De huizen van Jane Austen, Arthur Conan Doyle en Multatuli

Katoen boven berenvellen

Engeland koestert de huizen waar ’s lands beroemdste auteurs hebben gewoond en gewerkt. In Nederland is het armoe troef. ‘Al onze schrijvershuizen leiden een kwijnend bestaan.’

Chawton, Engeland, 8 juli 2017. Het Jane Austen Library House © Ana Cuba / The New York Times / HH

‘De ring is een prachtige nationale schat. Ik ben blij om te weten dat veel Jane Austen-fans het object van dichtbij kunnen blijven bewonderen.’ Het is september 2013 en aan het woord is Kelly Clarkson, winnares van American Idols 2002 en na dat jaar uitgegroeid tot een succesvolle Amerikaanse popartiest. Dat succes stelde haar in staat om tijdens een Sotheby’s-veiling in 2012 zo’n 170.000 euro te betalen voor een gouden ring met blauw topaas van Jane Austen. De ring is een van de slechts drie juwelen die van de Pride and Prejudice-schrijfster zijn overgeleverd. Een must-have voor Clarkson, een Austen-liefhebber en al in het bezit van een eerste druk van Persuasion (1817), Austens laatst voltooide roman.

In Engeland werd verontwaardigd op de aanschaf gereageerd. Dat de ring van een van Engelands geliefdste schrijfsters naar Amerika dreigde te vertrekken, deed een algeheel gevoelde behoefte opkomen het literair erfstuk ‘thuis’ te houden. Het Jane Austen’s House Museum besloot in actie te komen. Dit museum, het enige voormalige woonhuis van de schrijfster dat open is voor publiek, begon een crowdfundingsactie om de ring van Clarkson terug te kopen. Een unicum voor het in 1949 geopende museum, dat voor het eerst in zijn bestaan zo’n campagne begon om literair erfgoed aan te kopen.

De actie kreeg steun uit onverwachte hoeken. Een anonieme donor schonk honderdduizend pond, waardoor het museum in één klap nog iets meer dan een halve ton verwijderd was van zijn doel. Ed Vaizey hielp ook. De toenmalig Engelse minister van Cultuur stelde op 1 augustus 2013 een tijdelijk exportverbod in voor de ring. Austens ring was volgens Vaizey ‘zo nauw verbonden met onze geschiedenis en nationaal leven dat een vertrek een ongelukkige omstandigheid zou zijn’. Eind september had het Jane Austen’s House Museum het benodigde bedrag binnen en was de missie geslaagd: de ring bleef in Engeland. Voor Clarkson zat er niets anders op dan zich bij de uitkomst neer te leggen.

Clarksons lot vertoont veel overeenkomsten met dat van haar landgenoot Phineas T. Barnum. De Amerikaan wilde in 1847 het geboortehuis van Shakespeare kopen, afbreken, weer opbouwen in Amerika en gebruiken als toeristische attractie. Het was niemand minder dan Charles Dickens, schreef de in 2016 overleden Nick Channer in Writers’ Houses: Where Great Books Began (2015), die met een crowdfundingsactie Barnum ervan weerhield zijn ‘onbeschaafde’ plan tot uitvoer te brengen.

Maar het gedoe rondom Austens ring bewijst vooral: Engeland houdt van zijn literair erfgoed. Je hoeft er de televisie maar voor aan te zetten. Kijk je naar Engelse road trip-programma’s als Hidden Villages of Escape to the Country dan is de kans groot dat er schrijvershuizen worden bezocht. Waarbij de schrijvers zelf niet worden vergeten. ‘Dit is het spannende gedeelte’, zegt Hidden Villages-presentatrice Penelope Keith als ze Rudyard Kiplings werkkamer in Bateman’s binnenloopt, het landhuis in Zuidoost-Engeland waar de Nobelprijswinnaar en Jungleboek-auteur van 1902 tot zijn dood in 1936 woonde. ‘Zijn bureau bespat met inkt. En daar het plaatje waar hij al zijn boektitels in kraste.’ Als ze over zijn bureau heen naar buiten kijkt, zegt ze: ‘Als hij een writer’s block had – wat hij vast nooit gehad zal hebben – kon hij blijkbaar altijd even opkijken om van dit uitzicht te genieten. Geweldig.’

