Armoede en het brein

Kattenbrokjes of vanillevla?

Volgens nieuwe neurologische inzichten is armoede niet het gevolg van slechte beslissingen; het is de armoede zélf die tot slechte beslissingen leidt. Dat kunnen de moralisten van tv-programma’s over nieuwe Nederlandse armen in hun zak steken.

Het woord ‘armoede’ begint onderhand een vertrouwde klank te krijgen in de media. En daarmee wordt dan niet – zoals vroeger – gerefereerd aan een campagne ten bate van de hongerige kindertjes in Afrika of aan de slachtoffers van een overstroming in een verre uithoek van India, maar aan de armoede waaronder mensen lijden die misschien wel bij jou om de hoek wonen, en niet eens in een achterstandswijk. Nederlandse medeburgers die zich tot voor kort nog veilig en onaantastbaar waanden.

Die mensen zien er heel gewoon uit, nog wel tenminste. In ieder geval voldoen ze op geen enkele manier aan het stereotiepe beeld dat wij hebben van bedelende junks of van de daklozen die hun krantje uitventen bij de ingang van Albert Heijn. Je kunt ze overal tegenkomen, op straat of in de tram, en je ziet niet aan ze af dat ze ’s nachts wel eens wakker schrikken uit angstaanjagende dromen over deurwaarders en incassobureaus en dat ze hun wekelijkse voorraadje boodschappen afhalen in een kartonnen bananendoos, bij de voedselbank. Het kan zomaar je buurman zijn of iemand anders in je naaste omgeving, van wie je het niet weet, omdat het groeiende aantal ‘nieuwe armen’ uit de middenklasse zich doorgaans groot houdt en beschaamd verzwijgt in welke penibele omstandigheden ze zijn komen te verkeren als gevolg van de economische crisis. Vijf jaar geleden zou dat nog ondenkbaar zijn geweest in een van de rijkste landen van West-Europa, maar sindsdien is er veel veranderd.

Zo nu en dan komen zulke sappelaars trouwens wel degelijk even in beeld, en niet alleen in de statistieken, maar met naam en toenaam, want er worden inmiddels populaire televisieprogramma’s aan ze gewijd. Tot lering en vermaak van een groot publiek, dat er kennelijk naar kijkt alsof het een onderhoudende reality show is. Geen ingetogen documentaires dus, bedoeld om sociale verontrusting te genereren en pijnlijke vragen op te werpen, maar programma’s waarbij gerust gelachen mag worden.

Al is het maar uit leedvermaak.

Het fameuze duo Geer Goor maakt het wat dat betreft het bontst, want Gerard Joling en Gordon schateren het in hun programma Effe geen cent te makken voortdurend uit als ze weer eens een tweedehands ijskast hun sjofele woning binnen sjouwen, of per bus een dagtochtje maken met de bejaarde uitkeringstrekkers uit het grauwe buurtje in Amsterdam-Noord waar ze voorlopig hun intrek hebben genomen. Voor de grap natuurlijk, joligheid is troef. En waarom ook niet, want binnenkort keren deze tv-diva’s weer terug naar hun riante villa’s in het Gooi en zit deze hilarische excursie naar de onderkant van de samenleving er voor hen gelukkig weer op.

Het programma Uitstel van executie, gepresenteerd door Martijn Krabbé, is van een heel andere orde, want daarin komen doodsbange, zeg maar gerust radeloze mensen aan het woord die door allerlei omstandigheden – ziekte, echtscheiding, werkloosheid – de hypotheeklasten niet meer kunnen opbrengen en die er gedurende langere tijd niet in slagen hun huis of flat te verkopen. Wat ze dan boven het hoofd hangt is de dreiging dat de bank die de hypotheek heeft verstrekt ertoe overgaat om de woning te onteigenen en publiekelijk te veilen, voor een bedrag dat ver onder de marktwaarde ligt, zodat de eigenaar blijft zitten met een gigantische restschuld.

Om dat te voorkomen brengen de programmamakers, geruggesteund door een aantal sponsors die gratis vloeren en nieuwe keukens ter beschikking stellen, een ploegje bouwvakkers en stylistes op de been die het betreffende pand bliksemsnel renoveren en van een aantrekkelijke inrichting voorzien, zodat er eindelijk weer wat aspirant-kopers op afkomen en het huis toch nog voor een acceptabele prijs van de hand gaat. In het gunstigste geval krijgen ze de bank zelfs zo ver dat er een paar maanden geen premies betaald hoeven te worden, totdat de verkoop rond is, en dat een deel van de restschuld wordt kwijtgescholden.

