Kathedraal johannesburg

Er bestaat geen minder uitnodigende architectuur dan die van Johannesburg. De(gebouwen zijn levenloos en afgebakend, de interieurs kapotgeslagen. Alom is de sfeer bedreigend. Het begin van de grote verzoening?

EEN ZONDAGMIDDAG in Johannesburg. De stad ligt er verlaten bij. Hoewel er naar verluidt zes miljoen inwoners zijn, is er niemand te zien. De straten zijn leeg. Welbeschouwd zijn het helemaal geen straten. Het is een gangenstelsel in de open lucht. Corridors. De straatwanden lijken ondoordringbaar; zij vormen de mal van de collectieve ruimte, de randen van transportaders voor vervoer dat er niet is. Overal kapotte rolluiken. Daarachter smoezelige restanten van mislukte handel. Er is weinig reclame op straat. Niemand verspilt hier zijn geld aan campagnes die niemand zal opvallen. Alleen een enkele verkiezingsleus herinnert aan iets wat op een samenleving moet lijken: ‘Mugabe heeft tweederde’; 'geen genade voor misdadigers’. Is getekend: de Nationale Partij. Toch gebeurt er van alles in deze stad. Wie een krant aanschaft, kan daarin dagelijks een stadsplattegrond aantreffen waarop alle criminele incidenten van de voorbije dag staan gemarkeerd. Waar vuurwapens in het spel waren, wordt een vlammetje gebruikt. Johannesburg is bezaaid met vlammetjes. Alles bij elkaar een uitslaande brand. De icoontjes corresponderen met een lange lijst van beschrijvingen van wat er precies is gebeurd. Moord op ouder echtpaar in hun woning. Groepsverkrachting plus moord. Liquidaties van drugsdealers. Executies van iedereen die een verkeerde opmerking maakte. En dan staan de steekincidenten er nog niet eens op. De lijst is zo lang, dat het incidentele er meteen af is. Hier is sprake van een patroon van geweld en minachting voor menselijk leven. De leegte in de straten is het gevolg van de alomtegenwoordige angst voor geweld. Openbaarheid is hier een sollicitatie naar de dood. DE STAD IS levenloos. En dat geldt niet alleen het openbare leven; ook de architectuur zegt bij voorkeur helemaal niets. Dode materie. Architectuur gaat in Johannesburg om het ontwerpen van grenzen, zo hard mogelijke grenzen. Barrières, limieten, randen. Dat is het hele programma. Architectuur zonder verhaal aan de buitenkant. Het is de kunst van het vermijden van verlies. Deze architectuur wil niets veroveren, geen ruimte, geen aandacht. Integendeel, ze is doofstom. De gevels, of liever gezegd de perceelranden, weigeren zelfs hun functie als perceelrand te onthullen. Dat zou maar nodeloze aandacht op wat daarbinnen gebeurt kunnen vestigen. In plaats daarvan zeggen de gebouwen: vergeet me, ik besta helemaal niet. Er is hier werkelijk helemaal niets interessants te doen, loop alsjeblieft door. Kom vooral niet binnen. En het is niet één gebouw dat dit zegt, ze zeggen het allemaal door elkaar heen. Met dezelfde metalige stem. Soms kun je zomaar opeens naar binnen. 'Deur’ is een te groot woord voor de toegang. Door een gat in de gevel stap je naar een binnen dat net zo goed buiten is. De stad gaat hier gewoon door. Kapotgeslagen interieurs; alles, maar dan ook alles wat verhandelbaar was, is verdwenen. Deurgrepen, leidingen, fittingen, plinten, ze zijn verwijderd en meegenomen. Vastgoedeenheden overgeleverd aan de meest primitieve versie van het systeem waarvoor ze zelf ooit in het leven werden geroepen. Hier zijn zelfs de meest elementaire voorwaarden tot handelswaar geworden. Als er dan te verdienen is met je kennis, kun je altijd nog de stoel waarop die kennis zat verpatsen aan de hoogste bieder. Als je ideeën toch niets opleveren, verkoop je de gloeilamp die je heeft bijgelicht. Maar er zijn ook gebouwen waar binnenkomen onmogelijk is zonder kennis van een hele serie codes en wachtwoorden. Waar elke niet-geprogrammeerde handeling je komt te staan op hondebeten, elektrische schokken of regelrechte standrechtelijke executie. Hier bestaan schietende huizen en siertuinen vol landmijnen. Er