Die moeite van Keith, om zich te verplaatsen in het hoofd van Kipling, moet bij haar kijkers in goede aarde vallen. Want Engelsen zijn geïnteresseerd in literaire levens. ‘Literary lives continue to be written in abundance’, staat in het voorwoord van The Oxford Guide to Literary Britain & Ireland. ‘A public appetite for places of literary interest has shown no signs of abatement.’ Het blijkt uit de bezoekerscijfers. De vijf overgeleverde Shakespeare-huizen worden jaarlijks door gemiddeld 750.000 toeristen bezocht en zijn daarmee de populairste literaire bestemmingen in Engeland. Het Brontë-huis in Haworth wordt jaarlijks door 80.000 mensen bezocht, het Jane Austen-huis in Chawton door zo’n 40.000. ‘55.000 in een jubileumjaar’, voegt directeur Mary Guyatt daar over de telefoon aan toe. Toen Greenway, het zomerhuis van Agatha Christie, in 2000 openging voor publiek werden er bezoekers geweigerd vanwege de te grote belangstelling.

Terwijl er al genoeg huizen te bezoeken zijn. ‘England retains far more grand houses with contents intact and on public display than any other country in the world’, schrijft journalist Simon Jenkins in zijn overzichtswerk England’s Thousand Best Houses, waarin ook vele schrijvershuizen zijn opgenomen. Grote aanjager was de expositie The Destruction of the Country House, die in 1974 werd gehouden in het Victoria & Albert Museum in Londen. Uit de inventarisatie van gesloopte Britse landhuizen die voor deze expositie werd gemaakt bleek dat er sinds 1870 grofweg zeshonderd landhuizen waren gesloopt, mede vanwege de economische depressie in de jaren dertig, erfbelasting en de Tweede Wereldoorlog. De expositie leidde tot de oprichting van de stichting Save Britain’s Heritage. ‘By the 1980’s’, schrijft Simon Jenkins, ‘there was a consensus that major houses with no future in private hands should be taken over with public money.’

‘Als Rudyard Kipling een writer’s block had kon hij blijkbaar altijd even opkijken om van dit uitzicht te genieten. Geweldig’

Initiatieven voor het behoud van de kleinere schrijvershuizen kwamen al in negentiende-eeuws Engeland voor. Dickens redde Shakespeare’s geboortehuis, koningin Victoria doneerde twintig pond aan een stichting zodat het voormalige huis van John Milton als museum kon voortbestaan. Vanaf 1895 nam The National Trust de taak op zich. En de missie was zo helder dat al vele writers’ homes in de twintigste eeuw onder de hoede van de stichting zijn gekomen. Vaak door schenking. Met als beroemdste voorbeeld Beatrix Potter, die na haar dood in 1943 vijftienhonderd hectare land en veertien boerderijen schonk. Nog steeds een van de grootste donaties uit de geschiedenis van The National Trust.

Dan zijn er nog de Londense blue plaques, herdenkingsplaquettes die sinds 1867 op meer dan negenhonderd huizen in de Engelse hoofdstad zijn aangebracht. De eerste op een uiteindelijk in 1889 gesloopt voormalig vertrek van Lord Byron. Terwijl blue plaques erfgoedbehoud juist in de hand werkten. Zo werd het huis van Oscar Wilde in Chelsea dankzij zo’n herdenkingsplaquette van de sloopkogel gered. Net als het huis waar Vincent van Gogh in de jaren zeventig van de negentiende eeuw een jaar woonde.

Maar heilig is ook Engeland niet op het gebied van erfgoedbehoud. Zo ketsten acties om Undershaw, het enige huis dat op verzoek van Sherlock Holmes-auteur Sir Arthur Conan Doyle (in 1897) werd gebouwd, in 2004 om te vormen tot Doyle-museum af. De Schotse auteur schreef er onder andere de Sherlock Holmes-roman The Hound of the Baskervilles (1902). Het huis zelf was omgeven door een hekwerk waarop de initialen van de auteur prijkten: ‘acd’. Desondanks fungeerde Undershaw van 1924 tot 2004 als hotel. Sindsdien heeft het gebouw weliswaar een mooie nieuwe functie als school voor kinderen met speciale behoeften, toch had de status als schrijversmuseum Undershaw niet misstaan.

