Kaspar hauser,

Het verwonderde mij dat Loek Zonneveld in zijn stukje over de voorstelling Kaspar Hauser onder leiding van Neville Tranter (De Groene van 28 september), noch de programmafolder repte over Jacob Wassermanns gelijknamige roman uit 1908. Zonnevelds meende dat de voorstelling weinig structuur had, maar wanneer deze op Wassermanns boek zou zijn gebaseerd, waren zwakke punten meer aan Wassermann dan aan Tranter toe te schrijven.

Wassermann, een in 1873 geboren joodse Duitse schrijver, was op een romantische manier geboeid door het thema van de in deprivatie opgegroeide vondeling. Hij volgt in zijn boek de in die tijd bekende historische feiten. Daarin is geen sprake van de vaudeville-artiesten uit Tranters voorstelling. Wel past Tranters opvatting in een Kaspar Hauser-traditie, waarin auteurs naar believen elementen uit de geschiedenis van de mysterieuze vondeling uitvergrootten en invulden. Op de amorfe figuur van de stamelende jongeling laat zich immers van alles projecteren. Toen ik de uitvoering had gezien, was ik het beslist niet eens met Zonnevelds oordeel: ik vond die persoonlijke projecties van de verschillende personages juist uiterst boeiend.
Het is goed te bedenken dat de vergetelheid waarin het oeuvre van Wassermann is geraakt, grotendeels is toe te schrijven aan de nazi’s, die op grote schaal zijn boeken hebben verbrand. Het heeft voor mijn gevoel iets onrechtvaardigs wanneer de eerste dramatisering van Kaspar Hausers geschiedenis ongenoemd blijft.
Amsterdam, HERMAN ADER