Wie ooit een workshop van Oek de Jong heeft gevolgd, begrijpt dat het persoonlijke niet hetzelfde is als het autobiografische.

Oek de Jong, Brieven aan een jonge Atlas, € 15,-

Het werk van Oek de Jong wordt beheerst door het verlangen naar overgave, de zoektocht van het individu naar het verlies van het Zelf, om opgenomen te worden, transcendentie, zelfs als dat leidt tot vernietiging van het Zelf.

Verlangen… Nee, het is sterker dan dat: het is een drift.

In zijn essay Een lijn in de Himalaya, een van de autobiografische teksten die werd opgenomen in de onlangs verschenen bundeling Brief aan een jonge Atlas, schrijft hij: ‘Wij kunnen niet anders dan de romanticus in onszelf bevechten.’ Dat is een opvallende zin voor een schrijver wiens werk is doordrenkt van het romantische verlangen, wiens stijl en vorm romantisch zijn, wiens hoofdthema het romantische idee van de queeste naar transcendentie is.

Een opvallende zin, maar niet merkwaardig. Als iets de literaire positie van Oek de Jong bepaalt, dan is het het conflict tussen de drift en het cerebrale, gevoel en verstand, zelfverlies en zelfbehoud. Het romantische thema omhult de kern van een levensvraag, namelijk de kwestie hoe beschaving en waarachtigheid zich tot elkaar verhouden, of wij zijn wat wij van onszelf maken of dat wij onszelf daardoor juist verliezen. Tussen al die tegengestelde begrippenparen staat de drift, niet een schopenhaueriaanse wil, nee: een drift als een archetypisch oermonster dat zijn kop heft uit de duistere wateren van het meer van het hart, ‘nel lago del cor’ zoals Dante het noemt, en zijn aanwezigheid luid brullend kenbaar maakt.

‘… de romanticus in onszelf bevechten’. Ik moet onweerstaanbaar denken aan mijn oom Jakob als ik dat lees. Hij werd op een nacht onverhoeds aangevallen door een onbekende wiens gezicht hij niet kon zien en die angstaanjagend sterk scheen. Het gevecht leek eindeloos en liep al tegen de ochtend toen de vreemdeling, bevreesd voor herkenning, zich uit de voeten wilde maken. Mijn oom kreeg toen net, beweert hij, de overhand. Zoals wel vaker in het geval van romantisch angehauchte types, dwong oom Jakob de ander te erkennen wat en wie hij was: Jakob, de sterkste, de grootste, de overwinnaar. Dat leidde tot een onverwachte reactie. ‘Jij’, zou de onbekende hebben gezegd, ‘bent helemaal niet wat jij bent, wie jij bent. Jij bent Israel.’

Sindsdien gebruikt mijn oom beide namen, Jakob en Israël (‘Zeg maar Ies’), naar believen.

Nu had Jakob zelf ook wel kunnen weten dat hij niet was wat hij was en wie hij was. Als de helft van een tweeling heeft hij zijn hele leven één en uniek willen zijn. Als de laatste van de twee was die wens al zo sterk dat hij bij de geboorte de hiel van zijn broertje vasthield. Alsof hij zijn andere helft nog in het geboortekanaal probeerde in te halen. En toen hij opgroeide was mijn oom Jakob de brave, gehoorzame, intelligente lieveling van zijn moeder, maar liever was hij zijn wilde, onbesuisde, roodharige broer geweest, de lieveling van zijn vader.

Altijd dat verlangen om één te zijn, anders, om los te geraken van het keurslijf van braafheid en beschaving waarin moederskindjes zich opgesloten weten omdat ze zich maar niet aan hun verlangen naar waardering van de moeder kunnen onttrekken.

Mij heeft dat altijd de vraag doen stellen met wie mijn oom die nacht in het veld eigenlijk worstelde. Nam hij zich daar in het donker aan de oever van de rivier eigenlijk niet zelf in de houdgreep om zich bij het ochtendgloren letterlijk en figuurlijk, fysiek en mentaal, uit zijn eigen verwurging te bevrijden? En na dat gevecht, zijn heup uit het lood en mank, op een vreemde manier één en heel. Iemand die niet meer was wat hij was en wie hij was en zich daarom Ies noemde.

Israël, dat betekent ‘strijder’. Ik denk niet dat mijn oom ooit ten volle heeft beseft dat hij zich daarmee definieerde als zijn broer, die niet de slimste was, maar wel de sterkste.