Het sympathieke van die aanpak is dat er niet alleen heel concrete, praktische hulp wordt geboden, van het soort dat werkelijk zoden aan de dijk zet, maar dat er ook – principieel – geen morele oordelen worden geveld of standjes uitgedeeld.

Eef van Ophof (39) verleent als budgetcoach en financieel deskundige haar medewerking aan het programma en is het met die benadering hartgrondig eens, vertelt ze als ik haar spreek. Over het ontbreken van zo’n bestraffende ondertoon, die er impliciet van uitgaat dat de gedupeerden alle ellende wel aan zichzelf te wijten zullen hebben, zegt zij: ‘Mijn ervaring is dat de meeste mensen het zelf al erg genoeg vinden, die hebben heus al duizend dingen geprobeerd om er op eigen kracht uit te komen, door ijverig te solliciteren bijvoorbeeld. Maar ja, dan moet die baan er wel zijn, en je moet dat ook maar kunnen en durven. Na verloop van tijd heeft armoede het effect dat je in een denkcirkel terechtkomt, dan draai je steeds in kringetjes rond, van a naar b en c en d, zonder dat je nieuwe mogelijkheden ziet. Daar word je een beetje lam van. Moegestreden. Op dat punt kan de omgeving een belangrijke rol spelen, door mee te praten en mee te denken, en dat is wat wij in het programma ook proberen te doen: nieuwe wegen zoeken, een nieuwe manier om tegen het probleem aan te kijken.’

Ze vervolgt: ‘Armoede is keihard werken, elke dag opnieuw. Want je wordt totaal afhankelijk van al die zelfgenoegzame betweters achter hun loketten, behept met domme vooroordelen, terwijl ze je intussen van het kastje naar de muur sturen of je bedelven onder een stapel formulieren.’

Vaak genoeg heeft Van Ophof kunnen zien hoe de instanties mensen met financiële problemen behandelen. ‘Als iemand die informatie nodig heeft bij zijn bank aanklopt en te maken krijgt met een onbeschofte blaag achter de balie die van toeten noch blazen weet, is de kans groot dat die hem als een hond behandelt en doodleuk zegt: “Zoekt u dat zelf maar uit op onze website.” Zelfs als het om zoiets ingewikkelds gaat als de compensatieregeling voor mensen die gedupeerd zijn door het slechte beleid van de dsb-bank, om maar een kwestie te noemen waar ik onlangs mee te maken kreeg. Mij maakt zo’n bejegening niets uit, ik laat me daar niet door afschrikken. Maar de gemiddelde cliënt weet niet precies wat zijn rechten zijn en is er niet in getraind om hard te onderhandelen, die laat zich dus maar al te vaak afpoeieren. Daar worden zulke mensen nog onzekerder van dan ze toch al waren.’

Van Ophof windt zich geregeld op over de benadering van mensen die met armoede kampen. ‘Eén op de tien kinderen in dit land leeft onder de armoedegrens en krijgt geen brood mee naar school, en dat is echt niet omdat die ouders te lui en te beroerd zijn om iets te ondernemen. Enige bescheidenheid lijkt me dus wel gepast. Mensen in nood die bij ons programma terechtkomen hebben mazzel, want wij rekenen het beslist niet tot onze taak om oordelen te vellen en neerbuigende reprimandes uit te delen.’

In het programma Een dubbeltje op zijn kant, gepresenteerd door John Williams en Annemarie van Gaal, gaat het heel anders toe. Daarin regent het standjes, waardeoordelen en vermaningen. Onlangs zag ik een aflevering waarin Williams een uitgebluste man van middelbare leeftijd toebrieste: ‘Hoe haalt u het in uw hoofd om een hele dag aan het strand te gaan zitten met de kinderen! U hebt wel wat anders te doen want u moet werk zoeken, en dat is een volledige dagtaak.’

Collega Van Gaal bitste tegen de man van een echtpaar dat onder schulden gebukt ging: ‘Hoeveel sollicitaties hebt u op dit moment lopen? Drie?! Dat zouden er minstens dertig moeten zijn! Hoe komt dat?’

