Kees Fens en de dagen van Merlyn

Een jaar na het overlijden van Kees Fens memoreert Jessurun d’Oliveira des schrijvers wederwaardigheden tijdens het korte bestaan van literair tijdschrift Merlyn. De figuranten: Fens en d’Oliveira, Jaap Oversteegen, Karel van Boeschoten, Geert van Oorschot en Han Voskuil.

Het tweemaandelijks literair tijdschrift Merlyn, dat startte in november 1962 en dat in december 1966 euthanasie pleegde, stond onder redactie van Kees Fens, Jaap Oversteegen en mijzelf. Tien jaar geleden overleed Jaap Oversteegen en een jaar geleden Kees, dus ik ben technisch gesproken de enige redacteur die nog van binnenuit over de plaats van Kees in de entourage van Merlyn kan verhalen.
Oversteegen en ik waren stevig atheïstisch verankerd. Zelf was ik niet vies van antipaapse scheldkanonnades, waarvoor het studentenblad Propria Cures mij en anderen alle ruimte had geboden. Wij leken niet de meest aangewezen personen om iemand van zo duidelijke katholieke signatuur en biotoop uit te nodigen om het avontuur van Merlyn mee op te zetten. Het bisschoppelijk mandement van 1953, dat de verzuiling stevig had aangedikt, was nog niet zo lang tevoren over het kerkvolk afgeroepen. Ook omgekeerd lazen virulent andersdenkenden geen bladen van roomse snit, behalve om er de spot mee te drijven of tegen te polemiseren.
Het was de boekverkoper Karel van Boeschoten in de Huidenstraat die als makelaar optrad. Hij maakte Jaap Oversteegen attent op de afwijkende recensies die Kees in De Linie schreef, en die was daar aangenaam door verrast, omdat de benadering daarin verwant was met de zijne. Kees woonde om gezondheidsredenen in Zandvoort, maar kwam toch vaak genoeg in zijn geboortestad om zo nu en dan bij de heer Van Boeschoten binnen te lopen. Van Boeschoten stelde de twee aan elkaar voor en zo hebben beiden elkaar in die literaire ‘salon’ regelmatig gesproken. Ook ik heb Jaap daar later voor het eerst ontmoet; achteraf bleek dat gearrangeerd.
Toen het plan bij Jaap en mij opkwam om een nieuw tijdschrift te beginnen, was het vanzelfsprekend om Kees daarbij te betrekken. Wanneer was toen? Herinneren is een moeilijk bedrijf, en ook geschreven memoires zijn niet altijd waarheidsgetrouw. De voorgeschiedenis van Merlyn was deze. In de tijd dat ik redacteur van Tirade was (1959-1961), was ik steeds meer autonomistische opstellen gaan schrijven en had ik geprobeerd de andere redacteuren daar warm voor te laten lopen. Dat lukte uiteindelijk niet, en eind 1961 barstte de bom. Aanleiding was een essay van Max Nord over Pirandello, waar ik faliekant op tegen was, maar waar de meeste andere redacteuren voor waren. Ik nam ontslag bij Tirade en zoals gebruikelijk kreeg ik nog wat trappen na. Geert van Oorschot, de redacteur-uitgever van Tirade, speelde daarbij een dubbelrol. Enerzijds wilde hij wel verder met mij optrekken en koos hij publiekelijk mijn partij, anderzijds vond hij de sprong in het duister toch te riskant en koos hij uiteindelijk de kant van de andere redacteuren. Wel had er een bijeenkomst plaats met Jaap Oversteegen en mij, waarin onder stijgend alcoholgebruik allerlei modaliteiten en varianten de revue passeerden. Dat liep dus uit op niets.