‘Die leidenschaftliche Sehnsucht, d. h. die Libido hat zwei Seiten: sie ist die Kraft, die alles verschönt und unter Umständen alles zerstört. (…) Mann muß sich um ein Weniges aus bürgerlich gesitteten Umständen herausdenken, um zu verstehen, welch ein Gefühl grenzenloser Unsicherheit den Menschen befällt, der sich bedingungslos dem Schicksal übergibt’ (Wandlungen und Symbole der Libido: Jahrbuch für psychoanalytische und psychopathalogische Forschungen, 1912).

Dit schrijft Carl Jung en het is deze passage die Sabine Spielrein aanhaalt in Die Destruk­tion als Ursache des Werdens, haar essay over het vernietigende en het scheppende als een soort… nou ja… eeneiige tweeling die de driftigste aller driften bepaalt, het libido.

In Oek de Jongs Zelfportret in vijf fragmenten krijgen die antagonistische krachten vorm. Bijvoorbeeld in de passage waarin een volleybaltraining wordt beschreven waarbij de smash wordt geoefend.

‘Honderden keren heb ik die aanloop genomen, honderden keren heb ik voor het net in de lucht gehangen en met een zwiepende arm-beweging de bal in het veld van de tegenpartij geslagen. Toch heb ik in al die jaren als aanvaller maar één volmaakte beweging gemaakt.’

En dan is er die ene avond, de bal wordt opgegooid, de aanvaller wil zijn aanloop beginnen en wordt dan aan zijn shirt vastgehouden door de trainer. Als die hem eindelijk loslaat en de speler rent, springt en slaat, is dat de perfecte smash. De aandrift om te snel te gaan en de beteugeling door de oudere en wijzere trainer zijn samengevallen en dat leidt tot een bijna orgiastisch moment.

‘Opeens is alles met elkaar in evenwicht (…) Hoger ben ik nooit gesprongen. Ik hang precies op de juiste plaats in de lucht, achter de bal, neem hem vol op mijn hand, op het laagste punt van zijn boog boven het net, en knal hem in een scherpe hoek naar beneden, binnen de drie­meterlijn. Kedoeng!’

Dan, twee pagina’s verderop, de beschrijving van een warme zomermiddag, zij belt aan, hij weet dat zij dat is en doet niet open, een buurvrouw laat haar binnen. Ze zitten aan beide kanten van de deur. Zij praat tegen hem, door die gesloten deur. Ze weet dat hij daar is. Hij zwijgt, loopt rond, pakt een bundel van Kafavis en leest een gedicht. Zo een uur lang, tot zij het huis verlaat en hij achterblijft en het vreemde besef in hem zinkt dat hij heeft gewonnen en verloren. Die avond gaat hij bij haar langs en is er wilde seks op de sofa.

Kedoeng…

De worsteling, de drift die van twee één wil maken en van één twee. Winnen en verliezen.

Toen Oek de Jong eind jaren zeventig debuteerde, was dat een gebeurtenis die mijn vertrouwen in de Nederlandse literatuur herstelde. Mijn literaire verlangen (nee, ik kan beter zeggen ‘drift’) was bijna gesmoord in mijn desinteresse voor het academische, formele proza-over-proza van die tijd. Maar nu was iemand opgestaan die uit de tijd was gesprongen, zich niets had aangetrokken van de verwachtingen die de heersende smaak van literair intellectualisme oplegde en in plaats daarvan een organische tekst schreef die parelde van visuele sensualiteit en het diepe het diepe durfde te laten zijn, de drift de drift, zonder daarover quasi-verontschuldigend ironisch of afstandelijk-cerebraal te doen. Hier was iemand die de ernst ernstig durfde te nemen, het gevoel liet spreken in beeld, smaak, kleur en melodie en dat deed zonder angst voor het verhaal. Uit zijn werk sprak liefde voor taal, verhaal en literaire traditie en die liefde kwam zonder relativering en reserve tot ons.

Wat ik in zijn werk bespeurde, de heftigheid, de taal niet als een middel maar als een wereld waarin geleefd kan worden, een wereld die voortdurend onderzocht kan worden, dat leidde ertoe dat ik mij aanmeldde voor een serie workshops die hij in de tweede helft van de jaren tachtig gaf.

We kwamen bijeen in Driebergen, in een gebouw op het terrein van de Antroposofische Vereniging, als ik het goed heb. Vast wel, want ik heb een sterke herinnering aan de scepsis die ik voelde toen ik op een donkere herfstavond aankwam op het station van Driebergen en naar het landgoed wandelde waar de workshop zou worden gegeven. Ik wist niets van Oek de Jong, niet meer dan ik had gelezen, dus het kon maar zo zijn dat hij niet alleen de schrijver was met wie ik mij verbonden voelde, maar ook zo’n type dat eikeltjeskoffie dronk, ’s ochtends de zonnegroet bracht en bij ongesteldheid naar dokter Vogels homeopathische apotheek greep. Allemaal zaken die mij anticiperend deden huiveren.

