Industriële monumenten in Essen

Kathedralen van arbeid

In elke Europese stad wordt ketelhuizen, gashouders, machinekamers, remises en loodsen nieuw leven ingeblazen. In het Ruhrgebied liet men industriële monumenten opgaan in een landschapspark. Paradepaardje is het complex Zollverein in Essen.

Onlangs is Essen, stad in het hart van het Ruhrgebied, uitgeroepen tot cultuurhoofdstad van Europa voor het jaar 2010. Het bericht zal buiten deze stad zijn ontvangen met schamper gelach – Essen heeft kennelijk een ambitieuze burgemeester – en toegegeven, men moet wat speurwerk verrichten om in Essen schoonheid te ontdekken. Maar is men het centrum eenmaal uit, dan verschijnt aan de rand van de stad een van de troeven die het Ruhrgebied de afgelopen jaren op tafel wierp: het industrieel monument Zollverein, een complex dat bestaat uit een steenkolenmijn, een kolenwasserij en een cokesfabriek, en dat in 2001 in zijn geheel is opgenomen op de werelderfgoedlijst van Unesco. Wat maakt een werkeloos industriecomplex tot een monument? Nogal wat ideeën over esthetica, geschiedenis en Denkmalpflege hebben zich bij de Zollverein laten gelden. Het eerste monumentale idee kwam in 1928 van de architecten van het complex zelf, en dan van het beroemdste onderdeel: Schacht 12, vermaard om zijn roestrode metalen dubbele bok die hoog boven het complex uittorent. De architecten, Fritz Schupp en Martin Kremmer, ontwierpen een dubbele schacht die uitsluitend diende voor het omhoog brengen van steenkool. Mijnwerkers bereikten de nieuwe schacht onder de grond via bestaande schachten een flink eind verder – een personeelsingang achterom, zoals thuis in de betere kringen. Gezien vanaf de imposante, meestal gesloten hoofdentree moesten Schacht 12 en aanpalende gebouwen de indruk wekken van een machine die vanzelf, zonder menselijk besturen, aan het werk was. De hoekige, blokvormige gebouwen van donkere baksteen boden een hermetische aanblik. Eromheen: geen mens te bekennen. De vormgeving van dit idee was een belangrijke reden om de mijn onmiddellijk na sluiting in 1986 onder monumentenbescherming te stellen. Een forse overheidsingreep, want de eigenaar van het complex, Ruhrkohle AG, wilde het complex afbreken. Het terrein werd drie jaar later door de bondsstaat gekocht.

Een tweede idee, gelanceerd in 1989, zou zijn stempel niet alleen op de Zollverein drukken, maar op de gehele streek rond Essen. Het Ruhrgebied was inmiddels gedompeld in diepe misère, de grond ernstig vervuild en het landschap bezaaid met in onbruik geraakte, roestende industrieën. Aldus met de rug tegen de muur nam de bondsstaatsoverheid de kloeke beslissing om de werkeloze mijnen, hoogovens, binnenhavens en gashouders in de streek rond Essen op te laten gaan in een landschapspark dat zich zou gaan uitstrekken langs de rivier de Emscher, in die tijd een riool. Er werd zo min mogelijk gebouwd, er werd natuur gewrocht uit braakliggend land, en de industrieën kregen een nieuwe bestemming.

Een mooi voorbeeld van de rol van industriële monumenten in dit landschapspark is Hochofen 5 in het Landschaftspark Nord in Duisburg, een zo mogelijk nog beter verborgen juweel dan de Zollverein. De werkhallen rond deze hoogoven werden verbouwd tot bedrijfsruimtes voor culturele instellingen en particuliere ondernemingen. De hoogoven zelf gaf men officieel het predikaat ‘uitkijktoren’. Om de hoogoven, die onbewaakt is (en te beklimmen tot duizelingwekkende hoogte) zijn alleen wat boompjes geplant. Sporadisch een verklarend bord, verder niets. Na de bom, Arcadië.

In dit project werd ook de Zollverein betrokken. Schacht 12 en de overige schachten en gebouwen werden gerenoveerd en de hoofdentree werd opengesteld voor bezoekers. In de ovens van de cokesfabriek, die haar eeuwig vuur had moeten doven in 1993, werd een sleuf gehakt voor een verantwoord reuzenrad dat op de stroom van zonnepanelen de inzittenden de ovens in wentelt. Voor de rest zou de fabriek, net als Hochofen 5, onaangetast staan te verweren. Daarnaast vond de Zollverein een nieuwe roeping in het ontplooien van zo veel mogelijk activiteit op het gebied van architectuur en design. In het ketelhuis maakte Norman Foster (van de Rijksdag) een designmuseum, dat jaarlijks een belangrijke designprijs uitdeelt. Talloze werkhallen werden expositieruimtes.

