Documenta 12: armoede, geweld en de plastic tuinstoel

Kassel and all that

In het overladen kunstprogramma van de zomer van 2007 hield de fameuze documenta 12 zich staande als een hecht doortimmerd betoog van de twee curatoren. Maar leuk is anders.

Medium lu 03

Het allerbeste kunstwerk in Kassel hangt in het verheven Schloss Wilhelmshöhe en het is van Rembrandt: Jacob zegent de zonen van Jozef, uit 1656. Het is een kamerdrama van enorme intensiteit. De oude, bijna blinde, bedlegerige Jacob zegent niet zijn oudste kleinkind, Menasse, maar Ephraïm, het jongste. Menasses vader, Jozef, probeert nog discreet de zegenende hand naar de donkere krullen van Menasse te leiden, maar vergeefs. De oude man heeft een eigen plan en concentreert al zijn afnemende krachten in de zegening. De inspanning, het overeind zitten, zegenen, is groot. Het pedante kind neigt het hoofd en kruist de armen als een kindersterretje; moeder Asnath staat terzijde, en ziet toe met een mengeling van verbazing en decorum – wat is die ouwe gek nou weer van plan? Het schilderij is een compleet theaterstuk in één blik, een essay over één moment van koppige eigenzinnigheid in een eindeloze voortgang van de generaties, het bruuskeren van een trotse zoon, de aankondiging van de triomf van het christendom over het jodendom, en nog veel meer. Het is een meesterwerk van regie, dramaturgie en techniek en het is, ook nog, ontroerend, en mooi.

Deze zomer reisde men echter naar Kassel voor de hedendaagse kunst, de vijfjaarlijkse documenta 12 (met kleine letter d). Als evenement zit documenta uitstekend in elkaar. Kassel is een nette, geordende, prettig-kleine stad. Voor documenta-bezoekers is het openbaar vervoer gratis. Kassa’s, boekhandels en horeca staan overal, er vormt zich af en toe een rij, maar dat mag geen naam hebben.

Als discours is de documenta imposant en ernstig, maar niet te missen. De documenta bezoek je niet voor de esthetica, voor vermaak, sensualiteit, drama, intrige of humor. De meeste van de elementen die Rembrandts bepalen spelen in het grote overzicht een ondergeschikte rol. Hier wordt een tableau geformeerd dat vooral educatief, informatief, stichtend, aanklagerig en beweerderig is. De twee curatoren, Roger M. Buergel en Ruth Noack, laten zich in de keuze van de kunstwerken leiden door leeftijd noch herkomst noch techniek noch reputatie van de kunstenaars. Grote namen ontbreken, hele schildersscholen lijken niet te bestaan, vooraanstaande media worden kordaat overgeslagen, vergeten bijfiguren van dertig, veertig jaar geleden worden opeens in een spotlight gezet. De kunstwerken voegen zich als acteurs geduldig en bescheiden in een lang discours. Zo wordt van de kunstenaars niet de nationaliteit vermeld. Dat doet in het betoog niet terzake.

Het is geen vrolijk verhaal. De wereld is uit z’n hengsels, dingen vallen uit elkaar, het centrum houdt het niet, anarchie heerst over de wereld, een tsunami van bloed staat ons te wachten, alle rituelen van onschuld worden gesmoord. Vrijwel geen enkel van de tentoongestelde werken is eigenständig op zoek naar emotionele diepgang, naar ambiguïteit, psychologische of morele complexiteit. Hier staat de niet-comfortabele wereld ons recht in het gezicht te schreeuwen, als moslimjongeren demonstrerend op de Dam of economische vluchtelingen achter het prikkeldraad van Ceuta en Melilla. Wij westerlingen, wij vervuilen, onderdrukken, corrumperen, beroven, verkrachten de rest van de wereld. Zelfs onze goede bedoelingen zijn corrupt. Voor straf moeten wij naar kunst kijken die niet meer mooi wil zijn.

Bijvoorbeeld. Romuald Hazoumé presenteert Dream. Een levensgrote foto (zestien meter lang) van een Afrikaans dorp aan een rivier, misschien aan de kust van Benin, het land waar Hazoumé vandaan komt. Daarvoor staat een levensgrote prauw, twaalf meter lang, geconstrueerd uit zwarte plastic jerrycans, dat alomtegenwoordige bewijs van modern gemotoriseerd leven. Hazoumé gebruikte echter het deel van de jerrycan met de opening, zonder dop: dit schip zal dus onmiddellijk zinken. Veel ondubbelzinniger kan het verhaal van dat Afrikaanse dorp anno 2007 niet verteld worden. De bewoners leven in armoede, maar een vertrek naar elders biedt geen enkel uitzicht, ze zijn damned if they stay, damned if they go, zeker als ze met een vergelijkbare tobbe zee kiezen om te proberen de Canarische Eilanden te bereiken.