Intussen waren er al sondages verricht naar nieuwe redacteuren van Tirade. Ik woonde toen nog ongemakkelijk op zolder bij Geert, die inmiddels de huur en de vriendschap had opgezegd. Zo maakte ik mee dat ook Kees de trap op kwam om te praten over een redacteurschap. Hij had, mede op mijn initiatief, al een paar stukken bijgedragen aan Tirade en was ook via mij in contact gekomen met Van Oorschot. Intussen hadden Jaap en ik de koppen al bij elkaar gestoken om te bezien of wij samen iets konden doen in deze schemerige toestand, en daarbij wilden wij ook Kees betrekken. Kortom, er werd tussen Kerst 1961 en Driekoningen 1962 van twee kanten aan Kees getrokken. Uit brieven van Geert van Oorschot weten we hoe hard hij zijn best heeft gedaan om Kees bij Tirade te halen. Het was niet een situatie waar Kees behagen in schepte. Hij had een enorme hekel aan confrontaties, ruzies, geschillen, fricties, perkara’s, voor zo ver hij daar zelf bij betrokken was. Hij heeft zich aan de robuuste minnebrieven van Van Oorschot onttrokken met de mededeling dat hij het toch eigenlijk te druk had voor een redacteurschap bij Tirade. Dat is af te leiden uit de antwoordbrief van Van Oorschot, die van dat gebrek aan tijd, waarschijnlijk terecht, niets geloofde. ‘Het zijn m.i. andere motieven die je van medewerking aan Tirade nu ineens doen afzien.’
Ik weet niet zeker of het vooruitzicht van meer toestanden in Tirade dan wel de hoop op een nieuw begin met een ander tijdschrift de boventoon heeft gevoerd bij Kees’ beslissing. Hijzelf zegt het omfloerst: ‘Ik denk dat mijn weigering, redactielid te worden van Tirade (en mijn latere besluit geen prozakroniek te schrijven) alles te maken had met de dominantie van Geert van Oorschot. Ik vreesde voor onvrijheid.’ De plannen voor Merlyn kwamen in een stroomversnelling toen zich, alweer via de alomtegenwoordige koppelaar Van Boeschoten, een spiksplinternieuwe uitgeverij voordeed die best een literair tijdschrift als uithangbord en fuik kon gebruiken: Polak & Van Gennep.
Hoewel de chronologie mij niet helder voor de geest staat, herinner ik me een gesprek over onze plannen dat Jaap en ik met Kees voerden in een Haarlems ziekenhuis. Dat moet in de lente van 1962 zijn geweest. Wij ontmoetten een mond en een paar ogen. In het ziekbed lag een geheel in windselen gehuld persoon, een mummie, ingerold in hectometers verband. Kees had als jonge vader van een dochter de taak op zich genomen het kind te verschonen. De baby had net haar cocktailprik gekregen en had daarvan de pokken aan haar vader overgedragen, dwars door zijn slechte allergische huid. (Zij voelt zich daar tot op de dag vandaag schuldig over). Kees lag te vervellen als een hagedis. Maar hij was naar de mate van het mogelijke enthousiast voor onze plannen en deed graag mee als Dritte im Bunde. Een oecumenisch gezelschap van twee atheïsten en een rooms-katholiek.
Inderdaad ging het er in Merlyn irenischer aan toe dan in de toenmalige slangenkuil van Tirade. De getuigenis die Jaap Oversteegen tien jaar geleden, vlak voor zijn dood afgaf, spreekt voor zich: ‘Met Fens in zee gaan, kregen Ulli en ik keer op keer te horen, is vragen om moeilijkheden: een roomse draaikont! (…) Twee ruziezoekers en dan iemand die zo weinig van publieke onenigheid moest hebben! Wij leken weinig op elkaar, dat is waar, en toch heb ik, alles bij elkaar genomen, niet vaak zo harmonieus met anderen samengewerkt als met d’Oliveira en Fens in Merlyn. Geen kinnesinne, geen grote verschillen in oordeel (wat voor een tijdschrift plezierig is), hoogstens hevige ongerustheid over één op de twee keren te laat binnenkomende kopij van Kees Fens, of, van zijn kant, over een te hardhandige wijze van polemiseren van d’Oliveira en mij in de kleineletter-rubriek Valkuil. Maar dat laatste werd weer goedgemaakt doordat Kees, als puntje bij paaltje kwam, de hardste klappen uitdeelde’ (Oversteegen, Etalage: Uit het leven van een lezer, 1999).