‘Ach’, zei die man beduusd, ‘ik ben gewoon moe.’

Zijn verzenuwde vrouw voegde daar angstig aan toe: ‘Ik durf ook eigenlijk niet zo goed meer te bellen naar instanties om te vragen hoe het zit. Ik ben helemaal kapot.’

Wat geen wonder was, want later in de uitzending bleek dat dit echtpaar al vier jaar had geleefd van honderd euro per week, op last van de schuldhulpverlening, tot ze schuldenvrij waren verklaard, maar die vreugde had niet lang geduurd, want sinds kort was de belastingdienst begonnen met het terugvorderen van toeslagen die – bij nader inzien – onterecht waren geweest, zodat ze opnieuw in de financiële sores zaten. En tot overmaat van ramp constateerden de presentatoren dat ze inmiddels veel meer geld aan de wekelijkse boodschappen waren gaan besteden dan in de periode waarin ze nog onder curatele stonden.

De man sputterde nog een beetje tegen en legde uit dat het ‘zo heerlijk was om weer eens een nieuwe broek te kunnen kopen en een pilsje te drinken op een terras’, maar met dat soort flauwekul maakte John Williams uiteraard korte metten. ‘In jullie situatie kan dat nu eenmaal niet. Begrijpen jullie eigenlijk wel hoe ernstig het probleem is?’

Eerlijkheidshalve moet ik erbij vertellen dat er ook wel eens mensen in het programma te gast zijn die inderdaad niet lijken te (willen) begrijpen wat er aan de hand is en wat er moet gebeuren. Ik denk bijvoorbeeld aan een echtpaar dat de gelegenheid te baat nam om eens flink met elkaar te gaan ruziën over de vraag wiens schuld het was dat ze bij de bank voor zestigduizend euro in het krijt stonden, ten gevolge van een woekerlening die de man ooit had afgesloten. Zijn vrouw stelde zich op het standpunt dat de hele kwestie haar om die reden niet aanging – ‘dat moet hij maar oplossen’ – en toen John Williams daar geen genoegen mee nam en er bij haar op aandrong dat er drastisch zou worden bezuinigd, nam ze kordaat het besluit om, kennelijk voor straf, het abonnement van haar man op de Donald Duck op te zeggen, een besluit waar ze ter plekke uitvoering aan gaf. Het resultaat was een tragikomische scène waarbij de echtgenoot quasi-hulpeloos de rol van Jan Klaassen vertolkte, terwijl zijn vrouw schitterde als Katrijn-met-de-deegroller.

Dat was om te lachen, wat ik ook deed. Even kwam ik zelfs in de verleiding om me te scharen in het schampere koor van mensen die de overtuiging zijn toegedaan dat sommige onverantwoordelijke types inderdáád te gemakzuchtig zijn om hun zaakjes verstandig te regelen, en dat je ze dat streng mag aanrekenen. Heel eventjes maar, want ik weet wel beter, uit eigen ervaring helaas. Bovendien is uit recent onderzoek gebleken dat de relatie tussen oorzaak en gevolg lang niet altijd even helder is als je op zoek gaat naar de bron van de armoede en de psychologische mechanismen die daarbij voor mentale verwarring zorgen.

Twee boeken zijn in dat verband bijzonder relevant. In 2012 verscheen Willpower: Rediscovering the Greatest Human Strength van psycholoog Roy F. Baumeister en John Tierney, wetenschapsjournalist van The New York Times. Zij betogen dat wilskracht en zelfbeheersing niet in de eerste plaats karaktertrekjes zijn die een individu in meerdere of mindere mate bezit, maar veeleer bepaald worden door allerlei situationele factoren. Wilskracht is volgens hen variabel, afhankelijk van de omstandigheden, en bovendien heeft elk mens er maar een beperkte hoeveelheid van tot zijn beschikking: op is op. Als er beslissingen moeten worden genomen, verbruiken de hersenen een bepaalde hoeveelheid mentale energie, net als een spier die in beweging wordt gezet; je kunt die spier trainen om tot betere prestaties te komen, maar als hij overbelast raakt gaat hij steeds gebrekkiger functioneren en valt ten slotte nagenoeg uit.

