KUNST: Le Havre

Katoen

De havenstad Le Havre is in de Tweede Wereld­oorlog voor tachtig procent verwoest. Daarmee is het zicht ontnomen op de negentiende-eeuwse bloei, toen het een welvarende, schilderachtige stad was, met een levendige cultuur.

In Parijs is een overzicht te zien van de verzamelingen van een viertal Haverse koopman-collectionneurs, die tussen 1870 en de Eerste Wereldoorlog met ijver en eendracht de kunsten bevorderden. Ze bundelden hun inspanningen in een Société des Amis des Arts du Havre, en in 1906 richtten ze een Cercle de l’Art Moderne op, met afdelingen voor schilderkunst, literatuur en muziek.

Wat van Le Havre gezegd kan worden geldt ook wel voor Manchester, Rotterdam, Hamburg of Antwerpen in de tweede helft van de negentiende eeuw: steden met ondernemers, rijk geworden, die zich voor de verhoging van het culturele peil van hun stad inzetten. In Nederland wordt de laatste tijd hard gewerkt aan het doen herleven van zulk élan in het burgerlijk mecenaat. De traditie is teloorgegaan; het aantal verzamelaars dat zich met een openbare collectie engageert is op de vingers van één hand te tellen, en de relaties zijn soms verbazend moeizaam. Een goed voorbeeld gaf de Schiedamse jurist Piet Sanders, vorige maand overleden, die de gewoonte had steeds twee werken van een kunstenaar aan te kopen, één voor zichzelf en één voor bruikleen en, uiteindelijk, schenking. In Le Havre was verzamelen ook zo: een ‘pratique sociale’, een activiteit die zowel privé als openbaar was en die diende als een inspiratie voor anderen, ter emulatie. De inspanning van de particulieren werd beantwoord door het gemeentelijk museum. Dat volgde de keuzes van de verzamelaars en stelde ook een eigen programma op, gericht op schilders van de stad en de regio, waardoor hun acceptatie weer verder werd versterkt. De kunstenaars (ook de ‘revolutionairen’) hadden oog voor de behoeften van de markt – ‘Pas de coton, pas de tableaux’, zei Eugène Boudin (1824-1898) – en de verzamelaars op hun beurt namen hun economische verantwoordelijkheid ook over langere termijn: ene Pieter Van de Velde kocht van Boudin gedurende zijn carrière niet minder dan 37 stukken. Ook Matisse vond in Le Havre zijn eerste serieuze mecenas.

De hereniging van die collecties levert een tentoonstelling op met een elegant overzicht van de Franse schilderkunst tussen 1880 en 1920, met bijna alle grote namen daarin, en een thematisch accent op ‘de kust’. De aanloop had langer kunnen zijn: Turner en Géricault waren ook al in Le Havre geweest, Boudin was er geboren en Claude Monet was een kind van de streek. Zijn Impression, soleil levant uit 1874, dat in dat jaar in Parijs werd geëxposeerd en de naamgever werd van het impressionisme, heette eigenlijk Vue de l’avant-port du Havre. Aangetrokken door het licht en de ruimte, de stranden en de rotsen en de schilderachtigheid van de haven kwamen vervolgens ook Courbet, Jongkind, Corot, en Sisley op bezoek. De situatie wordt nog interessanter als de ‘moderne’ kunst doorbreekt; daarin spelen drie Haverse schilders, Dufy (1877-1953), Friesz (1879-1949) en Braque (1882-1963), een belangrijke rol. De vier verzamelaars kopen naar eigen smaak de modernen aan, niet té brutaal – geen Picasso – maar naast Marquet, Bonnard, Vuillard, Modigliani en Matisse hangt er een vlammend vrouwenportret van Van Dongen.

O, en zij waren natuurlijk ook gewoon Franse burgerkerels, die verzamelaars; er is een aparte sectie met voluptueuze naakten, met ‘de oorsprong van de wereld’ meestal duidelijk in beeld. Die kochten zij óók, maar die hielden zij voor zichzelf, in hun rookkamers.


Le Cercle de l’Art Moderne: Collectionneurs d’avant-garde au Havre. Musée Luxembourg, Parijs, t/m 6 januari