Inderdaad kon Kees een enkele keer buitengewoon uit zijn slof schieten. Hoewel geneigd om in zijn kritische werk negatieve elementen niet te sterk te prononceren en eerder impliciet te laten, kon hij, liefst in intieme kring, danig uitpakken. De moordkuil werd dan uitgegraven, soms ook met dodelijke humor. Noodweer en noodweerexces waren dan aan de orde, meer dan een behoefte aan het uiten van agressie. Hij beet van zich af als hij het gevoel had dat men hem te zeer te na kwam.
Aan Kees heeft het niet gelegen dat in 1963 Bij nader inzien uitkwam, het tweedelige boek waarmee Han Voskuil de Nederlandse letteren binnen denderde. Maarten Koning, het alter ego van Voskuil, rekent in dit boek af met zijn vriend Paul Dehoes, alter ego van Jaap Oversteegen. Volgens de flaptekst, die door zijn stijl de maker ervan verraadt, namelijk Geert van Oorschot, is Maarten Koning ‘een maatstaf voor properheid en karakter’. Paul Dehoes daarentegen, aldus nog steeds Van Oorschots flaptekst, is de ‘personifikatie van de profiteur en de verrader, die het hele leven, alle menselijke betrekkingen en verhoudingen tot literatuur maakt’. In retrospectief lijkt mij dat Voskuil eerder in aanmerking komt voor een kenschets als verrader die het hele leven, alle menselijke betrekkingen en verhoudingen tot literatuur maakt, zoals het recent openbaar gemaakte Binnen de huid bevestigt. Van Oorschot was in deze flaptekst zijn eigen kleine oorlog met Oversteegen aan het voeren, die hij als de kwade genius achter de troebelen in Tirade en de oprichting van Merlyn zag.
Hoe dat zij, het manuscript van Bij nader inzien was door Van Oorschot aan Kees Fens ter hand gesteld met het oog op een advies over publicatie ervan. Dat was ergens in de roerige tijd 1961-1962, toen Van Oorschot naar Kees’ gunsten dong. Kees vertelde mij een paar jaar geleden: ‘Ik kreeg een tas met een dik pak papier mee. Ik ging door naar een afspraak met Jaap en bladerde onderweg wat in het manuscript en had toen vrijwel meteen in de gaten dat het over Jaap en zijn vriendenkring in de studententijd ging. Toen ik Jaap mijn vermoeden meldde was deze daarover heel terughoudend. Hij haalde zijn schouders op. Later, nadat ik er nog verder in gelezen had, werden mijn vermoedens bevestigd, maar was mij ook duidelijk dat het snert was. Ik gaf het manuscript aan Van Oorschot terug met de boodschap dat hij dat boek niet moest uitgeven, omdat het niks was.’ Ik neem aan dat daarbij ook wel ter sprake zal zijn gekomen wie er zo doorzichtig model hadden gestaan voor de personages in het boek.
Ik denk dat de publicatie van de afrekening van Maarten Koning met Paul Dehoes mede de afrekening van Van Oorschot met Oversteegen was. In elk geval heeft Kees ondubbelzinnig zijn vonnis geveld over de waarde die zijns nader inziens aan het manuscript toekwam, al is het niet uitgesloten dat ook een moreel oordeel daarbij heeft meegespeeld. Ook Kees Fens, de fijnst bewerktuigde lezer onder ons, voldeed niet aan het wat karikaturale profiel dat later van de merlinisten is getekend.

Dit is een bewerking van de tekst die Jessurun d’Oliveira uitsprak op de herdenkingsbijeenkomst die SLAA organiseerde op 14 juni, een jaar na het overlijden van Kees Fens. Onlangs verscheen bij Athenaeum, Polak & Van Gennep Het volmaakte kleine stukje, een keuze van Joost Zwagerman uit de columns die Kees Fens onder het pseudoniem A.L. Boom schreef in De Tijd tussen 1976 en 1989