Het verschijnsel wilskracht benoemen de auteurs als ‘decision fatigue’, besluitvormingsmoeheid. Ze laten aan de hand van real life-voorbeelden en met verwijzing naar het gedrag van proefpersonen in laboratoriumsituaties zien hoe dat in de praktijk werkt. Stel dat mensen een overweldigende hoeveelheid keuzemogelijkheden voorgelegd krijgen, waarover ze stuk voor stuk moeten beslissen, dan blijkt dat ze kiezen voor de weg van de minste weerstand zodra de decision fatigue hun parten begint te spelen. Vanaf dat moment laten ze zich gemakkelijk iets aanpraten door een vasthoudende verkoper, of ze zien af van het nemen van een beslissing en kopen helemaal niets.

Baumeister en Tierney onderzochten bijvoorbeeld of, en zo ja hoe, het tijdstip van de dag van invloed was op de besluitvorming van een juridisch geschoold gezelschap dat moest beoordelen of bepaalde gevangenen in aanmerking kwamen voor vervroegde vrijlating. Gevangenen die ’s ochtends vroeg aan de beurt kwamen, als de commissieleden nog fris waren, maakten een veel grotere kans op vervroegde vrijlating dan gevangenen met precies dezelfde staat van dienst die later op de dag werden beoordeeld. Mentale uitputting zorgde ervoor dat in geval van twijfel besloten werd om gewoon ‘niets’ te doen en de bestaande situatie te handhaven, aangezien niet-kiezen het voordeel bood dat er ook geen fouten gemaakt konden worden. De minst riskante optie werd dan favoriet.

In een artikel van 21 augustus 2011 in The New York Times legde John Tierney al uit wat die bevindingen betekenden voor het sociaal-psychologisch onderzoek naar het gedrag van arme mensen die noodgedwongen voortdurend keuzes moeten maken. Zelfs over de meest onbenullige aankopen in de supermarkt moet je verdomd goed nadenken als je (te) weinig geld hebt, want bij elke aankoop moet je een gegronde afweging maken: aardbeien of een fles shampoo, kattenbrokjes of de vanillevla waar de kleinkinderen zo dol op zijn, een verjaardagscadeautje voor een vriendin of een nieuw T-shirtje voor jezelf.

Voor ingrijpende rationele beslissingen die consequenties hebben op de lange termijn – een sollicitatiebrief, het aanvragen van een gevreesd gesprek met de belastinginspecteur – blijft zodoende maar bar weinig energie over. Zulke kwesties schuiven arme mensen dus vaak voor zich uit: ze steken liever hun kop diep in het zand of ze doen maar wat, op hoop van zegen.

Het tweede boek over de psychologie van de armoede – of moet je zeggen: de psychopathologie ervan – dat elke hulpverlener zou moeten lezen is Scarcity: Why Having Too Little Means So Much van Harvard-econoom Sendhil Mullainathan en Princeton-psycholoog Eldar Shafir. Zij bouwen tot op zekere hoogte voort op het werk van Baumeister en Tierney en introduceren het begrip ‘bandbreedte’: het verschijnsel dat een mens zich maar met een paar dingen tegelijk kan bezighouden en dat de cognitieve vermogens worden aangetast als er meer van zijn tijd, concentratie en aandacht gevergd wordt dan hij aankan. Wat natuurlijk precies is waar arme mensen dagelijks mee te maken hebben.

Maar interessant genoeg treft het niet alleen mensen met gebrek aan geld, die vervolgens alleen nog maar aan geld kunnen denken, maar bijvoorbeeld ook politici en topmanagers in het zakenleven die voortdurend met hun tijd moeten woekeren en daardoor deadlines en belangrijke afspraken dreigen te verzuimen, of eenzame mensen, die zo gefocust raken op de schaarste in hun emotionele leven dat ze elk gevoel voor verhoudingen kwijtraken en reële kansen op liefde en vriendschap verknoeien of over het hoofd zien.

De paradox is volgens de auteurs dat schaarste enerzijds het denken en de waarneming scherpt, maar dat dat ten koste gaat van het vermogen om aandacht te besteden aan andere belangrijke aspecten van de situatie waarin mensen verkeren, bijvoorbeeld aan de consequenties van hun handelingen op de lange termijn. De ‘winst’ die ze vandaag kunnen boeken vertroebelt hun oordeel over de prijs die ze daar de volgende week of over een jaar voor zullen moeten betalen. De keerzijde is dus dat ze ten prooi vallen aan een soort tunnelvisie, een blikvernauwing die uiteindelijk contraproductief is.