Nog zoiets. Van Lu Hao (China), ‘recording 2006 chang’an street’, een vijftig meter lange papierrol waarop alle gebouwen in Pekings chang’an-straat, de centrale as van de stad, die langs het Plein van de Hemelse Vrede en de Verboden Stad loopt. In techniek is dit traditioneel China, een delicate aquarel, verfijnde details – bomen, vliegers, vogels – maar wat er aan die straat staat is de horror van de moderniteit. De ene blauwglazen doos in die wurgende pseudo-Californische palazzo-architectuur na de andere. Een gemoderniseerde, verkrachte, verwoeste stad.

Nog een voorbeeld. Foto’s van de Democratische Republiek Congo, door Guy Tillim (van oorsprong een Zuid-Afrikaan), in verkiezingstijd. De ongeplaveide straten vol vuilnis, open riolen met olieglans op het water. Tuig op straat, oproerpolitie in vol ornaat, een molotovcocktail ontploft op een verkiezingsaffiche, onheilspellende bodyguards van een kandidaat schermen met hun dikke nekken en dreigende Ray-bans ‘het democratisch proces’ af. Wie goed kijkt ziet her en der een flits van een ander Congo – een witte reiger landt in het vuilnis, als een ijle echo van een ooit-onbedorven land.

Heeft u er al genoeg van? Documenta schotelt u ook nog een dodenmis voor Zuid-Afrikaanse aidsslachtoffers voor van Churchill Madikia, een sterke videofilm over ontruimingen op de West Bank door Yael Bartana, en een achtdelige voorstelling over verkrachting en vrouwenmoord in Pakistan. Een Japanse eco-documentaire over bondage-porno. Foto’s uit het Palestijnse vluchtelingenkamp Irbid City, door Ahlam Shibli. Een opgezette giraffe, Brownie, uit de dierentuin van Qalquiliyah op de West Bank, om het leven gekomen bij een Israëlische actie, daarna ondeskundig opgezet door de lokale dierenarts en hier gepresenteerd door Peter Friedl. Ik geef u zijn catalogustekst: ‘Dit beeld zou, hopelijk, een narratief op gang kunnen brengen dat anders is dan de stereotypische impotente mediabeelden van het conflict en de bezette zone; het is tegelijkertijd de neerslag van en het zaad voor een historisch-politiek epos. Dit epos begint met de wonderlijke metamorfose van de dode giraffe in een idee.’

Wat deze giraffe overkomt is dat hij wordt opgewaardeerd tot ikoontje, een beeldelement met betekenis, niet anders dan de gekruiste armpjes van de kleine Ephraïm, die daardoor in Rembrandts iconografie de vertegenwoordiger wordt van het christendom. Maar daar blijft het bij: waar Rembrandt dat historisch-politieke epos zelf oproept, bijvoorbeeld in de psychologische interactie van zijn figuren, laten Friedl, Buergel en Noack het bij dat beest. U krijgt de figuur, maar niet het verhaal; u krijgt de ingrediënten, niet de taart. De curator regeert over de context.

Het merkwaardige is dus dat in deze kunst-tentoonstelling de kunst zelf er weinig toe lijkt te doen. Toch hebben de samenstellers een neutrale artistieke ‘grondtoon’ aangebracht. In alle gebouwen keert werk van vier, vijf kunstenaars terug dat, op z’n best, basaal genoemd kan worden. Eenvoudige, sterke, zwart-witfoto-experimenten van Bela Kolarova, een Tsjechische, uit de jaren vijftig en zestig. Pure strak-geometrische kleurcomposities van Poul Gernes uit de jaren zestig, en strakke perspex monochrome kunstwerken van John McCracken. Gemiddeld genomen werken met een heel neutrale vormentaal, zuiver als een onaangebroken kleurdoos, nog voor de kunst in het pandemonium van de politiek verdween.

En dan staat u voor George Osodi’s foto’s van olievervuiling op het Nigeriaanse platteland, of het zoveelste troosteloze straatbeeld op de West Bank. Steevaast springt daarbij een hardnekkig weerkerend element in het oog: wij gaven de wereld armoede, geweld, chaos, vuil en de plastic tuinstoel.

Documenta 12 sluit 23 september