuwe paus van de kerken in de communistische landen verlangen om meer naar het Vaticaan en minder naar de nationale regeringen te luisteren. Het volgende jaar aanvaardde het centraal comité van de communistische partij van de Sovjet-Unie een resolutie over de paus die was opgesteld door ideoloog Michail Soeslov. Daarin werd onder meer de KGB, de staatsveiligheidsdienst van de Sovjet-Unie, opdracht gegeven plannen te maken voor het bestrijden van de negatieve aspecten van het beleid van Johannes Paulus II.

In mei 1981 pleegde de Turk Mehmet Ali Agca op het Sint-Pietersplein een moordaanslag op de paus. Er waren aanwijzingen dat de Bulgaarse geheime dienst ermee te maken had. En volgens geruchten zat de KGB weer achter de Bulgaren. Duidelijk is de zaak nooit geworden. De paus was ervan overtuigd dat het aan Maria te danken was dat hij de aanslag overleefde. Wie hem ook wilde stoppen, tegen Maria kon volgens hem niemand op.

Net als de Sovjet-Unie zagen ook de Verenigde Staten dadelijk het politieke belang in van de godsdienstige opstelling van de Poolse paus. President Ronald Reagan omzeilde het probleem dat Amerika geen ambassadeur bij het Vaticaan mocht hebben en benoemde William Wilson tot zijn persoonlijk vertegenwoordiger bij de paus. De Amerikanen probeerden een goede relatie te krijgen met de Poolse paus die het communisten moeilijk maakte. Wilson vertelde mij kort na Jaruzelski’s staatsgreep in Polen hoe hij de paus had geholpen om via Amerikaanse diplomatieke kanalen contact te maken met de Poolse bisschoppen. Daardoor was Jaruzelski’s poging mislukt om alle verbindingen tussen het Poolse episcopaat en het Vaticaan te verbreken.

Johannes Paulus II vond nooit dat hij het over politiek had. Hij verzwakte op religieuze gronden de positie van de jezuïeten, die in Zuid-Amerika marxistische bewegingen hadden gesteund. Hij versterkte daarentegen Opus Dei, de geheimzinnige ultraconservatieve organisatie. Hij benoemde Joaquin Navarro Valls, een vooraanstaand lid van Opus Dei en tevens correspondent van het lang aan Franco-nostalgie lijdende Spaanse dagblad ABC tot zijn persoonlijke woordvoerder.

In de jaren tachtig was een doorgewinterde diplomaat, kardinaal Agostino Casaroli, onder Johannes Paulus II als staatssecretaris de tweede man in het Vaticaan. Hij had lange ervaring met de Oost-Europese betrekkingen. Bij een gesprek in zijn Vaticaanse appartement vermeed hij herhaaldelijk om politieke uitspraken te doen. Hij wees dan met een potlood naar boven en zei: «Dat weet alleen hij daar.» Het was mij niet duidelijk of hij daarmee op Johannes Paulus II doelde, die het appartement boven hem bewoonde, of hij het over nog iets hogers had, of dat alles boven hem één pot nat was.

Want de paus, die zich kort na zijn verkiezing populair maakte door met een Napolitaanse menigte O sole mio te zingen, was ervan overtuigd dat hij als kerkelijk leider altijd het laatste woord had.

_______________________

De nieuwe paus

Net als bij zijn voorgangers is de dood van Johannes Paulus II het startsignaal voor een strijd om de macht in het Vaticaan. Het gaat daarbij niet alleen om de vraag wie de nieuwe paus wordt die als de laatste absolute vorst van Europa in het minuscule staatje Vaticaanstad en in de internationale katholieke kerk de scepter gaat zwaaien. Het gaat ook om de individuele machtsposities van de kardinalen, de «prinsen» van de katholieke kerk.