Een van de bevindingen is bijvoorbeeld dat mensen die onderworpen worden aan hevige keuzestress naderhand wel dertien punten blijken te zijn gezakt als hun IQ wordt gemeten, wat ongeveer gelijk staat aan het effect van een doorwaakte nacht: iedereen weet dat je dan niet bepaald op je best bent als er de volgende ochtend een prestatie van je wordt verwacht. Van chronische armoede word je dus letterlijk een beetje ‘dommer’.

De favoriete metafoor van Mullainathan en Shafir voor de mentale processen die zich afspelen in het brein van arme mensen die gedwongen worden om zich voortdurend druk te maken over kleinigheden is die van de reiziger die alle spullen voor een lang verblijf in het buitenland in een veel te kleine koffer moet proppen en zich dus steeds moet afvragen wat hij daar het hardst nodig zal hebben: een warme trui, een extra paar sokken of toch liever een mooi boek om in zijn hotelkamer iets te lezen te hebben?

De echte vrijheid van rijke mensen is de vrijheid om niet over geld na te hoeven denken, merken ze ergens op. Of, zoals Henry David Thoreau het formuleerde: ware rijkdom kun je afmeten aan het aantal zaken waarmee je je níet bezig hoeft te houden.

Dat is allemaal leerzame informatie, zeer bruikbaar voor iedereen die in de loop van zijn leven met armoede van doen krijgt. Maar de grootste troost die arme mensen uit dit boek kunnen putten is toch wel dat de schrijvers tot de verrassende conclusie komen dat armoede niet het gevolg is van slechte beslissingen, maar dat het de armoede zélf is die tot slechte beslissingen leidt.

Zo, dat kunnen die bestraffende moralisten van Een dubbeltje op zijn kant mooi in hun zak steken!

Deze lectuur was voor mij een feest der herkenning, want ik hak zelf al zo’n jaar of drie met het bezuinigingsbijltje en dat bijltje wordt botter en botter. Allerlei dingen die ik aanvankelijk nog voor onmisbaar hield – grote dingen, zoals mijn volkstuinhuisje en de auto, maar ook kleine genoegens, zoals elke week verse bloemen op tafel of het gemak waarmee je tegen vrienden zegt: laten we even wat in de stad gaan eten – moesten er één voor één aan geloven. En mis ik ze? Nou, laten we het erop houden dat het went.

Wat niet went is dat je bij elk gezellig plannetje dat je wordt voorgelegd moet zeggen: sorry, dat lijkt heel leuk, maar daar heb ik het geld niet voor. Wat ook niet went is dat je afstand moet doen van een paar wezenlijke trekjes in je persoonlijkheid. Generositeit is zo’n trekje. Ik heb de neiging om dure cadeaus te kopen voor anderen, met name voor mijn kinderen en kleinkinderen, en als die op bezoek komen verander ik prompt in zo’n overbezorgde joodse mamma die veel te veel eten in huis haalt en na afloop nog een week op de kliekjes kan teren.

Afgepast koken is niet mijn fort, en als ik vrienden over de vloer krijg vind ik dat de wijn en de whisky royaal moeten stromen. Ik haat het om tegen mensen te moeten zeggen: ‘Gezellig dat je langskomt, maar zou je zelf een flesje chardonnay mee willen brengen, want ik heb geen druppel alcohol in huis.’ Terwijl ik dan eigenlijk bedoel: een flesje of twee, maar dat kan ik al helemaal niet over mijn lippen krijgen.

Allerlei uitspraken van arme mensen in de televisieprogramma’s die ik noemde, vallen ook op hun plek als je eenmaal begrijpt wat armoede aanricht in de hersenen, en ook die zijn voor mij maar al te herkenbaar.

Het gedemoraliseerde gevoel dat er van je sollicitaties toch niks terecht zal komen, de lamlendige vermoeidheid, de angst om nul op het rekest te krijgen van stugge ambtenaren die er natuurlijk weer niets van begrijpen, zodat je er als een berg tegenop ziet om de belastinginspecteur te bellen, de aanvechting om alle enveloppen die eruitzien alsof ze rekeningen bevatten maar een poosje ongeopend op een stapeltje te laten liggen, totdat je genoeg moed verzameld zult hebben om het slechte nieuws te incasseren… al die vluchtreacties en ontwijkende spijbeltactieken zijn me helaas zeer vertrouwd.

