H.J.A. Hofland

katrina, een politieke orkaan?

Gesteld dat er geen orkaan Katrina geweest was, of wel, maar dat de dijken het hadden gehouden, zou het dan beter gaan met de oorlog in Irak? Onzinnige vraag. Toch wordt er wereldwijd nu verband gelegd tussen de toestand in New Orleans en die in Bagdad. Osama bin Laden heeft laten weten dat Katrina door Allah is gestuurd; niet zo gek als je bedenkt dat Nederlandse gereformeerden in onze watersnoodramp van 1953 de straf van God zagen. Veel gelovigen in het Midden-Oosten zullen de zienswijze van Bin Laden delen. En voor het overige voert de rampzalige nasleep van de storm tot de herontdekking van de Amerikaanse president.

Zijn we dan nog niet voldoende over de persoonlijkheid van deze staatsman ingelicht? Blijkbaar niet. Het was toch weer verrassend hoe hij als de leider die van alles het eerst op de hoogte dient te zijn eerst de om vang van de ramp heeft onderschat en er met een soort kwinkslag op reageerde. Hoe hij daarna er zijn vertrouwde We Will Prevail-optimisme op losliet. New Orleans zal herbouwd worden, de hele kust zal in groter glorie herrijzen, was zijn boodschap. En ten slotte kwamen de colonnes militairen en dokters op wie de verdorstende bevolking al een dag of vijf zat te wachten.

Dat daar alles wat kon mislopen ook is misgelopen, kun je de commander in chief niet tot in de details verwijten. In de zuidelijke staten (en in veel mindere mate ook in de noordelijke) woont een grotendeels zwarte onderklasse. Ondanks de desegregatie, nu een halve eeuw geleden, heeft nog geen enkele president hun bestaan wezenlijk kunnen verbeteren. Dat is geen racisme. De arme zwarten worden in het dagelijks leven beschouwd als natuurverschijnsel. Pas ter gelegenheid van een ramp krijgen ze op de televisie een paar seconden hun identiteit. Dat kan onthullend voor de rest van de wereld zijn. Maar daar niet. Waar armoede heerst, sluimert chaos.

Katrina zal daar waarschijnlijk ook geen verandering in brengen. Het politieke gevolg is misschien dat een groter deel van het Amerikaanse volk zijn mening over de president drastisch zal herzien. Dat het, nu de catastrofe zich in eigen land voltrekt, een duidelijker beeld zal krijgen van het politieke complex waarvan George W. Bush de grote exponent is. Dat is het complex waarin ieder nationaal of wereldprobleem van enige omvang tegemoet wordt getreden met een aan het pathologische grenzend optimisme, gepaard aan een noodlottig gebrek aan kennis van zaken.

In dit opzicht verschilt de eerste reactie van Bush op de ramp in New Orleans niet wezenlijk van de achteloosheid waarmee hij nog voor 9/11 het westelijk bondgenootschap opzij schoof, gigantische belastingverlagingen aankondigde, de eerste waarschuwingen tegen de ophanden zijnde terreur onderschatte. Hetzelfde misverstand kenmerkt zijn aanval op Irak, de naïeve vooronderstellingen die eraan ten grondslag lagen, de verwachte geneeskrachtige werking van de shock and awe, de parmantige afkondiging van the end of major operations op 1 mei 2003, toen de werkelijke oorlog nog moest beginnen. Dit alles en nog veel meer bewijst dat president George W. Bush een mirakel van optimisme is, zich ontplooiend in een dikke nevel van misverstanden met de rauwe werkelijkheid van de echte wereld. Deze maand begint John Bolton dat verder in de Verenigde Naties te bewijzen.

Daaruit ontstaan natuurlijk grote problemen. Over het eerste heb ik tientallen keren geschreven. Hoe kunnen de Amerikanen zelf en de vrienden van Amerika in Europa en de rest van de wereld de bewindslieden in Washington aan het verstand brengen dat ze al jaren op het verkeerde pad zijn? Dat ze op zo’n manier de grote vijand, de terreur, zo direct mogelijk bevoordelen in plaats van hem langzaam maar zeker te slopen? Dat lukt niet. Voor de oorlog in Irak begon, is door militairen, ethologen, columnisten voorspeld dat en hoe die onderneming zou ontsporen. In grote trekken hebben ze gelijk gekregen; een gelijk dat niet meer terzake doet nu Amerika daar in het moeras terecht is gekomen.

Er moeten andere oplossingen tot redding van Amerika, en in feite het hele Westen, komen. Want ook al geven Bush en de zijnen een miserabel leiderschap ten beste, er is niets anders. Ons grote gemeenschappelijke probleem is de ontoegankelijkheid van de leider van wat we vroeger het vrije Westen noemden, voor iets anders dan wat hem zelf te binnen schiet. Ook voor wat de oppositie in Amerika te berde brengt, blijft het bewind in Washington doof. Of liever gezegd: tegen critici koestert het een wraakzuchtige vijandschap. De Republikeinse aanvalsmachine werkt met een genadeloosheid waarvan we ons hier geen voorstelling kunnen maken. Wat we hier «demoniseren» noemen is een zachtaardige behandeling vergeleken bij wat Karl Rove, de grote adviseur, of media als Fox News of The New York Post voor hun rekening nemen.

Tot Cindy Sheehan, moeder van een in Irak gesneuvelde soldaat, bij de boerderij van de president met haar actie begon, leek de Amerikaanse publieke opinie min of meer aan Irak gewend te raken. Sheehan werd doel van de aanvalsmachine. Toen kwam Katrina. De aandacht concentreerde zich massaal op de ramp, en daardoor op de president. Misschien voor het eerst zijn miljoenen Amerikanen op het idee gekomen dat ze op de verkeerde man hebben gestemd. Dat ze zich door vertoon van heroïek en vaderlandslievende teksten bij de neus hebben laten nemen. Maar wees ervan verzekerd dat Bush en de zijnen er alles aan zullen doen. Volgend jaar zijn de tussentijdse verkiezingen. De Republikeinse meerderheid in het Congres moet behouden blijven. De vraag is of Katrina voldoende zal bijdragen tot het herstel van Amerika’s kritische vermogens.