bestaat geen minder uitnodigende architectuur dan die van Johannesburg. ER IS EEN aloud onderscheid tussen architectuur als beschutting en architectuur met een culturele missie. De een biedt huisvesting, de ander vertolkt een stem. In de een kun je verblijven, in de ander geïnspireerd worden. Het heeft te maken met het verschil tussen inhoud en vorm, tussen noodzakelijkheid en mogelijkheid, tussen dem Fressen und der Moral. Er zijn gebouwen om in te overleven en er is architectuur als steun aan de beschaving. Dit onderscheid is ook altijd de kern geweest in de onderlinge rivaliteit tussen bouwkunde en architectuur. Bouwkunde schept ruimtelijke faciliteiten, architectuur schept cultuur. Voor Johannesburg, voor alle Johannesburchten van deze wereld, is deze vorm van distinctie geen optie meer. Gebouwen spreken hier bij voorkeur niets uit, zelfs niet dat ze 'slechts’ een vorm van beschutting zijn. Juist niet! Dat zou de onverstandigste verkondiging zijn. Want de onmiddellijke conclusie moet dan zijn dat er kennelijk iets te beschutten valt. Als er al van een architectonische boodschap sprake is, dan is die van totale massiviteit. Het gebouw is niet eens een bunker. Het is alleen nog een kolossaal rotsblok, een massief stuk gewapend beton. Het is architectuur in een beeldtaal die elke rechtvaardiging voor die taal vrijwillig wil ontberen. Toevallig sediment in een geologisch proces, meer niet. Niks stedelijke vitaliteit, niks samenleving. Alleen maar ding. Er zijn natuurlijk gebouwen die hun functie niet kunnen verloochenen. Ze staan in een wijk die om zijn rijkdom bekend staat. Er moeten nu eenmaal af en toe anonieme klanten naar binnen. Voor deze gebouwen heeft de veiligheidsindustrie een heel repertoire aan afschrikkingen bedacht. Muren, afrasteringen, scanners, prikkeldraad, elektronische poorten. De iconografie van deze industrie beheerst het hele beeld. Ook al ontwaar je in de uitsparingen van een torenhoog hekwerk een aantrekkelijk gebouw, dan nog is de blik volledig door de versperringen geconditioneerd. Als het gebouw er niet helemaal in slaagt om zichzelf te ontkennen, dan wordt dat opgelost met de taal der verboden. En de waarschuwingen over wat er bij overtreding staat te gebeuren. Zelden zal architectuur de mensen zo alert hebben gemaakt. Ze maakt bewust van de consequenties van haar betreding, sterker dan in de allermooiste kathedraal. JOHANNESBURG bestaat bij de gratie van een goudvondst. Ook al liggen er nog hele bergen delfstof op analyse te wachten, met de huidige prijzen valt er ook aan goud geen eer meer te behalen. De stad groeit alleen maar door immigranten en hun hoop op een beter leven. Zonder economisch draagvlak valt er dus alleen maar te verdedigen en niets te winnen. In deze situatie geschiedt de herverdeling van bezit alleen door toevalligheden, een roofmoord hier, een overval daar. Niet de sociale revolte zorgt voor het verminderen van materiële ongelijkheid, maar de misdaad. Maar misdaad kent geen doel, geen systeem, en levert op den duur alleen maar meer ongelijkheid op. En daarbij een alom aanwezige sfeer van bedreiging die iedereen voelt. Het veiligst is hij die ergens onder een viaduct eenzaam ligt te creperen. Heb je meer, danmoet je uitkijken. Dus barricadeert iedereen - van Sandton tot Soweto - zijn cocon. En dat is meteen wat misschien het begin van een gedeelde waarde herbergt. Uiteindelijk is het niet de tweedeling tussen rijk en arm, tussen zwart en wit, dat het meest opvalt. Er is ook geen structurele bedreiging in de vorm van een aanstaande mars op de goudkusten. Wie erin slaagt alsnog een blik in al die private dromen te werpen, ontwaart een beeld van een ongekende maatschappelijke homogeniteit. Want iedereen, werkelijk iedereen droomt dezelfde droom: gelukkig zijn bij degene van wie je houdt. Huis, tuin en keuken, dat is het wel zo'n beetje. Ik kan me niet voorstellen dat hierin niet het begin van de grote verzoening gelegen is.