Een bevriende psychiater, Alex Korzec, die op mijn verzoek wel even wat wijsheid uit zijn klinische ervaring met patiënten wilde putten, heeft ook nog een paar nuttige tips voor arme mensen die bang zijn dat ze op het uiterste randje van een burn-out balanceren.

Hij zegt: ‘Het begint altijd met stress, en stress zet aan tot actie – dat is goed. Maar als die actie gedurende langere tijd niets oplevert, kunnen mensen overbelast en overspannen raken. Dat resulteert in een gevoel van chronische vermoeidheid, dat na een weekje vakantie meestal ook weer verdwijnt. Pas als iemand in het stadium van de burn-out komt, raakt het mentale mechaniekje dat ervoor zorgt dat je kunt kiezen om te vluchten of te vechten dusdanig verstoord dat een weekje vakantie niet meer helpt, dan blijft die vermoeidheid hangen. Wat overigens nog weer wat anders is dan een depressie.’

Hij legt verder uit: ‘Bij een vitale depressie zijn mensen nergens meer toe te krijgen en dan genieten ze ook nergens meer van, terwijl een patiënt met een burn-out nog steeds plezier kan beleven aan alles wat niet in verband staat met de situatie waarin hij onder druk is gezet. Mensen die voortdurend het uiterste moeten vergen van hun incasseringsvermogen, moeten hoe dan ook oppassen dat hun reward system, dat deel van de hersenen waar dopamine wordt aangemaakt, intact blijft. Je komt psychisch gesproken op gevaarlijk terrein als je nederlaag na nederlaag lijdt, zonder een sprankje hoop dat dat ooit nog verandert.’

Die man in het tv-programma die op zijn kop kreeg omdat hij een dagje met zijn kinderen naar het strand was gegaan om de problemen even te vergeten, had dus groot gelijk: zo’n adempauze heb je nodig.

‘Kijk’, zegt Korzec, ‘de hulpverlening is gebaseerd op een ascetisch ideaal: hulpverleners leren arme mensen voornamelijk dat ze zich van alles moeten ontzeggen. Maar op gezette tijden moet daar ook iets tegenover staan: je moet een doel voor ogen hebben dat haalbaar is en genoeg dingen overhouden om je op te verheugen, anders slaat de motor van het reward system op een gegeven moment helemáál niet meer aan. Dan kan zo iemand de hoofdprijs winnen in de lotto, maar dat doet hem niks meer: zijn vermogen om ergens van te genieten is onklaar geraakt.’

Op mijn vraag wat hulpverleners en politici zouden kunnen – en moeten – leren van al die nieuwe neurologische inzichten in de werking van de hersenen glimlacht hij berustend: ‘Wat ze zouden moeten leren is dat armoede erg is, maar ook waar. En dat begrijpen de meesten niet.’


Dit is de derde aflevering van een reeks over nieuwe armoede. De reeks komt mede tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten

Kent u iemand die in de schulden zit? De kans dat u die vraag met ‘ja’ beantwoordt is niet zo groot – en dat is niet alleen omdat de gemiddelde Groene Amsterdammer-lezer hoogopgeleid en goed verdienend is. Want ook onder die groep stijgt het aantal mensen met een schuld. In Nederland staat de teller van huishoudens met problematische schulden op een kleine half miljoen. En toch is het, zoals Emma Brunt ook beschrijft, een verborgen probleem. Mensen lopen niet graag met hun schuldprobleem te koop, ongeacht hun opleidingsniveau, leeftijd en de hoogte van de schuld.

Fotograaf Rachel Corner en journalist Laurens Nijzink is het gelukt een viertal mensen te vinden die zich lieten portretteren. Drie daarvan zitten in de schulden en een vierde doet er alles aan om niet in het rood te komen. De portretten laten zien hoe mensen (bijna) in de schulden verzeilen en hun strijd om er weer uit te komen. De makers geven een gezicht aan een sluipend sociaal probleem dat veelal gepresenteerd wordt in beleidsmatige en afstandelijke taal.

Maar soms is een problematische schuld dichterbij dan je denkt.

Vanaf komende zaterdag is hun fotofilmproject op de site.