Het blijkt op te gaan voor meer Engelse huizen. In het Londense huis waar William Makepeace Thackeray stierf, zit nu de Israëlische ambassade. Gads Hill Place, het huis dat zo’n indruk maakte op de negenjarige Charles Dickens dat hij het 35 jaar later kocht, is nu een school. In het huis in Worthing waar Jane Austen haar briefroman Lady Susan (postuum uitgegeven, 1871) schreef zit nu een Pizza Express.

Daartegenover staan weer bijzondere voorbeelden van Engels literair erfgoedbehoud. Skerryvore, het Zuid-Engelse huis waar de Schotse auteur Robert Louis Stevenson van 1885 tot 1887 woonde en zijn beroemde novelle The Strange Case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde schreef, werd in de Tweede Wereldoorlog platgegooid. Toch is het huis nog altijd te bezoeken. Tegenwoordig is de plek waar Skerryvore stond vrijgehouden en ingericht als herdenkingstuin, omringd door drie herdenkingsplaquettes. Onder een miniatuur van de gelijknamige Schotse vuurtoren, rond 1850 gebouwd door een oom van Stevenson, staat: ‘This garden was designed and constructed by the Bournemouth corporation in 1957 as a memorial to Robert Louis Stevenson.’

Precies in de periode dat men in Engeland druk bezig was de Austen-ring te behouden, dreigde ook Nederlands literair erfgoed over de landsgrens te verdwijnen. In 2013 won de Gentse boekhandel Limerick een prijsvraag voor het beste bestemmingsplan voor de typemachinecollectie van Willem Frederik Hermans. De prijsvraag was uitgeschreven door Stichting Onterfd Goed, die de grofweg 150 typemachines in handen kreeg na het faillissement van het Tilburgse Museum Scryption.

Drie Kamerleden dienden bij minister Jet Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ocw) een verzoek in om de collectie, door Limerick aangekocht voor 5500 euro, voor Nederland te behouden. Een tevergeefs verzoek, bleek al snel. ‘Rijkelijk laat’, noemde Limerick-eigenaar Gert Brouns de actie in NRC: ‘Alle papieren rondom de overdracht zijn getekend en we hebben inmiddels de nodige investeringen gedaan om de typemachines te kunnen beheren en tentoonstellen, een van de voorwaarden die aan de overdracht verbonden waren.’

‘Ook literatuurhuizen zijn nog steeds die “linkse hobby”. Terwijl Multatuli opkwam voor de noden van de gewone man en vrouw’

De typemachinecollectie had niet misstaan in het Literatuurmuseum in Den Haag. Naast het bezit van vele schrijversarchieven beheert het ‘Rijksmuseum voor de literatuur’ ook objecten die aan Nederlandse schrijvers zijn gerelateerd. Zoals de stofzuiger van Simon Vestdijk, die hij tijdens het schrijven aan zette. Door forse bezuinigingen heeft het museum slagkracht verloren, zegt directeur Aad Meinderts in zijn werkkamer in Den Haag. ‘Vorig jaar heb ik nog geprobeerd het handgeschreven gedicht van Anne Frank te bemachtigen. Dat hoort bij haar dagboek. Maar dat werd te duur. En voor een uitvoerverbod kreeg ik volgens onze contactambtenaar bij ocw de handen niet op elkaar. Ik geloof dat het gedicht nu in Amerikaanse handen is.’

Cultuurhistoricus Harald Hendrix waarschuwde de Nederlandse pers in 2010 in Ons Erfdeel voor cultuurpessimisme zodra er over schrijvershuizen werd geschreven. Het werd volgens Hendrix gelogenstraft door de vele literaire wandelboekjes en schrijversmusea die uitkwamen en opengingen. En zowaar: eerder dit jaar werd nog het Amsterdamse tuinhuisje van Jan Wolkers van de bulldozer gered. Wat het belangrijkste Nederlandse pijnpunt niet wegneemt. Hendrix: ‘Want anders dan in Vlaanderen en in de rest van continentaal Europa worden schrijvershuizen in Nederland doorgaans niet of amper door de overheid gesteund.’