Ooit vielen er doden bij het gevecht na het overlijden van een paus. De verkiezing van paus Damasus in het jaar 366 kostte 120 slachtoffers. Zo grof gaat het er nu niet meer aan toe. Maar zachtzinnig zijn de geheime bond genootschappen smedende kardinalen nog altijd niet. Met een vrome blik een ander beentje lichten is de gewoonste zaak van de wereld.

Al voordat Johannes Paulus II goed en wel was overleden, kwam de strijd achter de dikke muren van het Vaticaan langzaam op gang. Kardinalen voedden het geruchtencircuit met de namen van collega’s die een goede kans zouden maken op het pausschap. Die papabili, waarvan de namen door de hele wereldpers gaan, worden meestal geen paus. Hun tegenstanders hebben ruimschoots de tijd om bezwaren tegen hen aan te voeren. Noch Johannes Paulus II, noch zijn kortstondige voorganger Johannes Paulus I was voor zijn verkiezing in 1978 als papabili getipt.

Met een democratisch proces heeft de verkiezing van een paus niets te maken. Alles is streng geheim. Een pauskeuze lijkt nog het meest op de manier waarop in de vroegere Sovjet-Unie een nieuwe secretaris-generaal voor het Kremlin werd gevonden. Voor kardinalen die zichzelf geen kans op een pausschap geven is van belang dat een nieuwe Vaticaanse heerser hun goed gezind is. Een nieuwe paus kan voor kardinalen zowel vergroting als verkleining van hun individuele invloed betekenen. Ook na de keuze van een nieuwe paus blijft het, in het bijzonder voor de kardinalen die in Rome werken, nog enige tijd onduidelijk wat voor hen de persoonlijke gevolgen zijn. Er is een overgangsperiode waarin de nieuwe paus zich inwerkt en probeert greep te krijgen op het bestuursapparaat van de katholieke kerk. In die tijd hebben ervaren kardinalen nog kansen om hun invloed uit te breiden.

De eigenlijke pausverkiezing begint vijftien tot twintig dagen na de dood van een paus. De kardinalen worden dan van de buitenwereld geïsoleerd totdat zij door middel van witte rook uit de schoorsteen van de Sixtijnse Kapel laten weten dat ze het eens zijn over een nieuwe kerkvorst. Deze keer zal de paus worden gekozen door 117 kardinalen die nog niet de maximumleeftijd van tachtig jaar hebben bereikt. Vier keer per dag houden de kardinalen in het conclaaf een stemming. Een nieuwe paus heeft de steun van tweederde van de kardinalen nodig. Tenzij het conclaaf te lang duurt. Dan kunnen de kardinalen alsnog besluiten om met een eenvoudige meerderheid te volstaan. Maar het blijft een absoluut geheim met welke steun een paus uiteindelijk gekozen is. De stembriefjes gaan allemaal de kachel in.

Kardinalen kunnen daarom gemakkelijk achteraf allerlei rationele overwegingen bij een pauskeuze ontkennen. De buitenwereld speculeert over vragen of een nieuwe paus progressief of conservatief moet zijn, of hij na de Pool Johannes Paulus II weer, zoals meestal, een Italiaan moet zijn, of dat misschien een keer een Afrikaan een kans moet krijgen. Of over de vraag of het conclaaf in 1978 een Poolse paus koos met de bedoeling het communisme in Oost-Europa te ondergraven.

Over zulke zaken praten kardinalen niet. Zij zeggen dat zij bij de pauskeuze geleid worden door de Heilige Geest, die onzichtbaar bij hun conclaaf in de Sixtijnse Kapel aanwezig is. Daarmee wordt iedere discussie over het hoe en waarom van een pauskeuze in de kiem gesmoord. De Nederlandse kardinaal Willebrands zei in 1978 dadelijk na de verkiezing van Johannes Paulus I: «Wij hebben het allemaal ervaren als een klein wonder, als het blazen van de geest.» Hij weigerde toen om nader toe te lichten wat een blazende geest is en hoe die een pauskeuze tot stand kan brengen.

Ben van der Velden