Waarschijnlijk huiverde ik ook omdat ik wist met welk doel ik de komende weken met de trein vanuit Assen naar het verre Driebergen zou gaan, een reis die ik eigenlijk niet kon betalen, naar een workshop waarvoor ik eerlijk gezegd geen geld had. Ik had – ik weet niet of het zelf­bewustzijn, zelfkennis of arrogantie was, maar er zijn ongetwijfeld mensen die zeker weten dat het het laatste moet zijn – ik had niet het idee dat ik daar in Driebergen veel zou leren. Ik schreef vanaf mijn dertiende elke dag en wist dat het met de techniek wel goed zat. Wat ik nodig had, en zocht, was iemand die dat herkende.

Dat kwam die eerste avond, toen Oek de Jong mij na afloop van de sessie apart nam en mij zo ongeveer vroeg wat ik hier kwam doen. ‘Jij moet gewoon een boek schrijven’, zei hij.

Tja.

Nou, misschien kwam ik daar ook wel voor. Om te leren hoe ik voorbij het fantastische idee kwam, verder dan vijftig, zestig, zeventig pagina’s fonkelend proza.

‘Schrijf hoofdstukken van tien, twaalf pagina’s. Schrijf door en blijf niet alles mooier maken, dat komt later wel. Schrijf vanuit jezelf, wat in jou zit, wat je bezighoudt.’

Met die drie regels reisde ik na de eerste avond terug.

De eerste snapte ik wel. Overzicht, structuur, noem maar op. Voor de tweede zou ik iets moeten overwinnen, maar ik zag in dat slijpen en polijsten de voortgang kon belemmeren en dat het zijn voordelen had om eerst ‘massa’ te creëren. Massa kun je vormen, later, en om iets te vormen heb je, inderdaad, massa nodig.

Maar die derde regel…

Ik begreep dat Opwaaiende zomerjurken daaraan voldeed. Maar Cirkel in het gras? Daar moest ik eens goed over nadenken. En, trouwens, als ik zou doen wat hij aanbeval, dan zou ik over iets moeten schrijven waarover ik nadrukkelijk niet wilde schrijven. Ik was al een jaar of twee bezig met een roman waarvan de eerste pagina’s en de titel tijdens een koortsdroom tot mij waren gekomen. De tekst neigde steeds naar het onderwerp dat ik wilde vermijden en eerlijk gezegd draaide ik al twee jaar in een kringetje rond door mijn verwoede pogingen om juist niet te schrijven over…

Voor de tweede bijeenkomst leverde ik een soort Singer/Sholem Aleichem-achtige pastiche in. Een vet aangezet verhaal dat ik bij wijze van stijloefening had geschreven.

‘Kijk’, zei Oek, ‘dat bedoel ik nou.’

Maar… Maar, dit was niet serieus bedoeld. Dit was een vingeroefening, spielerei, een ‘kijk eens, ik kan een kunstje’.

‘Ja’, zei Oek, ‘dat geloof ik wel, maar dit is waar je thuis bent.’

Ik liep die avond hoofdschuddend door herfstregen en vallend blad naar het station. Misschien was hij toch antroposoof.

De workshopavonden kwamen tot een einde. De herfst ging over in winter en in de loop van die winter ging de moeder van de hoofdpersoon uit mijn roman in wording ineens Ruth heten, bleek zijn grootvader zo’n Auerbach-achtige gymnasiast die tussen het Scylla van de Odyssee en het Charibdis van het oude testament voer en tot overmaat van ramp kondigde die hoofdpersoon zichzelf op een ochtend als ‘Mendel’ aan.

Mendel?

Maar…

Er viel niks te maren. Mendel vertikte het om anders te heten en terwijl ik voortschreef, lichtelijk wantrouwig, werd de hele tekst… nou ja… Mendel, en begreep ik dat Oek de Jong helemaal geen antroposoof was maar een lezer met een scherpe blik die de vinger had gelegd op een gevoelige plek, en langzaam drong het tot mij door dat het persoonlijke niet hetzelfde is als het autobiografische en dat in dat persoonlijke de diepe drijfveer zat, de passie, en dat die voor mij ging over de zoektocht, het verlangen, het verlies, transcendentie, zelfs als dat leidt tot vernietiging van het Zelf en dat ik dat allemaal veel eerder had kunnen weten als ik mijn gevoel van verwantschap met die twee romans van hem, als lezer, als schrijver, wat eerder persoonlijk had opgevat.

Kedoeng…


Komend najaar verschijnt de nieuwe roman van Oek de Jong, een autobiografische roman over drie generaties