En zelfs als het gebeurt, is succes niet gegarandeerd. Het openen van het Harry Mulisch Huis in zijn voormalige woonhuis aan de Amsterdamse Leidsekade blijkt lastiger dan verwacht. Ondanks inmenging van de stichting Vrienden van het Harry Mulisch Huis en het Literatuurmuseum is het vijf jaar geleden aangekondigde museum nog steeds niet geopend. ‘We hebben veel moeite gedaan om het van de grond te krijgen’, zegt Meinderts. ‘Maar vanwege verbouwingen kan het museum niet gerealiseerd worden in het huidige huis. En uiteraard was de financiering ook een probleem.’ Pogingen om het museum enkele deuren verderop te openen heeft Meinderts tegengehouden: ‘Dat zag ik niet zitten: het moet op de heilige grond zijn. En anders niet.’

Zonder het Harry Mulisch Huis bezit Nederland tien officiële Nederlandse schrijvershuizen. Alle lijden onder de bezuinigingen uit 2012. ‘Nederlandse schrijvershuizen leiden een kwijnend bestaan’, zegt Meinderts. ‘En om ze levendig te houden, zouden ze samen moeten werken met het Literatuurmuseum.’ Over een dergelijk plan werd een kleine vier decennia geleden voor het laatst nagedacht. ‘De overheid heeft in 1981 een poging ondernomen om te komen tot een samenwerkingsverband tussen verschillende literatuurhuizen. De verkennende gesprekken waren geen succes. Mensen waren bang om hun autonomie te verliezen. Sindsdien is dat plan eigenlijk niet meer opgepakt.’

Klaartje Groot, directeur van het Multatuli Huis in Amsterdam, zegt een satellietconstructie toe te juichen. ‘Zo’n samenwerking zou heel mooi zijn. Dan maak je een vuist.’ Sinds het wegvallen van overheidssubsidie, zo’n 25.000 euro per jaar, houdt het museum dankzij enkele particuliere donateurs het hoofd voorlopig net boven water. Met zijn tweeduizend bezoekers per jaar staat de Nederlandse aandacht voor Eduard Douwes Dekker, zo schreef Lizzy van Leeuwen begin 2017 in De Groene, in schril contrast met de manier waarop er in Indonesië met de erfenis van Multatuli wordt omgesprongen. ‘De culturele wereld heeft sinds 2012 veel te lijden gehad’, zegt Groot. ‘Met ons huidige budget kunnen we geen tentoonstelling organiseren. We hebben geen marketingbudget en ik zie ook niet echt wanneer daar geld voor vrij zal komen. De echte cultuuromslag heeft nog niet plaatsgevonden. Ook literatuurhuizen zijn nog steeds die “linkse hobby”. Terwijl Multatuli als geen ander opkwam voor de noden van de gewone man en vrouw. Die boodschap verdient het om uitgedragen te worden.’

Amsterdam, 12 oktober 2013. Kitty Saal, de weduwe van Harry Mulisch, tijdens een open dag in het Harry Mulisch Huis © Maarten Hartman / HH

In 2016 kwam het huis te koop te staan dat Thomas Mann begin jaren veertig had laten bouwen in de Pacific Palisades, een wijk in Los Angeles. Na zijn vlucht uit nazi-Duitsland in 1933 was Mann na vijf jaar Zwitserland naar Amerika vertrokken, waar de Nobelprijswinnaar (1929) en ‘’s werelds grootste schrijver’ met open armen werd ontvangen. Zijn status leverde hem bij de huur van zijn eerste Amerikaanse huis nog voordeel op. In 1938 betrok hij in Princeton een tien kamers en vijf badkamers tellend huurhuis voor 250 dollar per maand. ‘De eigenaars hadden meer willen hebben, zijn toen akkoord gegaan met het hoogste bod van de familie Mann’, schrijft Tilmann Lahme in het in 2017 verschenen De familie Mann: Geschiedenis van een gezin. ‘Een huis waarin zo’n beroemde man heeft gewoond is later beter te verkopen, zo redeneren zij.’

Tachtig jaar later bleek dat niet meer op te gaan. In de reclametekst voor het vijftien miljoen dollar kostende huis in de Pacific Palisades, nota bene door Mann zelf ontworpen, viel de naam van de auteur geen enkele keer. De sloopkogel dreigde voor het huis waar Doctor Faustus werd geschreven en waar Mann vele Duitse emigrés ontving. ‘De waarde zit in het grondgebied’, zei de makelaar in The Los Angeles Times, ‘niet in architectuur, lijkt me.’ Dat waren velen niet met hem eens. Journalist en Mann-liefhebber Alex Ross noemde de mogelijke sloop in The New Yorker ‘verschrikkelijk’. In NRC Handelsblad omschreef Birte Lipinski, directeur van het Buddenbrookhaus in Lübeck, de villa als ‘een unieke historische site’.