Genoeg voor opname op de werelderfgoedlijst van Unesco was dit alles nog niet. De aanvraag werd in eerste instantie afgewezen omdat er geen ‘masterplan’ voor het terrein bestond: een overkoepelend idee dat de functies van behoud en ontwikkeling op het terrein zinvol zou verenigen. Er werd een competitie uitgeschreven die werd gewonnen door oma, Office for Metropolitan Architecture, het bureau van Rem Koolhaas en Floris Alkemade. Het bureau vatte het terrein op als een motor, en streefde ernaar die motor in zijn essentiële onderdelen zo veel mogelijk te behouden. Alle nieuwe gebouwen die de Zollverein rendabel moesten maken zouden aan de rand van het terrein komen. Het bureau noemde het idee ‘de ommuurde stad’: door een schil van moderne activiteit betreedt men de kern van de vroegere industrie. Daarnaast nam het bureau de renovatie ter hand van een gebouw dat tot dusver nog ongemoeid was gebleven: de Kohlenwäsche, of kolenwasserij. In deze Kohlenwäsche zou een lokaal museum gevestigd worden.

De kolenwasserij is het grootste gebouw op het terrein, een streng, gesloten rechthoekig blok. In het imposante gebouw werden de kolen langs twee identieke symmetrische productielijnen ‘gewassen’: neerwaarts per verdieping gescheiden van ander gesteente. Eerst in zeeftrommels gesorteerd, dan in windzuigers ontstoft, en ten slotte in wasbekkens gescheiden op soortelijk gewicht. Onderaan, tussen de poten, stonden treinen gereed om het gesteente naar elders te vervoeren. De kolen gingen naar een grote bunker, voor het gebouw langs schuin omhoog, over een van de gesloten bakstenen transportbruggen die kriskras over het gehele terrein te zien zijn en die hier het gebouw bovenaan vulden en onderaan leegden.

De renovatie van de Kohlenwäsche ging niet vanzelf. Gepromoveerd door Unesco had het complex nu ook de aandacht van de hoogste regionen van monumentenzorg en de Kohlenwäsche werd inzet van een richtingenstrijd tussen oma en het Rheinisches Amt für Denkmalpflege. Denkmalpflege zag om te beginnen al niets in de nieuwe bestemming van de Kohlenwäsche. Net als Hochofen 5 in Duisburg zou het gebouw intact moeten blijven, om in stil verval het decor te zijn van verwonderende dooltochten. Nu het dan toch nieuw emplooi kreeg, spitste het meningsverschil zich toe op de vraag welke functie van het gebouw bij de renovatie dan wel behouden moest blijven. Volgens oma huisde in het gebouw niet zozeer een cultuurhistorisch interessante productielijn, maar veeleer een grote machine, en precies dat karakter moest het behouden. Dit betekende dat het industrieel ontwerp vóór alles gerespecteerd moest blijven: de machinerieën van de twee productielijnen moesten juist om hun symmetrie allebei intact blijven en het gebouw moest op poten blijven staan, al werd hierdoor de toegang bemoeilijkt. oma bedacht voor dit laatste probleem een zeer fraaie oplossing: een overdekte roltrap die de bezoeker boven in het gebouw brengt – gelijk de delfstoffen van weleer langs een transportbrug. Bij nacht licht de oranje roltrap gloeiend op.

oma trok in het conflict uiteindelijk aan het langste eind. Met de opening van de Kohlenwäsche is de Zollverein nu geworden tot een fascinerende verzameling perspectieven op oude industrie. Men kan zich voor Schacht 12 staan te verwonderen over het vernuftig illusionisme van Schupp en Kremmer. Men kan er midden in de ommuurde stad onder de indruk raken van de doelmatigheid van de productielijn. Men kan zich laten bedwelmen door de ruimtes van de overwoekerde cokesfabriek. De Kohlenwäsche voegt daar een nieuw idee aan toe, met een eerste expositie dit najaar, als voorbode van de komst van het lokale museum. oma behield er de machines, Denkmalpflege verordonneerde dat deze met nog geen plakband zouden worden aangeraakt. Dat heeft een expositie opgeleverd die zich een pad wurmt onder de betonnen trechters, tussen de stalen zuigers, zeeftrommels, raderen, buizen en vliegwielen. De ruimtes zijn gevuld met de niet-museale geur van smeer en roest, handen en kleren worden er vuil in een oogwenk. De expositieruimte is provisorisch en biedt steeds abrupte contrasten, als er opeens tussen de houten wanden een verscholen machine, een roestende schoepentrap opdoemt.

Zetelt hier eenmaal het lokale museum, dan zal de gang tussen de machines stellig een indrukwekkende blijven. Maar de tijdelijke expositie Entry 2006 die er nu te zien is, is in de Kohlenwäsche misschien nog het best op zijn plaats. Met een hoofd vol opgedane ideeën loop je het terrein weer op, waar je in de intact gelaten gevaartes ziet wat je je verbeeldt. .

Entry 2006: Wie werden wir morgen leben – Perspektiven und Visionen im Design, t/m 3 dec. www.entry-2006.de; www.zollverein.de