De pleitbezorgers kregen in november 2016 waar ze op hadden gehoopt: de Duitse overheid maakte toen bekend het gebouw te kopen. Over dat besluit zei de toenmalige Duitse minister van Buitenlandse Zaken Frank-Walter Steinmeier: ‘[Dit gebouw] was een thuis voor vele Duitsers die werkten aan een betere toekomst voor hun land, de weg hebben bereid voor een open samenleving en de fundamenten hebben gelegd voor onze gemeenschappelijke trans-Atlantische waarden.’

‘Wij zijn het land met de handelsgeest, twee benen op de grond. Het mag niets kosten. Wij geven weinig om uiterlijk vertoon’

Monumentenbehoud als overheidstaak ontwikkelde zich in de loop van de negentiende eeuw, schrijft emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Marita Mathijsen in haar boek Historiezucht (2014). Daarin zet ze uiteen hoe de geschiedenis en historische objecten in de eeuw na de Franse Revolutie worden gezien als iets waardevols, iets wat behouden en beheerd moet worden. Terwijl Victor Hugo’s roman De klokkenluider van de Notre Dame uit 1831 invloedrijk was voor het Franse monumentenbesef (en leidde tot de restauratie van de Parijse kathedraal uit de titel) was de essayist en Hugo-volgeling Victor de Stuers dat voor Nederland. Toen in 1873 een marmeren tribune uit de gotische Sint-Jan in Den Bosch opdook in het Victoria & Albert Museum in Londen schreef De Steurs in De Gids het invloedrijke essay Holland op zijn smalst, waarin hij zijn beklag deed over de Nederlandse monumentenzorg.

‘Door de Franse Revolutie is de geschiedenis gedemocratiseerd’, zegt Mathijsen in haar woning in Amsterdam, op een steenworp afstand van het Museumplein. ‘Een van de verworvenheden van zowel de Verlichting als de Franse Revolutie is dat de geschiedenis uit handen werd genomen van de elite. Het werd van ons allemaal.’ Die breuk werd volgens Mathijsen door de Franse Revolutie veroorzaakt. ‘Mensen gingen de tijd van vroeger anders ervaren. Het verleden stond plots los van de tijd waarin ze zelf leefden.’

Net als Meinderts is Mathijsen van mening dat het Literatuurmuseum de Nederlandse schrijvershuizen onder zijn hoede moet krijgen. Dat geldgebrek dit in de weg staat, vindt Mathijsen te makkelijk: ‘Het wordt tijd om uit die slachtofferrol te komen.’ Ze wijst op de vele particuliere initiatieven om het Nederlands literair erfgoed levend te houden. Zo wordt het graf in Oosterbeek van de dichter Jacob van Lennep, over wie Mathijsen een biografie schreef, door particulieren onderhouden, daarbij gesteund door de lokale overheid. Op het huis van de dichter Hans Faverey (1933-1990), nabij het Amsterdamse Concertgebouw, werd enkele jaren geleden door een liefhebber een plaquette bevestigd. ‘Met een aantal vrienden heb ik een herdenkingsplaatje geschroefd bij de kelder op de Herenstraat waar mijn overleden man en zijn broer vroeger muziek maakten. Er zijn in Nederland te weinig gedenktekens. Het zou mooi zijn als er door particulieren meer initiatief genomen zou worden. En dat er dan overheidssteun bij kwam.’

In Italië, een land waar Mathijsen graag komt, ziet ze overal kleine gedenkstenen hangen. ‘In Zwitserland en Frankrijk zijn op vrij korte afstand van elkaar wel vijf Rousseau-musea. Zelfs een hotelkamer waar hij vier maanden heeft gelogeerd, is helemaal bewaard en wordt beheerd door vrijwilligers.’ Die geest van behouden is volgens Mathijsen in Nederland te weinig aanwezig: ‘Wij zijn het land met de handelsgeest, twee benen op de grond. Het mag allemaal niets kosten. Wij geven weinig om uiterlijk vertoon.’

Mathijsen betreurt het, want geschiedenis toont ons volgens haar onze verworvenheden. ‘Wat waren mijn kansen geweest als ik in de negentiende eeuw geboren was? Dan was ik nooit hoogleraar geworden. De zussen van mijn vader mochten niet studeren. Zijn eigen dochters wel. Dat ik zo ver heb kunnen komen, heb ik niet aan mijzelf te danken. Net zoals het feit dat we gezonder zijn dan ooit tevoren, of dat we onze eigen gebitten nog hebben als we zeventig zijn. Ik vind het zo naar dat mensen de dingen zo vanzelfsprekend vinden. Dat ze zich niet realiseren dat er voor die dingen gevochten is.’

Een van de basiskenmerken van de mens is volgens Mathijsen dat wij respect kunnen betuigen aan onze voorouders. ‘Mooie huizen van nu zijn gebaseerd op jarenlange ervaring. Of denk aan onze kleding. Dat katoen prettig draagt, zijn we te weten gekomen door onze voorouders. Die berenvellen bleken uiteindelijk toch niet zo lekker te zitten, en na een lang proces van trial and error bleek katoen dat wel. Het is een proces om respect voor te hebben.’

Een bezoek aan een schrijvershuis is niet altijd even inspirerend. Griff House, een voormalig huis van Middlemarch-schrijver George Eliot, was volgens journalist Rebecca Mead ‘almost erased by the present’ en werd ontsierd door pooltafels, flatscreens en gokmachines. In My Life in Middlemarch schreef ze: ‘It felt ridiculous to be wandering these rooms, trying to ignore the glowing fire-escape signs and the soft rock on the sound system, and attempting to imagine the house as it was.’ Ondertussen wierp Mead de vraag op wat een bezoek aan een schrijvershuis ons eigenlijk leert. ‘By contrast with a painter’s studio, the nature of literary creativity is not easily suggested by the site of creation.’

Aan het begin van de twintigste eeuw kwam er al een mogelijk antwoord op die vraag. In zijn in 1917 verschenen schrijvershuizenboek A Literary Pilgrim in England haalde dichter Edward Thomas de biograaf aan van dichter William Blake, die zich verbaasde over het feit dat de dichter beeldrijke poëzie over het Engelse landleven schreef in een bedompt, Londens appartementje: ‘Strange to think of Blake shut up in dingy, gardenless South Molton Street designing such pastorals!’ Dit inzicht in een creatief proces, of iemands verbeeldingskracht, was volgens Virginia Woolf de enige goede reden voor literair toerisme. Naar aanleiding van haar bezoek aan het Brontë-huis in Haworth schreef ze in 1904 in The Guardian: ‘The curiosity is only legitimate when the house of a great writer or country in which it is set adds something to our understanding of the books.’

Edward Thomas stierf in het jaar dat zijn A Literary Pilgrim in England uitkwam. Gedwongen door het gedicht The Road Not Taken – waarmee zijn voormalige wandelgenoot Robert Frost hem besluiteloosheid verweet – besloot Thomas daadkracht te tonen en gaf zich op voor de gevechten in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Om op 9 april 1917, enkele weken na zijn aankomst in Frankrijk, tijdens de slag bij Arras op 39-jarige leeftijd te sneuvelen.

Tegenwoordig ligt Thomas begraven in Frankrijk, maar waart zijn geest rond in Engeland. Herdenkingsplaquettes memoreren hem op zijn Zuid-Londense geboortehuis en zijn studentenkamer in Oxford. Naast een herdenkingssteen bestaat er een literaire wandeling in zijn voormalige woonplaats Steep. Het grootste eerbetoon kwam in 1985, toen Thomas samen met enkele andere war poets werd bijgezet in de Poet’s Corner in Westminster Abbey. Zo doet Edward Thomas enigszins denken aan Skerryvore, dat voormalige huis van Robert Louis Stevenson dat in 1940 door Duitse bommenwerpers werd weggevaagd. Verwoest in een oorlog. Maar niet vergeten.

Kaart met Britse schrijvershuizen

Voor het Britse literaire weekblad The Times Literary Supplement deed Groene-redacteur Roderick Nieuwenhuis onderzoek naar de omgang met schrijvershuizen in het Verenigd Koninkrijk en maakte op basis daarvan een interactieve landkaart: The TLS Map of Writers’ Homes.